Wijziging Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009.
- Kenmerk
- W17.26.00065/IV
- Datum aanhangig
- 17 maart 2026
- Datum vastgesteld
- 6 mei 2026
- Datum advies
- 6 mei 2026
- Datum publicatie
- 11 mei 2026
- Vindplaats
- Staatscourant 2026, 19091
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 17 maart 2026, no.2026000594, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 in verband met het toevoegen van de omrekenfactor bij de analysemethode voor het berekenen van de hoeveelheid totaal organisch koolstof, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit stelt regels over de nieuwe analysemethode voor de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing. Het betreft reparatieregelgeving naar aanleiding van een recente wijziging van de Waterschapswet.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de reparatie van een wet via een wijziging van een algemene maatregel van bestuur (amvb). In verband met deze opmerking is aanpassing wenselijk van de toelichting.
1. Inhoud en achtergrond
Het ontwerpbesluit strekt ertoe om een omissie in de Waterschapswet te herstellen. Per 1 januari 2026 is de Waterschapswet (hierna: de wet) gewijzigd. (zie noot 1) Deze wetswijziging vervangt de analysemethode waarbij mens- en milieubelastende stoffen worden gebruikt om de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing te berekenen. De methode om het chemisch zuurstofverbruik (CZV) te bepalen wordt vervangen door de TOC-meting (Total Organic Carbon). (zie noot 2)
Na de wetswijziging is geconstateerd dat de wet een omissie bevat. De nieuwe analysemethode moet gelden voor zowel meetbedrijven (zie noot 3) als tabelbedrijven. (zie noot 4) In artikel 122k van de Waterschapswet, zoals dat sinds 1 januari 2026 luidt, is de analysemethode voor tabelbedrijven niet opgenomen. Het voorliggende ontwerpbesluit wijzigt het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (hierna: het Bviw 2009) om te verduidelijken dat de nieuwe analysemethode ook geldt voor tabelbedrijven.
2. Reparatie van de wet via het wijzigingsbesluit
Artikel 122k, tweede lid, van de Waterschapswet geeft de grondslag om bij amvb nadere regels te stellen voor de bepaling van de vervuilingswaarde. Op grond van dit artikel kunnen in het Bviw 2009 regels worden gesteld over de analysemethode voor tabelbedrijven.
Uit de toelichting blijkt dat er gelijktijdig wordt gewerkt aan een wijziging van de Waterschapswet om de omissie ook op wettelijk niveau te herstellen. (zie noot 5) Zodra die wetswijziging in werking treedt, zal de wijziging in het Bviw 2009 vervallen. (zie noot 6)
De Afdeling merkt op dat het mogelijk is om de omissie in de Waterschapswet te herstellen door middel van een wijziging van het Bviw 2009, aangezien er een wettelijke grondslag is om bij amvb nadere regels te stellen voor de bepaling van de vervuilingswaarde. De Afdeling merkt daarbij wel op dat een wijziging van de wet zelf de voorkeur heeft, gelet op de eenduidigheid en continuïteit van wetgeving en gezien het feit dat de analysemethode voor meetbedrijven ook in de wet is opgenomen. (zie noot 7)
De toelichting gaat niet in op de vraag waarom het herstellen van de omissie niet kan wachten totdat de wetswijziging in werking treedt. Ook geeft de toelichting geen inzicht in de gevolgen van het ontbreken van de toepassing van de nieuwe analysemethode voor tabelbedrijven. Daarmee ontbreekt de motivering van de noodzaak van het voorliggende wijzigingsbesluit ten opzichte van de toekomstige wetswijziging.
De Afdeling adviseert in de toelichting nader te motiveren waarom ervoor is gekozen om de omissie eerst te herstellen via een wijziging van de amvb en later via een wijziging van de wet.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 28 mei 2026
2. Reparatie van de wet via het wijzigingsbesluit
De Afdeling merkt terecht op dat het de voorkeur heeft om de analysemethode op wetsniveau te regelen. Daarvoor is dan ook wetgeving in voorbereiding. In de toelichting is naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling nader gemotiveerd waarom het noodzakelijk is om voorafgaand aan die wetswijziging eerst het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (hierna: Bviw 2009) te wijzigen.
De heffingplichtige of de inspecteur van RWS of een waterschap kan onderzoek doen naar de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ingenomen water. Bij dit onderzoek wordt allereerst de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ingenomen water van het bedrijf bepaald. Dit gebeurt sinds 1 januari 2026 met een nieuwe analysemethode. Zodra die vervuilingswaarde bekend is kan de heffing worden bepaald aan de hand van de afvalwatercoëfficiënt die past bij de in artikel 122k, derde lid, opgenomen klassen waarbinnen die vervuilingswaarde is gelegen. Een te laag vastgestelde vervuilingswaarde kan daarmee leiden tot een te lage afvalwatercoëfficiënt. Hoe hoger de afvalwatercoëfficiënt is hoe meer heffing het bedrijf betaalt.
Uit bovenstaande volgt dat de analysemethode bepalend is voor de uiteindelijke hoogte van de heffing. Net als bij meetbedrijven geldt bij tabelbedrijven dat de nieuwe analysemethode voor TOC moet worden toegepast en dat daarbij de verhouding CZV/TOC eveneens drie is. Dit is steeds de bedoeling van de wetgever geweest.(zie noot 8) Er zou hierover echter onduidelijkheid kunnen ontstaan vanwege de in het Bviw 2009 opgenomen begripsbepalingen van ‘analyse’ en ‘zuurstofverbruik’. Deze wijziging van het Bviw 2009 zorgt ervoor dat elke mogelijke onduidelijkheid hierover wordt weggenomen. Deze eventuele onduidelijkheid is onwenselijk vanwege mogelijke procedures die tijd en geld kosten voor de betrokken beheerder en bovendien onzekerheid met zich meebrengen voor de opgelegde aanslagen. Daarom is ervoor gekozen om zo snel mogelijk elke mogelijke onduidelijkheid hierover weg te nemen en eerst het Bviw 2009 te wijzigen voorafgaand aan een wetswijziging.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de overgangsbepaling die was opgenomen in artikel 6b te laten vervallen. Er is geen reden om hier af te wijken van de hoofdregel dat op een bezwaar wordt beslist aan de hand van de wetgeving zoals die geldt op het moment dat het besluit wordt genomen (ex nunc toetsing).
Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom aan en verzoek u overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Voetnoten
(1) Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63).
(2) Toelichting, paragraaf 1.
(3) Dat zijn bedrijven waarop artikel 122g van de Waterschapswet van toepassing is.
(4) Dat zijn bedrijven waarop artikel 122k van de Waterschapswet van toepassing is.
(5) Toelichting, paragraaf 4.
(6) Zie Artikel I, Onderdeel D, van het ontwerpbesluit.
(7) Zie artikel 122g, derde lid, van de Waterschapswet.
(8) Kamerstukken II 2022/23, 36412, nr. 3, hoofdstuk 7.