Besluit maatschappelijke ondersteuning en bestrijding huiselijk geweld en kindermishandeling BES.
- Kenmerk
- W13.23.00170/III
- Datum aanhangig
- 11 juli 2023
- Datum vastgesteld
- 6 december 2023
- Datum advies
- 6 december 2023
- Datum publicatie
- 11 december 2023
- Vindplaats
- Staatscourant 2024, nr. 37856
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 11 juli 2023, no.2023001692, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels over maatschappelijke ondersteuning en de bestrijding van huiselijk geweld en kindermishandeling op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit maatschappelijke ondersteuning en bestrijding huiselijk geweld en kindermishandeling BES), met nota van toelichting.
Dit besluit regelt de invoering van maatschappelijke ondersteuning op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Ook worden regels gesteld over de inrichting en werkzaamheden van een Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK).
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert bepaalde onderwerpen op het niveau van de algemene maatregel van bestuur (amvb) te regelen. Daarnaast maakt zij een opmerking over de toepasbaarheid van de uitgangspunten van ‘algemeen gebruikelijke voorzieningen’ in de context van Caribisch Nederland. Ook adviseert zij in te gaan op de vraag of de regels inzake rechtsbescherming in Caribisch Nederland passend zijn in de context van maatschappelijke ondersteuning.
Ten aanzien van het AMHK adviseert de Afdeling toe te lichten wat de integrale toekomstvisie is op de bestrijding van huiselijk geweld en kindermishandeling in gezinnen en welke stappen daarvoor nodig zijn. Verder is het noodzakelijk de regels inzake het verwerken van bijzondere persoonsgegevens en het beroepsgeheim op wetsniveau te verankeren. Tot slot adviseert de Afdeling het stelsel van maatschappelijke ondersteuning te evalueren.
In verband met deze opmerking is aanpassing wenselijk van het ontwerpbesluit en de toelichting.
1. Inhoud van het ontwerpbesluit
Dit ontwerpbesluit regelt de invoering van maatschappelijke ondersteuning op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Caribisch Nederland). Tevens bevat dit ontwerpbesluit maatregelen om huiselijk geweld en kindermishandeling te voorkomen en te adresseren.
De maatschappelijke ondersteuning is gericht op zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, wordt voorzien in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. Het besluit heeft daarmee een vergelijkbare strekking als die van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO 2015), die in Europees Nederland geldt.
Het ontwerpbesluit voorziet voor wat betreft de maatschappelijke ondersteuning in een taakverdeling tussen het bestuurscollege en de Minister van VWS. Het bestuurscollege draagt zorg voor de beschikbaarheid, kwaliteit en continuïteit van algemene voorzieningen en opvang, de minister draagt zorg voor maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van de opvang. (zie noot 1) Hoewel het bestuurscollege een onderzoek verricht naar de noodzaak om gerichte (maatwerk)ondersteuning te bieden, is het de minister die hierover beslist. (zie noot 2) Indien nodig kan hierover overleg met het bestuurscollege plaatsvinden. (zie noot 3) In dit opzicht wijkt het ontwerpbesluit af van de WMO 2015, waarin bevoegdheden ten aanzien van maatwerkvoorzieningen volledig zijn belegd bij de gemeenten.
Het ontwerpbesluit geeft voorts het bestuurscollege de opdracht een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling in te richten. Naast regels over het AMHK bevat dit besluit een verplichting voor organisaties om een beschermingscode huiselijk geweld en kindermishandeling vast te stellen en een meldrecht voor professionals (zie verder punt 5). Hiermee wordt (deels) uitvoering gegeven aan het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Het verdrag is goedgekeurd, maar nog niet geratificeerd voor Caribisch Nederland. De toelichting vermeldt dat dit ontwerpbesluit moet worden gezien als een eerste stap richting ratificatie van het verdrag voor Caribisch Nederland.
2. Delegatiegrondslagen
a. Achtergrond delegatiemogelijkheid
In Europees Nederland is de maatschappelijke ondersteuning grotendeels bij wet geregeld. Voor Caribisch Nederland wordt nu voorzien in een amvb, die de grondslag voor de maatschappelijke ondersteuning legt. Dit is mogelijk op basis van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Wet IBES). Deze wet voorzag ten behoeve van de integratie van de drie eilanden in de Nederlandse rechtsorde in de blijvende toepassing van een groot deel van de Nederlands-Antilliaanse wetgeving.
