Wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie in verband met een wijziging in de rechtspositie van de geestelijk verzorger bij Defensie.


Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 22 januari 2024, no.2024000104, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie in verband met een wijziging in de rechtspositie van de geestelijk verzorger bij Defensie, met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit zorgt ervoor dat aan geestelijk verzorgers bij Defensie voortaan drie disciplinaire straffen uit het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie kunnen worden opgelegd: schriftelijke berisping, gedeeltelijke inhouding van het salaris, en ontslag. De regering beoogt de minister van Defensie hiermee in staat te stellen om eventueel voorkomend plichtsverzuim op passende en proportionele wijze te adresseren.

De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat uit de toelichting bij het ontwerpbesluit niet blijkt in welke behoefte het ontwerpbesluit voorziet. Zij adviseert die motivering alsnog te geven en ook nader toe te lichten waarop de in het ontwerpbesluit gemaakte selectie van disciplinaire straffen is gebaseerd. Aan geestelijk verzorgers in andere sectoren kunnen immers meer disciplinaire straffen worden opgelegd.

In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting, en zo nodig van het ontwerpbesluit.

1. Achtergrond en motivering ontwerpbesluit

De geestelijk verzorger die werkzaam is bij het ministerie van Defensie, is burgerlijk ambtenaar in de zin van artikel 1 Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD). Daarnaast wordt hij aangemerkt als militair voor de toepassing van bepaalde onderdelen uit het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Op dit moment geldt hoofdstuk 8 BARD niet voor geestelijk verzorgers. (zie noot 1)

Het gevolg hiervan is dat de in dat hoofdstuk genoemde disciplinaire straffen niet aan hen kunnen worden opgelegd. Het ontwerpbesluit verklaart hoofdstuk 8 BARD alsnog gedeeltelijk van toepassing, zodat het mogelijk wordt om drie van de daar genoemde disciplinaire straffen op te leggen: schriftelijke berisping, gedeeltelijke inhouding van het salaris, en ontslag. Dit is nodig, zo stelt de regering, omdat Defensie anders niet in staat is om als werkgever te reageren op plichtsverzuim van geestelijk verzorgers. (zie noot 2) Een en ander is afgestemd met de belanghebbenden en neergelegd in een beleidskader uit 2021, aldus de regering. (zie noot 3)

De Afdeling merkt op dat hoofdstuk 8 BARD al geruime tijd, namelijk sinds 2006, niet van toepassing is op geestelijk verzorgers. (zie noot 4) De toelichting bij het ontwerpbesluit vermeldt niet of dit in de praktijk tot problemen heeft geleid. Die toelichting is wel wenselijk, omdat regelingen alleen tot stand dienen te worden gebracht als de noodzaak daarvan is komen vast te staan. (zie noot 5) Zo rijst de vraag of eventueel voorkomend plichtsverzuim niet reeds voldoende kan worden geadresseerd op basis van de huidige regeling, die in diverse maatregelen voorziet. (zie noot 6) Noch de toelichting bij het ontwerpbesluit, noch het daarin genoemde beleidskader uit 2021 gaat hierop in.

De Afdeling adviseert in het licht hiervan het ontwerpbesluit nader te motiveren.

2. Selectie van disciplinaire straffen

Als het ontwerpbesluit daadwerkelijk nodig is om bepaalde problemen uit de praktijk weg te nemen, rijst vervolgens de vraag waarom specifiek drie van de twaalf disciplinaire straffen uit hoofdstuk 8 BARD van toepassing worden verklaard. (zie noot 7) De toelichting bij het ontwerpbesluit en het beleidskader uit 2021 vermelden hierover alleen dat de gemaakte selectie adequaat is om ernstig plichtsverzuim op passende en proportionele wijze te adresseren. (zie noot 8)

Deze toelichting is ontoereikend, omdat niet wordt ingegaan op de andere in hoofdstuk 8 BARD genoemde disciplinaire straffen. Van belang hierbij is dat, zoals de toelichting vermeldt, Defensie met de gemaakte selectie minder ver gaat dan de Dienst Justitiële Inrichtingen en de Politie, waar ook geestelijk verzorgers werken. (zie noot 9) Waar dit onderscheid op is gebaseerd, wordt uit de toelichting niet duidelijk.

De Afdeling adviseert in het licht hiervan om nader te motiveren waarom specifiek drie van de twaalf disciplinaire straffen uit hoofdstuk 8 BARD van toepassing worden verklaard op geestelijk verzorgers bij Defensie.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De vice-president van de Raad van State

Voetnoten

(1) Artikel 1, vijfde lid, AMAR, en artikel 2, vierde lid, BARD.
(2) Nota van toelichting, paragraaf 3.
(3) Nota van toelichting, paragraaf 1, onder verwijzing naar bijlage 1 bij de brief van 18 augustus 2021, ‘Voorstel wijzigingen regelgeving Geestelijke Verzorging’, aan de werkgroep Algemeen Personeelsbeleid van het georganiseerd overleg sector Defensie (AP/21.0360, zaak nr. ZD.801.1).
(4) Stb. 2006, 353.
(5) Aanwijzing 2.2 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(6) Het is op grond van artikel 1, vijfde lid, AMAR en artikel 2, vierde lid, BARD al mogelijk om geestelijk verzorgers te schorsen wanneer, onder meer, het belang van de dienst dit vordert (artikel 34 AMAR), om hen de toegang tot de werkplek te ontzeggen (artikel 96, eerste lid, BARD), om hen te verplichten tot vergoeding van schade (artikel 145 AMAR), en om hen te ontslaan wegens ongeschiktheid voor de dienst dan wel een onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf voor het plegen van een misdrijf (artikel 39, tweede lid, sub f, AMAR; artikel 121, eerste lid, sub e en g, BARD). Ook kan Defensie aan de zendende instantie verzoeken om de goedkeuring voor de aanstelling van een geestelijk verzorger in te trekken, waarna ontslag moet volgen (artikel 2, tweede en vierde lid, Regeling aanstelling geestelijk verzorgers).
(7) Zie artikel 100, eerste lid, BARD.
(8) Nota van toelichting, paragraaf 1.
(9) Nota van toelichting, paragraaf 3, slot.