Ontwerpbesluit ot wijziging van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (indexering civiele griffierechten).
- Kenmerk
- W03.01.0292/I
- Datum aanhangig
- 3 juli 2001
- Datum vastgesteld
- 3 augustus 2001
- Datum advies
- 3 augustus 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 13 november 2001, nr. 220
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 3 juli 2001, no.01.003210, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (indexering civiele griffierechten).
Dit ontwerpbesluit beoogt de tarieven in de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) te verhogen met een percentage waarmee het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie vanaf 1 maart 1997 tot en met 31 december 2000 is gestegen. Het ontwerpbesluit geeft de Raad van State aanleiding tot de volgende opmerkingen. Het college is van mening dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. In het ontwerpbesluit worden slechts de civiele griffierechten aangepast aan het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. In 1997 en in 1998 zijn daarentegen gelijktijdig zowel de civiele als de bestuursrechtelijke griffierechten verhoogd. (zie noot 1) Dit doet de vraag rijzen waarom de bestuursrechtelijke griffierechten bij de thans voorgestelde verhoging niet betrokken zijn. Het college wijst erop dat deze koppeling van de verhogingen bij voorkeur gehandhaafd moet worden om te vermijden dat de aanpassing van beide categorieën van tarieven uiteen gaat lopen. De Raad adviseert het ontwerpbesluit in vorenbedoelde zin aan te passen.
2. Dit ontwerpbesluit is niet afgestemd op de ontwerp-Aanpassingswet euro. (zie noot 2) In dat wetsvoorstel worden onder meer de in de WTBZ genoemde bedragen in guldens omgezet in euro's. (zie noot 3) Daarbij wordt uitgegaan van de thans geldende tarieven. De met dit ontwerpbesluit beoogde wijziging van de tarieven leidt ertoe dat de nieuwe tarieven (in guldens) niet meer corresponderen met de in genoemd wetsvoorstel opgenomen bedragen.
De Raad adviseert daarom de ontwerp-Aanpassingswet aan te passen.
3. In de toelichting wordt uiteengezet dat de tarieven in de WTBZ naar aanleiding van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie voor de Iaatste maal zijn aangepast bij besluit van 28 februari 1997. De daarop volgende wijziging van de tarieven bij de wet van 24 december 1998, vond - aldus nog steeds de toelichting - plaats op andere gronden dan naar aanleiding van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. Om die reden wordt bij de voorgestelde verhoging van de griffierechten rekening gehouden met de ontwikkeling van het prijsindexcijfer vanaf de inwerkingtreding van het besluit van 28 februari 1997.
Deze redenering geeft de indruk in hoge mate gebaseerd te zijn op budgettaire overwegingen. De ratio van de mogelijkheid tot wijziging van de griffiegelden bij algemene maatregel van bestuur is dat tussentijdse aanpassingen naar aanleiding van het prijsindexcijfer relatief snel kunnen worden doorgevoerd. Wanneer vervolgens bij wet een reguliere wijziging van de griffierechten plaatsvindt, mag ervan worden uitgegaan dat in het nieuw vast te stellen griffierecht ook het prijsindexcijfer is verdisconteerd. De wet bepaalt immers niet dat verhoging van de griffierechten naar aanleiding van het prijsindexcijfer bij algemene maatregel van bestuur dient plaats te vinden, maar dat de bedragen bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.
De Raad adviseert in de nota van toelichting uiteen te zetten of, en zo ja waarom, bij de tariefwijziging van 24 december 1998 geen rekening is gehouden met de stijging van het prijsindexcijfer. Wanneer daarmee geen rekening is gehouden, adviseert de Raad het ontwerpbesluit in die zin aan te passen dat slechts rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie vanaf 24 december 1998.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 19 september 2001
1. De Raad van State werpt de vraag op waarom de bestuursrechtelijke griffierechten bij de thans voorgestelde verhoging niet betrokken zijn en meent dat het wenselijk is te vermijden dat de aanpassing van beide categorieën van tarieven uiteen gaat lopen. Tot de onderhavige aanpassing van de civiele griffierechten is besloten in het kader van een beleidsafweging over de toekomst van het stelsel van de griffierechten in civiele en handelszaken, waarover ik de Tweede Kamer bij brief van 28 december 2000 heb geïnformeerd (Tweede Kamer 2000-2001, 26 352, nr. 35). In dat kader heb ik, in de zojuist genoemde brief, aankondiging gedaan van de indexering van de civiele griffierechten. Om die reden beperkt het onderhavige besluit zich ook tot de civiele griffierechten. Omdat het inderdaad wenselijk is om ook te komen tot indexering van de griffierechten in bestuurszaken, wordt daarvoor een afzonderlijke algemene maatregel van bestuur voorbereid.
2. Terecht wijst de Raad van State erop dat in wetsvoorstel 27 472 (Aanpassingswet euro) rekening zal moeten worden gehouden met de bij dit besluit door te voeren indexering. Dit zal geschieden bij een nota van wijziging bij het genoemde wetsvoorstel.
3. De Raad van State vraagt aandacht voor het feit dat bij de voorgestelde indexering rekening wordt gehouden met de stijging van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie vanaf februari 1997, terwijl de griffierechten nog nadien, bij wet van 24 december 1998, zijn gewijzigd. Terecht wijst de Raad van State erop dat de ratio van de mogelijkheid tot wijziging bij algemene maatregel van bestuur s dat tussentijdse aanpassingen snel kunnen worden doorgevoerd. Dat wil echter niet zeggen dat er bij iedere wijziging van de griffierechten die niet bij algemene maatregel van bestuur maar bij wet plaatsvindt, van mag worden uitgegaan dat in die wijziging ook het prijsindexcijfer is verdisconteerd. Weliswaar is het, vanzelfsprekend, mogelijk om bij een wijziging van de griffierechten door middel van een wet in formele zin rekening te houden met de ontwikkeling van het prijsindexcijfer, maar in het geval van de wet van 24 december 1998 is dat niet het geval geweest. Die wet betrof geen reguliere verhoging van de griffierechten, maar een eenmalige, generieke, verhoging van de griffierechten met 7,5%. Deze verhoging strekte er niet toe de gevolgen van de - in de ontwikkeling van het prijsindexcijfer tot uitdrukking komende - geldontwaarding op te vangen, doch hield verband met het realiseren van budgettaire doelstellingen uit het regeerakkoord. Om die reden is bij die wet dan ook met de stijging van het prijsindexcijfer geen rekening gehouden. In de nota van toelichting is dit, in overeenstemming met het advies van de Raad van State, uiteengezet.
Ik moge u hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting (wederom) doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Justitie
Voetnoten
(1) Besluit van 28 februari 1997 tot wijziging van de Wet tarieven in burgerlijke zaken en van enige andere wetten (Stb.112) en de Wet van 24 december 1998 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Beroepswet, de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en andere wetten ter verhoging van de opbrengst van de griffierechten (verhoging van de opbrengst van griffierechten) (Stb.744).
(2) Kamerstukken 27 472.
(3) Kamerstukken I 2000/01, 27 472, nr.326, hoofdstuk 5, artikel 1.