Het uitgangspunt was destijds ‘legislatieve terughoudendheid’. Nederlands-Antilliaanse wetgeving bleef van kracht en er zou zo min mogelijk nieuwe wetgeving worden ingevoerd. De in de wet opgenomen delegatiegrondslagen boden de mogelijkheid om op terreinen waarvoor vooralsnog geen ‘Nederlandse regelgeving’ was voorzien, toch regels te stellen als de noodzaak hiertoe zou blijken. Regeling bij amvb bood flexibiliteit en de kans om ervaring op te doen met de effecten van regelgeving, alvorens regeling bij wet zou plaatsvinden. (zie noot 4) Dit gold onder andere voor de maatschappelijke ondersteuning. (zie noot 5)
De toelichting bij het ontwerpbesluit verwijst eveneens naar de noodzaak tot flexibiliteit. Met dit ontwerpbesluit kan ervaring worden opgedaan met structuur, inhoud en opzet van maatschappelijke ondersteuning en de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in Caribisch Nederland, voordat wordt nagedacht over vormgeving van het stelsel op lange termijn.
b. Eigen bijdrage
De Afdeling constateert dat het ontwerpbesluit een delegatiegrondslag bevat die de minister de bevoegdheid geeft om bij ministeriële regeling te bepalen dat de cliënt een eigen bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening betaalt. Eveneens is de bevoegdheid om regels te kunnen stellen over de hoogte van de bijdrage gedelegeerd. (zie noot 6) In de WMO 2015 is de hoogte van de eigen bijdrage wettelijk verankerd en wordt de mogelijkheid geboden een lager bedrag vast te stellen op basis van inkomen. (zie noot 7)
De Afdeling adviseert dit onderwerp in het ontwerpbesluit op te nemen.
3. Algemeen gebruikelijke voorzieningen
In dit besluit is uitgangspunt dat ingezetenen van Caribisch Nederland primair zelf verantwoordelijk zijn voor hun zelfredzaamheid en participatie. (zie noot 8) Aanspraak op een maatwerkvoorziening ontstaat pas als na onderzoek is gebleken dat eigen kracht, gebruik van een algemeen gebruikelijke voorziening, gebruikelijke hulp of algemene voorzieningen niet voldoende zijn om te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie. (zie noot 9) Gelijk aan de jurisprudentie in Europees Nederland duidt de toelichting een ‘algemeen gebruikelijke voorziening’ als een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. (zie noot 10) Het gaat dan bijvoorbeeld om een ‘fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok en eenvoudige rollator’.
De Afdeling merkt op dat de toelichting niet ingaat op de vraag in hoeverre dit uitgangspunt van de ‘algemeen gebruikelijke voorzieningen’ en de categorisering van de genoemde producten en diensten als ‘algemeen gebruikelijke voorziening’ in Caribisch Nederland op dezelfde wijze geldt, of kan gelden, als in Europees Nederland. Zij wijst daarbij in het bijzonder op de (beperktere) financiële draagkracht van de inwoners op Caribisch Nederland. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.
4. Rechtsbescherming
Uit de toelichting blijkt dat tegen een (te late) beslissing op een WMO-aanvraag de reguliere bestuursrechtelijke rechtsgang van bezwaar en beroep openstaat volgens de systematiek van de War BES. Die kent, anders dan Europees Nederland, geen verplichte bezwaarfase bij het bestuursorgaan. De cliënt kan dus rechtstreeks beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gerecht). (zie noot 11) Of daaraan voorafgaand een bezwaarprocedure bij het bestuursorgaan wordt doorlopen, is aan de cliënt zelf.
Het besluit volgt de systematiek van de War BES waardoor ook de toelichting de nadruk op de beroepsprocedure legt. Dit roept bij de Afdeling de vraag op naar de toegankelijkheid van rechtsbescherming voor WMO-beschikkingen in de zin van laagdrempelige beschikbaarheid. Naar zijn aard heeft een beslissing op een WMO-aanvraag directe invloed op de persoonlijke leefsituatie van een cliënt met een hulpvraag. Het faciliteren van laagdrempelige beschikbare rechtsbescherming zou daarbij passend zijn, waarbij de factoren van tijd, moeite en kosten een rol spelen.
