Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering.


Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 6 oktober 2023, no.2023002314, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering in verband met de invoering van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87) (Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit voorziet in een aanpassing van het Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering in die zin dat het looptijdonafhankelijk bedrag (hierna: LOB) als onderdeel van de vergoeding die de bewindvoerder ontvangt wordt verhoogd. Deze verhoging is het gevolg van de inwerkingtreding per 1 juli 2023 van de wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Daarin is onder meer geregeld dat het standaardtraject voor een wettelijke schuldsanering wordt teruggebracht van drie jaar tot anderhalf jaar.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de motivering van de keuze om binnen de bestaande vergoedingssystematiek slechts het LOB te verhogen. Deze keuze werkt volgens de toelichting budgettair neutraal uit ten opzichte van het oude recht in een standaardsituatie. Verschillende consultatiepartijen hebben echter aangedrongen op een gecombineerde verhoging van het LOB en het looptijdafhankelijk bedrag (hierna: LAB). Op die wijze kan namelijk beter rekening worden gehouden met onder andere de situatie waarin de rechter tot een verlenging van het wettelijk schuldsaneringstraject zou besluiten. Een nadere motivering voor de gemaakte keuze ligt daarom in de rede.

In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van de toelichting, en zo nodig van het ontwerpbesluit.

1. Achtergrond

Op 1 juli 2023 is de Wet tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (hierna: de wet) in werking getreden. (zie noot 1) Het oorspronkelijke wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer werd ingediend bevatte twee relatief beperkte versoepelingen van de schuldsaneringsregeling. (zie noot 2) De Tweede Kamer wenste - mede tegen de achtergrond van de wens in het coalitieakkoord om het schuldsaneringstraject te bekorten (zie noot 3) - bij de behandeling echter een veel ingrijpender wijziging van de schuldensaneringsregeling.

Verschillende amendementen zijn ingediend, waaronder een amendement om de standaardduur van het wettelijk schuldsaneringstraject te verkorten van drie jaar tot anderhalf jaar. (zie noot 4) Deze amendementen leidden ertoe dat de regering een tweede consultatieronde bij de relevante partijen in het maatschappelijk veld heeft laten uitvoeren. Daaruit kwam een gemengd beeld naar voren met daarin ook kritische kanttekeningen bij de voorgestelde amendementen. Onder meer is gewezen op de complexiteit van schuldenproblematiek waaruit de verwachting voortvloeit dat een aanzienlijke verkorting van het wettelijk schuldsaneringstraject niet per definitie een positieve bijdrage aan het oplossen van deze problematiek hoeft te betekenen. (zie noot 5)

Uiteindelijk heeft de Tweede Kamer ingestemd met de halvering van de standaardtermijn en zijn ook andere substantiële wijzigingen doorgevoerd: het wettelijk traject kan bijvoorbeeld al zijn aanvang nemen als de schuldenaar tijdens het buitengerechtelijke traject is begonnen met aflossen. De maximale duur van het traject kan bovendien door de rechter op maximaal drie-en-een-half jaar worden vastgesteld in plaats van vijf jaar. (zie noot 6) De Eerste Kamer heeft het voorstel op 7 februari 2023 aangenomen.

De wet is per 1 juli 2023 in werking getreden, onder meer na het sturen van een brief aan de Tweede Kamer om toe te lichten dat een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding gezien het fundamentele karakter van de wet enkele uitdagingen met zich bracht. (zie noot 7) Gedurende voornoemd traject heeft de regering afgezien van de mogelijkheid om de Afdeling om advies te vragen ten aanzien van de voorgestelde amendementen. (zie noot 8)

2. Inhoud ontwerpbesluit

Eén van de gevolgen van de wetswijziging is dat de bewindvoerder die door de rechter wordt aangesteld in het wettelijke schuldsaneringstraject (hierna: Wsnp-bewindvoerder) zijn vaste werkzaamheden moet uitvoeren in een korter tijdsbestek. De halvering van de standaardduur betekent een toename van de intensiteit van het contact en de werkzaamheden per dossier. De vergoeding voor de Wsnp-bewindvoerder wordt met dit ontwerpbesluit aangepast, zodat het financieel doenlijk en aantrekkelijk blijft om Wsnp-bewindvoerder te zijn of te worden. (zie noot 9)

De vergoeding van de bewindvoerder bestaat uit een vast LOB. Dit is een vaste vergoeding, ongeacht de duur van het traject. Daarnaast bestaat de vergoeding uit een maandelijks LAB. De halvering van de standaardduur van een traject is vooral van invloed op het LOB, omdat de vaste werkzaamheden aan de start- en eindfase van een Wsnp-traject niet zijn gewijzigd, maar complexer en doorlopend zijn geworden en er extra werkzaamheden bij zijn gekomen. (zie noot 10)

Op grond hiervan en door het wegvallen van een groot deel van het LAB vanwege de verkorting van de standaardduur, is het LOB niet meer toereikend en is een verhoging gewenst. De wetgever heeft in het ontwerpbesluit het LOB zoveel verhoogd dat de vergoeding, exclusief indexatie van 1 januari 2024, voor een Wsnp-bewindvoerder bij een standaardduur van anderhalf jaar gelijk is aan de vergoeding die voorheen gold bij een schuldsaneringsregeling van drie jaar.

