Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W03.06.0349/II

Voorstel van wet van het lid Eerdmans tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht houdende de invoering van minimumstraffen voor moord en doodslag.

Kenmerk
W03.06.0349/II
Datum aanhangig
10 augustus 2006
Datum vastgesteld
27 september 2006
Datum advies
4 oktober 2006
Datum publicatie
16 juni 2022
Vindplaats
Website Raad van State
  • Justitie en Veiligheid
  • Initiatiefwet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Bij brief van de waarnemend Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 10 augustus 2006 heeft de Tweede Kamer bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Eerdmans tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht houdende de invoering van minimumstraffen voor moord en doodslag, met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel beoogt de invoering van minimumstraffen voor doodslag van tien jaar en voor doodslag onder strafverzwarende omstandigheden, doodslag met een terroristisch oogmerk en voor moord van vijftien jaar. Naast, maar niet in plaats van de gevangenisstraf, kan een boete worden opgelegd. De vervroegde invrijheidstelling geldt niet bij een veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf voor deze misdrijven.

1. Het gestelde probleem en de voorgestelde oplossing.

De toelichting signaleert een aantal problemen. Een te lichte bestraffing van zware misdrijven als moord en doodslag ondergraaft het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat als geheel. Daarbij komt dat de vergeldingsfunctie van de straf wordt veronachtzaamd. Dat heeft tot gevolg dat de drempel om tot een misdrijf te komen wordt verlaagd en de generaal-preventieve werking van de straf afneemt. De oorzaak van deze problemen zoekt de toelichting in een te grote straftoemetingsvrijheid voor de rechter, die gebaseerd is op een te groot vertrouwen in de rechter. Voorts wordt de opgelegde straf onvoldoende gemotiveerd. De effecten van een inmiddels wettelijk geregelde verzwaarde motiveringsplicht zijn vooralsnog onduidelijk. De initiatiefnemer merkt op dat een te groot vertrouwen in rechters in de negentiende eeuw ten tijde van het opstellen van het Wetboek van Strafrecht heeft geleid tot een gebrek aan vertrouwen in en legitimiteit van de rechtsstaat in de 21ste eeuw. Daarom is de tijd rijp om minimumstraffen in te voeren. Doel ervan is de legitimiteit en het vertrouwen van de Nederlandse samenleving in onze rechtsstaat te versterken (zie noot 1), de rechtszekerheid voor slachtoffers te vergroten en de rechtsgelijkheid te bevorderen.

De Raad heeft eerder geadviseerd over een intussen ingetrokken voorstel van wet van de hand van dezelfde initiatiefnemer tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht houdende de invoering van minimumstraffen voor bepaalde geweldsdelicten. (zie noot 2) De Raad constateert dat het onderhavige wetsvoorstel een duidelijker uitwerking van de gedachten van de initiatiefnemer omtrent minimumstraffen bevat. Dat neemt niet weg dat de Raad verdere motivering en nadere uitwerking van de invoering van minimumstraffen nodig acht. De Raad merkt daartoe het volgende op.

a. Tussen het gestelde probleem van gebrek aan vertrouwen van burgers in de rechtsstaat "als geheel", wat daarvan zij, en de voorgestelde oplossing van invoering van minimumstraffen voor bepaalde delicten bestaat naar het oordeel van de Raad geen direct verband. Vertrouwen in de rechtsstaat wordt door de initiatiefnemer min of meer geïdentificeerd met vertrouwen in de rechterlijke macht. De rechtsstaat omvat echter veel meer dan de rechterlijke macht. Ook andere instituties en de verbanden daartussen bepalen de kwaliteit van de rechtsstaat en het daarin te stellen vertrouwen. De Raad meent voorts dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de hoogte van de straffen die de rechter oplegt en vertrouwen in de rechter of rechtspraak. Het is een samenstel van factoren, zoals de consistentie van uitspraken, de beoordeling van het bewijsmateriaal, en de motivering van uitspraken in het algemeen, dat dit vertrouwen zal bepalen. Voorts stelt de initiatiefnemer dat de vergeldingsfunctie van de straf wordt veronachtzaamd, hetgeen naar voren komt in de discussie over de vraag of het straffen werkt. De Raad ziet geen direct verband tussen een dergelijke vraag en de stelling dat de vergeldingsfunctie van de straf wordt veronachtzaamd.