In dat licht geeft de toelichting weinig inzicht in de vraag of en in hoeverre is afgewogen of de bestaande systematiek van rechtsbescherming in Caribisch Nederland voldoende laagdrempelige beschikbare rechtsbescherming biedt in WMO-beschikkingen en welke rol de bezwaarprocedure daarin zou kunnen spelen. De Afdeling adviseert die afweging alsnog te maken en daarop in de toelichting nader in te gaan.
De Afdeling adviseert de toelichting aan te passen.
5. Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling
a. Doelstelling AMHK
Het besluit regelt dat elk bestuurscollege zorgdraagt voor de inrichting van een Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK) en bepaalt dat het AMHK, gelijk aan Europees Nederland, een advies- en meldpunttaak krijgt. Zij voert bij signalen van onveiligheid een veiligheidsbeoordeling uit en schakelt zo nodig direct hulpverlening, politie of voogdijraad in voor het gezin. (zie noot 12) Dit besluit regelt ook dat bepaalde organisaties moeten beschikken over een beschermingscode huiselijk geweld en kindermishandeling en regelt waaraan die beschermingscode moet voldoen. De beschermingscode moet in ieder geval een stappenplan bevatten, een afwegingskader en als dat relevant is een kindcheck. (zie noot 13)
Doel van het besluit is om de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling te versterken en het handelen bij een vermoeden van huiselijk geweld en kindermishandeling te bevorderen. (zie noot 14) De toelichting verwijst naar een rapport van Unicef waarin wordt aanbevolen om op de BES een alomvattend wettelijk kader rond de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling te ontwikkelen dat duidelijkheid biedt over de verschillende rollen en verantwoordelijkheden en de noodzakelijke acties. (zie noot 15)
b. Toekomstperspectief
Het ontwerpbesluit biedt een eerste stap om huiselijk geweld en kindermishandeling beter te kunnen bestrijden. De Afdeling onderkent dat de praktijk moet uitwijzen wat de instelling van een AMHK bijdraagt en waar de huidige juridische basis mogelijk tekortschiet. Dat is een proces dat gezien de moeilijke materie behoedzaam en zorgvuldig moet worden doorlopen en vraagt daarmee tijd.
Tegelijkertijd merkt de Afdeling op dat in de toelichting een integrale toekomstvisie op de bestrijding van geweld in gezinnen, en de rol van het AMHK daarin, ontbreekt. Niet duidelijk is wat de stip op de horizon is en hoe daar te komen. De Afdeling is van oordeel dat in het licht van de verdere versterking van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling het behulpzaam is om de toekomstvisie te schetsen, alsmede de stappen die in de toekomst gezet gaan worden om daar te komen.
Hierbij tekent de Afdeling aan dat in de toelichting wordt geconstateerd dat er geen grondslag is voor het verwerken van bijzondere persoonsgegevens zonder toestemming. Dat kan een belemmering zijn om te komen tot een verbreding van de functies, zoals een signaalfunctie, van het AMHK in de toekomst. (zie noot 16) Dit maakt de noodzaak voor het spoedig verankeren van een wettelijke grondslag in de IBES des te duidelijker.
Ditzelfde geldt voor de wettelijke verankering van het doorbreken van het beroepsgeheim. Hierop gaat de Afdeling onder punt c nader in. Ten slotte ontbreekt in de toelichting een schets van de feitelijke situatie op de verschillende eilanden en wat dit besluit daarvoor betekent.
De Afdeling adviseert op deze punten in de toelichting in te gaan.
c. meldrecht en doorbreking van de plicht tot geheimhouding
Het ontwerpbesluit voorziet in een meldrecht. (zie noot 17) Derden kunnen melding doen bij het AMHK indien zij een redelijk vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling hebben. Dit kan met doorbreking van de plicht tot geheimhouding.
Het breken van het ambts- of beroepsgeheim is strafbaar. (zie noot 18) In de toelichting staat dat met de bepaling inzake het meldrecht invulling wordt gegeven aan het overmachtsbegrip. Iemand die met een beroep op het meldrecht en met inachtneming van de beschermingscode de geheimhoudingsplicht breekt, kan een beroep doen op overmacht en is daarmee niet strafbaar. (zie noot 19)
De Afdeling acht het onwenselijk dat de doorbreking van het beroepsgeheim enkel middels een rechtvaardigingsgrond in het strafrecht wordt geregeld. Zij acht het noodzakelijk dat voor de doorbreking van het beroepsgeheim, met name voor hulpverleners, wordt voorzien in een wettelijke grondslag. (zie noot 20) In dit verband wijst zij op artikel 5.2.6 van de Wmo 2015, dat voorziet in een dergelijke grondslag voor Europees Nederland. Het ligt voor de hand voor Caribisch Nederland een dergelijke grondslag in de Wet IBES op te nemen.