3. Keuze voor verhoging van alleen het LOB

De wetswijzigingen zoals onder punt 1 besproken brengen mee dat een wijziging van de financiering van de Wsnp-bewindvoerder voor de hand ligt, omdat deze zonder wijzigingen in de regel substantieel minder zou ontvangen. In reactie op het voorontwerp, dat nog uitging van een beperktere verhoging van het LOB van 40%, hebben verschillende consultatiepartijen een verhoging van het LAB naast de verhoging van het LOB voorgesteld. (zie noot 11)

Uit de toelichting blijkt dat de regering de initieel voorgestelde verhoging bij nader inzien inderdaad te beperkt vond. (zie noot 12) In het ontwerpbesluit is er vervolgens voor gekozen de wijziging van de vergoeding vorm te geven door uitsluitend het LOB te verhogen. Het LAB wordt niet verhoogd, omdat volgens de toelichting de aflosperiode gedurende een eventueel buitengerechtelijk schuldsaneringstraject meetelt voor de duur van het wettelijk traject. De maanden waarin afgelost wordt voordat het wettelijk traject is gestart, tellen niet mee voor de berekening van het (maandelijkse) LAB. De vergoeding zou dan lager uitvallen. (zie noot 13)

De Afdeling merkt op dat een nadere motivering nodig is van de keuze voor een verhoging van alléén het LOB in zodanige mate dat de totale vergoeding bij een standaardtraject ten opzichte van de oude situatie gelijk blijft. Te begrijpen valt de zojuist benoemde redenering dat bij een traject dat (nog) korter uitvalt dan de standaardduur van anderhalf jaar de bewindvoerder juist profiteert van een verhoging van alleen het LOB.

Daar staat tegenover dat de intensivering van de werkzaamheden van de bewindvoerder zich ook over een eventuele verlengde looptijd van het traject kan uitstrekken. Uit de toelichting blijkt al bijvoorbeeld dat de bewindvoerder onder het nieuwe stelsel eens in de drie maanden verslag moet uitbrengen aan de rechter-commissaris in plaats van eens in de zes maanden. (zie noot 14)

Gezien de kritische inhoud van veel reacties op het voorstel tot verkorting van het traject, is het bovendien denkbaar dat meer trajecten problematisch zullen verlopen. De rechter kan dan ook besluiten tot een langere duur van het wettelijk traject, als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. (zie noot 15) Onder deze omstandigheden kan de vraag worden gesteld of een ongewijzigd LAB ongewenste gevolgen heeft voor een passende vergoeding van de bewindvoerder.

De Afdeling adviseert in licht van het voorgaande de keuze voor een aanpassing van de vergoeding van de bewindvoerder via uitsluitend een verhoging van het LOB nader te motiveren.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De vice-president van de Raad van State


Nader rapport (reactie op het advies) van 4 december 2023

Door de wijziging van de Wsnp per 1 juli 2023 is de Wsnp-bewindvoerder er in de praktijk op achteruit gegaan qua vergoeding voor zijn werkzaamheden. Deze achteruitgang houdt verband met de doorgaans kortere looptijden van trajecten, waardoor het LAB-deel van de vergoeding lager uitpakt. Dat moet worden gecorrigeerd zodat Wsnp-bewindvoerders hun werk tegen een passende vergoeding kunnen blijven voldoen en het aantrekkelijk blijft om als Wsnp-bewindvoerder actief te zijn. Vanwege de beperkte financiële middelen bij het ministerie van Justitie en Veiligheid moet dit budgetneutraal worden gerealiseerd.