De Afdeling adviseert de doorbreking van het beroepsgeheim op wettelijk niveau te regelen, voordat wordt voorzien in een meldrecht.
6. Evaluatie
Zoals in punt 2 beschreven beschrijft de toelichting dat met dit ontwerpbesluit ervaring kan worden opgedaan met de structuur, inhoud en opzet van maatschappelijke ondersteuning en de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in Caribisch Nederland, voordat wordt nagedacht over vormgeving van het stelsel op lange termijn. Uit het ontwerpbesluit, noch de toelichting, blijkt echter hoe de werking van het stelsel zal worden geëvalueerd. Een evaluatiebepaling is alleen voorzien voor de ervaringen van de cliënt, niet voor de werking van het stelsel.
De Afdeling adviseert in de toelichting meer duidelijkheid te geven over de evaluatie van het stelsel, mede met het oog op een mogelijke wettelijke verankering. Zij adviseert een evaluatiebepaling op te nemen die ook ziet op de werking van het stelsel.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 04 november 2024
2. Delegatiegrondslagen
b. Eigen bijdrage
Ten aanzien van de manier waarop de hoogte van de eigen bijdrage is geregeld, is ervoor gekozen om aan te sluiten bij het Besluit zorgverzekering BES in plaats van bij de Wmo 2015. Hiervoor is gekozen omdat voor Caribisch Nederland een andere context, stelsel en andere wet- en regelgeving geldt dan voor Europees Nederland. In het Besluit zorgverzekering BES is, net als in het onderhavige ontwerpbesluit, een delegatiegrondslag opgenomen op grond waarvan de minister bij ministeriële regeling kan bepalen of voor de aanspraak op zorg (respectievelijk het gebruik van een maatwerkvoorziening) een eigen bijdrage gevraagd wordt en wat de hoogte van deze bijdrage is. De flexibiliteit die een dergelijke delegatiegrondslag biedt, was nodig in verband met de transitie naar een nieuw stelsel waarbij de invoering van een eigen bijdrage nog nader moest worden verkend. Hierbij moest rekening worden gehouden met de verschillen in koopkracht en gezondheidssituatie tussen Caribisch Nederland en Europees Nederland.
Deze flexibiliteit is ook nodig voor het onderhavige ontwerpbesluit. Anders dan in Europees Nederland is de structuur, inhoud en opzet van maatschappelijke ondersteuning in Caribisch Nederland nog in ontwikkeling. Het unieke karakter van elk eiland vraagt om maatwerk. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de situatie in Caribisch Nederland die kan verschillen van de situatie in Europees Nederland. Denk aan de armoedeproblematiek op de eilanden en culturele verschillen. Dit besluit beschrijft daarom een eerste opzet van het stelsel voor maatschappelijke ondersteuning in Caribisch Nederland. Gedurende de uitvoering hiervan zal lerende wijs bezien worden of het in de toekomst nodig is om de opzet zoals beschreven in dit besluit verder door te ontwikkelen. Dit geldt ook voor de eigen bijdrage. Op dit moment is er nog geen structuur uitgewerkt ten aanzien van een eigen bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning. Vooralsnog zal er daarom nog geen eigen bijdrage ingevoerd worden.
In de eerste twee jaar na de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit zal de optie van de invoering van eigen bijdragen nader worden verkend. Er zal nader onderzocht worden voor welke voorzieningen het vragen van een eigen bijdrage nodig en passend is en op welke manier dit zou kunnen worden vormgegeven. Dit gebeurt in samenhang met het Besluit zorgverzekering BES op grond waarvan inwoners van Caribisch Nederland slechts beperkt een eigen bijdrage betalen, namelijk alleen in specifieke situaties. Als hier meer duidelijkheid over is, zal worden bekeken of dit onderwerp alsnog in het besluit kan worden opgenomen.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is paragraaf 2.6 van de nota van toelichting aangevuld. Daarnaast is aan artikel 2.5, tweede lid, van het ontwerpbesluit toegevoegd dat de ministeriële regeling mede betrekking kan hebben op de wijze waarop het inkomen bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage worden betrokken. Dit sluit aan bij het Besluit zorgverzekering BES.
3. Algemeen gebruikelijke voorzieningen
De criteria voor de categorisering van een voorziening als ‘algemeen gebruikelijke voorziening’ uit Europees-Nederlandse jurisprudentie kunnen inderdaad niet op eenzelfde wijze gelden in Caribisch Nederland. Deze criteria zullen in de Caribische context toegepast moeten worden. Zo zullen er in Caribisch Nederland andere voorzieningen beschikbaar zijn dan in Europees Nederland. In Caribisch Nederland leeft daarnaast een groot deel van de bevolking in armoede. Gezien het lagere inkomensniveau is de financiële draagkracht lager dan in Europees Nederland. De Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland heeft onderzocht hoe een sociaal minimum ingevoerd kan worden in Caribisch Nederland. (zie noot 21) De Commissie heeft daarbij gebruik gemaakt van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Minimumvoorbeeldbegrotingen geven weer wat voor een huishouden in Caribisch Nederland minimaal noodzakelijk is om mee te kunnen doen in de maatschappij. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek geldt er vanaf 1 juli 2024 een sociaal minimum in Caribisch Nederland. Bij het criterium aangaande financiële draagkracht zal worden gekeken of de voorziening financieel kan worden gedragen op basis van het sociaal minimum voor Caribisch Nederland. Ongeacht het inkomen van de cliënt zelf. Op basis van het sociaal minimum en de minimumvoorbeeldbegrotingen voor Caribisch Nederland kan het bestuurscollege beleid ontwikkelen ten aanzien van de categorisering van voorzieningen als algemeen gebruikelijke voorzieningen. Dat betekent dat wat in Europees Nederland wordt gezien als een ‘algemeen gebruikelijke voorziening’ dat mogelijk niet is in Caribisch Nederland.
Indien in individuele gevallen blijkt dat een cliënt een algemeen gebruikelijke voorziening niet kan betalen zal onderzocht worden hoe de cliënt toch ondersteund kan worden. Maatschappelijke ondersteuning is echter niet bedoeld als instrument om armoede tegen te gaan. Daarom wordt er samengewerkt met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de lokale overheid om ervoor te zorgen dat financiële tekorten geen belemmering vormen voor de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Zij hebben beiden een belangrijke rol in het tegengaan van armoede. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is paragraaf 2.5.2 van de nota van toelichting aangevuld.
4. Rechtsbescherming
De regering is met de Afdeling eens dat tegen beschikkingen aangaande maatwerkvoorzieningen voldoende laagdrempelige rechtsbescherming moet worden geboden. Indien de cliënt het niet eens is met de inhoud of de onderbouwing van de beschikking aangaande maatwerkvoorzieningen, staat daar op grond van de War BES bezwaar tegen open. Alhoewel de War BES geen verplichte bezwaarfase kent, wordt in de praktijk wel ingezet op een laagdrempelige bezwaarprocedure vergelijkbaar met Europees Nederland. In de beschikking wordt de client geïnformeerd over de bezwaarprocedure en een contactpersoon voor meer informatie. De cliënt kan met deze persoon contact opnemen om het besluit door te nemen en uitleg te krijgen over de bezwaar- en beroepsprocedure en de vervolgstappen. Daarbij wordt altijd eerst ingezet op het doorlopen van de bezwaarprocedure. Indien er een bezwaar is ingediend, wordt altijd contact opgenomen met de cliënt om te zoeken naar een passende oplossing. Indien dit niet tot een oplossing leidt, zal het bezwaar formeel afgehandeld worden. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is paragraaf 2.5.4 van de nota van toelichting aangevuld.
5. Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling
b. Toekomstperspectief
Sinds 2017 werken VWS en de openbare lichamen op basis van bestuursakkoorden aan het inrichten van een aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in Caribisch Nederland. De basis voor deze aanpak is met de inwerkingtreding van dit besluit nu gelegd. Het jaar 2024 staat mede in het teken van het vormgeven van een vervolg op de bestuursakkoorden, omdat het bestaande bestuursakkoord eind 2024 afloopt. Hoewel nog niet duidelijk is welke vorm dit vervolg precies zal krijgen, zal een integrale toekomstvisie op de bestrijding van geweld in gezinnen, en de rol van het AMHK daarin, daarbij van belang zijn zoals ook door de Afdeling advisering van de Raad van State is geadviseerd. De nota van toelichting is op dit punt aangevuld, zie paragraaf 3.4.
De regering onderschrijft het belang dat door het AMHK bijzondere persoonsgegevens kunnen worden verwerkt zonder toestemming van betrokkene. Met de Verzamelwet gegevensverwerking VWS I is een grondslag opgenomen in de Invoeringswet openbare lichamen BES (hierna: IBES) om die gegevensverwerking bij algemene maatregel van bestuur te kunnen regelen. Aangezien onderdeel A van artikel XI van deze Verzamelwet met ingang van 1 januari 2025 in werking treedt, is ervoor gekozen om de verwerking van bijzondere persoonsgegevens alsnog in artikel 4.7, tweede lid, van dit besluit te regelen. Zie ook punt 7.
Naar aanleiding van dit advies is de beschrijving van de huidige situatie van de AMHK’s in paragraaf 3.2.6 van de nota van toelichting aangevuld en is daaraan toegevoegd wat het besluit betekent voor de situatie op de eilanden.
c. meldrecht en doorbreking van de plicht tot geheimhouding
In lijn met dit advies is ervoor gekozen om het artikel over het meldrecht te schrappen uit het besluit en de voorgestelde bepaling op te nemen in de IBES. De betreffende wijziging van de IBES liep mee in de Verzamelwet gegevensverwerking VWS I. (zie noot 22)
6. Evaluatie
Met dit ontwerpbesluit kan ervaring opgedaan worden met de structuur, inhoud en opzet van maatschappelijke ondersteuning en de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in Caribisch Nederland. Gedurende de implementatie van dit ontwerpbesluit zal leren en verbeteren centraal staan en wordt er constant gemonitord. In artikel 2.20 van het ontwerpbesluit is daarom opgenomen dat zowel de minister als de bestuurscolleges verplicht zijn om cliëntervaringen op te halen zodat het beleid kan worden verbeterd. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is er tevens een evaluatiebepaling opgenomen in het besluit en is paragraaf 2.10 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6.3 van de nota van toelichting aangevuld. Het besluit zal binnen vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd worden waarbij de doeltreffendheid en de effecten van het besluit in de praktijk zullen worden onderzocht. Hierbij zal bijvoorbeeld worden bekeken hoe de implementatie verloopt, of het besluit uitvoerbaar is in de praktijk, hoe de relatie tussen dit besluit en andere wetgeving uitpakt en of de beoogde doelstellingen worden behaald.
7. Wijzigingen besluit
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het ontwerpbesluit en de nota van toelichting op een aantal punten te verduidelijken. Ten eerste is de begripsbepaling van aanbieder van maatschappelijke ondersteuning in artikel 1.1 van het ontwerpbesluit gewijzigd, zodat ook de situatie waarin het openbaar lichaam zelf een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning is onder deze begripsbepaling valt. Ook zijn de begrippen bijzondere persoonsgegevens en inkomen toegevoegd. Daarnaast is artikel 1.2, eerste lid, onder a, van het ontwerpbesluit aangaande de ongehuwde partner verduidelijkt. In het vierde lid is een bevoegdheid in plaats van een verplichting voor de minister opgenomen om regels te stellen over welke registraties worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid. In artikel 2.8, vierde lid, onder f, van het ontwerpbesluit is aangevuld dat een maatwerkvoorziening ook kan worden geweigerd indien de noodzaak tot het verstrekken van een maat-werkvoorziening redelijkerwijs aan de cliënt kan worden toegerekend. Denk hierbij