Naar verwachting zal in nagenoeg alle gevallen de nieuwe systematiek van financiering zoals voorgesteld in dit Besluit eraan bijdragen dat de vergoedingen voor Wsnp-bewindvoerders er, ondanks de voornoemde wetswijziging, niet op achteruitgaan. In bepaalde gevallen zal de Wsnp-bewindvoerder er zelfs in relatieve zin op vooruitgaan qua vergoeding. De standaardduur van een Wsnp-traject is door de wetswijziging per 1 juli 2023 anderhalf jaar geworden. De verwachting is dat een verlenging van deze standaardduur een uitzondering zal zijn. Ook in deze gevallen van een langere duur van een Wsnp-traject is de voorgestelde verhoging van uitsluitend het LOB toereikend voor de werkzaamheden die een Wsnp-bewindvoerder dan vaker zou moeten verrichten vanwege de verlenging. Voor de verlengde duur krijgt de Wsnp-bewindvoerder dan maandelijks het LAB erbij. Deze variabele, looptijdafhankelijke, component wordt immers berekend over iedere maand gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing is. Op deze wijze ontvangt een Wsnp-bewindvoerder ook in een verlengd traject een passende vergoeding. Door het enkel verhogen van het LOB en niet tevens het LAB, gaat een Wsnp-bewindvoerder er in een traject van bijvoorbeeld drie-en-een-half jaar of vijf jaar, niet op achteruit ten opzichte van de oude situatie. Bij een verlengde duur tot drie jaar geldt dat de Wsnp-bewindvoerder meer vergoed krijgt dan voorheen voor een traject van drie jaar werd toegekend. Is de verlenging langer dan drie jaar, tot maximaal vijf jaar, dan is er nog steeds sprake van een passende vergoeding. Dit is in de toelichting weergegeven door middel van een tabel. Zo geldt bijvoorbeeld voor een Wsnp-traject van drie-en-een-half jaar voor een enkele particulier een totale vergoeding van € 4.815,00 in plaats van € 3.375,00 voor drie jaar vermeerderd met € 360,00 (6x LAB) voorheen. In geval van een verlenging stijgt de vergoeding namelijk mee omdat sprake is van een hoger LOB dan in de oude situatie. De werkzaamheden van een Wsnp-traject concentreren zich vooral aan de start- en eindfase van een traject. Daarnaast geldt voor het uitbrengen van het verslag door de Wsnp-bewindvoerder nog steeds de wettelijke termijn van eens in de zes maanden. In het procesreglement Wsnp-zaken is echter bepaald dat rechters-commissarissen hiervoor een termijn van drie maanden zouden moeten aanhouden gelet op de verkorting van de standaardduur. Bij een verlenging van een traject acht ik niet uitgesloten dat de frequentie van verslaglegging omlaag gaat of dat vaker kan worden aangesloten bij een eerder uitgebracht verslag. Die ruimte biedt de wet en hiervan kan de rechtspraktijk gebruik maken. In zoverre zou de Wsnp-bewindvoerder tijdens de verlenging geen substantieel extra werkzaamheden hoeven te verrichten die een hogere vergoeding van het LAB en daarmee een relatief hogere totale vergoeding ten opzichte van de standaardduur en verkorte duur van een Wsnp-traject, zouden rechtvaardigen. De komende tijd zal hiermee in de praktijk ervaring opgedaan moeten worden. De Afdeling wijst erop dat denkbaar is dat door de wetswijziging zich meer problemen in Wsnp-trajecten zouden kunnen voordoen. De ontwikkelingen naar aanleiding van de wetswijziging Wsnp worden daarom in de gaten gehouden. In de eerste helft van 2024 zullen de eerste ontwikkelingen naar aanleiding van de gewijzigde Wsnp met de praktijk worden besproken om vroegtijdig effecten van de wetswijzigingen te signaleren, zoals ook al is aangegeven in de toelichting. De vergoeding van de Wsnp-bewindvoerder wordt daarbij verder betrokken.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is paragraaf 3 van de nota van toelichting aangevuld. Daar is ingegaan op de systematiek van de vergoeding van de Wsnp-bewindvoerder en het doel van de wijzigingen in het Besluit. Ten aanzien van een langere duur dan de standaardduur van een Wsnp-traject is in de toelichting aangevuld dat de rechter een termijn van een Wsnp-traject bij aanvang kan vaststellen op maximaal drie-en-een-half jaar en de rechter-commissaris de termijn tussentijds kan verlengen tot maximaal vijf jaar.

Naast dat de vergoeding van de Wsnp-bewindvoerder wordt aangepast door alleen het LOB zodanig te verhogen dat de totale vergoeding bij een standaardtraject ten opzichte van de oude situatie gelijk blijft, is aangegeven dat uitsluitend deze verhoging ook bij een verlengd traject zorgt voor een vergoeding waardoor een Wsnp-bewindvoerder zijn werk kan blijven doen. Een verhoging van het LOB zorgt in alle gevallen voor een passende vergoeding van de bewindvoerder.

Ik bied U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister voor Rechtsbescherming


Voetnoten

(1) Stb. 2023, 87.
(2) Kamerstukken II 2022/2023, 35915, nr. 4.
(3) Coalitieakkoord 2021-2025, ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’, p. 28.
(4) Zie voor een overzicht van de ingediende en later gewijzigde amendementen de tijdlijn op de website van de Eerste Kamer: https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/35915_verbetering_doorstroom_naar
(5) Kamerstukken II 2022/2023, 35915, nr. 16.
(6) Art. 349a, eerste lid, Fw
(7) Kamerbrief 26 mei 2023, Kamerstukken II 2022/2023, 35915, nr. 31.
(8) Zie ook Aanwijzing 7.16 van de Aanwijzingen voor de regelgeving 2011.
(9) Nota van toelichting, paragraaf 1.
(10) Nota van toelichting, paragraaf 3.
(11) Nota van toelichting, paragraaf 8.I.
(12) Nota van toelichting, paragraaf 8.I
(13) Nota van toelichting, paragraaf 8.I.
(14) Nota van toelichting, paragraaf 8.I.
(15) Zie bijvoorbeeld Rechtbank Limburg, 17 oktober 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:6126.