aan een woningaanpassing die nodig is in verband met achterstallig onderhoud of de aard van de in de woning gebruikte materialen. In artikel 2.20 van het ontwerpbesluit was geregeld dat het bestuurscollege de uitkomsten van het cliëntervaringsonderzoek deelt met de minister. Omdat het ter vorming van beleid door het bestuurscollege ook wenselijk is dat het bestuurscollege de uitkomsten van het cliëntervaringsonderzoek van de minister ontvangt, is hier een wederzijdse verplichting van gemaakt. In artikel 2.21 van het ontwerpbesluit is verduidelijkt dat dat artikel betrekking heeft op het onderdeel maatschappelijke ondersteuning van het besluit. In artikel 2.22 van het ontwerpbesluit is een delegatiegrondslag toegevoegd op grond waarvan de minister regels kan stellen over welke aanbieders jaarlijks een verslag openbaar maken over het beleid dat in het afgelopen jaar is gevoerd met betrekking tot de kwaliteit van de voorzieningen en de inhoud van dit verslag. In artikel 2.23 van het ontwerpbesluit is aangevuld dat een verklaring omtrent gedrag betrekking heeft op beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met cliënten in contact kunnen komen. Dit sluit aan bij artikel 3.5 Wmo 2015 en is nodig omdat stagairs en vrijwilligers niet onder de definitie van beroepskracht vallen. Deze wijziging is ook aangebracht in artikel 6.2 van het ontwerpbesluit, waarin de overgangsregeling voor de verklaring omtrent gedrag is opgenomen. Ook het artikelsgewijze deel van de nota van toelichting is indien nodig op deze punten aangevuld. Tot slot zijn een aantal (tekstuele) verduidelijkingen doorgevoerd. Deze wijzigingen veranderen niet de strekking van het besluit.
Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om – naast het schrappen van het meldrecht – nog een wijziging door te voeren in het besluit met betrekking tot gegevensverwerking door het AMHK. Aangezien de Verzamelwet gegevensverwerking VWS I - waarmee een grondslag wordt opgenomen in de IBES om de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door het AMHK bij besluit te kunnen regelen – inmiddels tot stand gekomen is, is de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door het AMHK alsnog geregeld in artikel 4.7, tweede lid, van dit besluit. Nu artikel XI, onderdeel A, van de Verzamelwet gegevensverwerking VWS I met ingang van 1 januari 2025 in werking treedt, kan de betreffende bepaling in het besluit tegelijkertijd in werking treden. Daarnaast is een daarmee verband houdende kleine wijziging doorgevoerd in artikel 3.3, tweede lid, onderdeel a, en in artikel 4.9, tweede lid, van dit besluit. Deze wijzigingen zijn ook doorgevoerd in de nota van toelichting.
Ik verzoek U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Voetnoten
(1) Artikel 2.2 en 2.4 van het Ontwerpbesluit.
(2) Artikel 2.6 en 2.7 van het Ontwerpbesluit.
(3) Artikel 2.7, vijfde lid van het Ontwerpbesluit.
(4) Kamerstukken II 2008/09, 3157, nr. 3. Algemene toelichting bij IBES, punt 4c.
(5) Kamerstukken II 2008/09, 31957, nr. 3. Artikelsgewijze toelichting bij de IBES, artikel 18.4.5.
(6) Artikel 2.5 van het Ontwerpbesluit.
(7) Artikel 2.1.4a Wet maatschappelijke ondersteuning.
(8) Nota van toelichting, paragraaf 1.1.
(9) Nota van toelichting, paragraaf 2.5.2.
(10) Nota van toelichting, paragraaf 2.5.2. en ECLI:NL:CRVB:2018:2182 en ECLI:NL:CRVB:2019:3535.
(11) Dit is een beschikking in de zin van artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES (hierna: War BES), voorgesteld artikel 2.8 lid 5 Besluit. Artikel 7 en volgende War BES en artikel 55 en volgende War BES.
(12) Nota van toelichting, paragraaf 3.2.2.
(13) Nota van toelichting, paragraaf 3.3.3.
(14) Nota van toelichting, paragraaf 3.3.3.
(15) Hoofdstuk 3 Besluit en Rapport Unicef: ‘Situatieanalyse van kinderen en jongeren in Caribisch Nederland’ (2019).
(16) Punt 4.1 van de toelichting.
(17) Artikel 4.8 van het ontwerpbesluit.
(18) Artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht BES.
(19) Artikelsgewijze toelichting, artikel 4.8.
(20) Zie in dit verband artikel 7:457 BW BES. Deze bepaling staat doorbreking toe, indien daartoe bij of krachtens de wet wordt verplicht.
(21) Bijlage bij kamerstukken II 2023/24, 36410 IV, nr. B.
(22) Kamerstukken I 2023/24, 36 444, A.