De Raad adviseert de gestelde verbanden overtuigend te motiveren.

b. In zijn al genoemde eerdere advies is de Raad ingegaan op de verhouding tussen wetgever en rechter in dit verband; de wetgever die aangeeft of en zo ja, in hoeverre bepaalde gedragingen als normovertredingen worden aangemerkt en welke gevolgen daaraan zullen worden verbonden en de rechter die, gelet ook op het recht op behoorlijke rechtspraak, de normovertreding vaststelt en daarbij voldoende ruimte heeft - en moet hebben - om bij de bepaling van de op te leggen sanctie rekening te houden met de mate van schuld van de dader en met de omstandigheden waaronder het strafbare feit plaatshad. De Raad merkt op dat uit de toelichting niet blijkt dat de rechter niet een prudent gebruik pleegt te maken van de vrijheid van straftoemeting. Weliswaar wordt in de toelichting uit het SCP-onderzoek "In het zicht van de toekomst", aangehaald dat 98% van de Nederlandse bevolking het wenselijk acht dat geweldscriminaliteit strenger zal worden bestraft (zie noot 3), maar daaruit kan niet onverkort de noodzaak of wenselijkheid van invoering van minimumstraffen worden afgeleid. De Raad mist een adequate motivering die de conclusie rechtvaardigt dat de wetgever de rechterlijke straftoemetingsvrijheid op de voorgestelde wijze aan banden zou moeten leggen. De Raad adviseert die motivering te verschaffen.

2. Mate van schuld en omstandigheden, waaronder de daad is gepleegd.

De voorgestelde invoering van minimumstraffen laat weliswaar het beroep op straf- en schulduitsluitingsgronden onverlet, maar laat voor het overige niet toe dat met de mate van schuld, de omstandigheden waaronder de daad is gepleegd of verminderde toerekeningsvatbaarheid rekening wordt gehouden. Het systeem is zo strak dat het duidelijk afwijkt van de twee in de toelichting genoemde landen die minimumstraffen kennen, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. In die landen kan bij de bepaling van de strafmaat wel rekening worden gehouden met bijzondere omstandigheden. De rigiditeit van het voorgestelde systeem kan ertoe leiden dat, als het openbaar ministerie een te vorderen minimumstraf niet in overeenstemming acht met het gepleegde feit, de mate van schuld of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, het van vervolging afziet dan wel een tenlastelegging formuleert voor een ander, naastliggend, maar niet aan een minimumstraf gebonden feit. Oordeelt de rechter dat een op te leggen minimumstraf niet in overeenstemming is met het gepleegde feit, de mate van schuld of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan zou dat er ook toe kunnen leiden dat een strafuitsluitingsgrond te ruim wordt toegepast of een vrijspraak wordt geconstrueerd. De Raad adviseert een regeling te treffen waardoor de rechter rekening kan houden met bijzondere omstandigheden.

3. Bijzondere strafverminderingsgrond.

In het voorgestelde artikel 44b van het Wetboek van Strafrecht (WvS) wordt een nieuwe strafverminderingsgrond voorgesteld. Indien de dader er bij het begaan van een misdrijf waarop een minimumgevangenisstraf is gesteld ten onrechte van uitgaat dat zich omstandigheden voordoen die het feit op grond van de artikelen 40 of 41 niet strafbaar zouden doen zijn, wordt de minimumgevangenisstraf met een derde verminderd indien hem er een verwijt van kan worden gemaakt dat hij ten onrechte ervan is uitgegaan niet strafbaar te zijn. De toelichting brengt deze strafvermindering in verband met het "Battered women syndrome". Daarbij wordt gedoeld op gevallen dat een partner die jarenlang is mishandeld door de andere partner zich - zonder dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding - teweer stelt en de partner doodt.

De Raad meent dat het voorgestelde artikel 44b WvS gelet op dit doel zowel te eng als te ruim is. Te eng, omdat het bijvoorbeeld passend kan zijn in een dergelijke situatie tot strafvermindering te komen op grond van verminderde toerekenbaarheid, zonder dat aannemelijk is geworden dat de dader meende een beroep op overmacht of noodweer(exces) toe te komen. Te ruim, nu het voorstel betekent dat elke dader van moord of gekwalificeerde doodslag die verwijtbaar dacht in een situatie van overmacht of noodweer te verkeren, zonder meer een derde strafvermindering verdient. Bovendien gaat het in feite om een verminderde mate van schuld in plaats van een verplichte strafvermindering. De Raad adviseert het voorgestelde artikel 44b WvS nader te bezien.

4. Advies van betrokken instanties.

De Raad constateert opnieuw dat over het wetsvoorstel geen overleg heeft plaatsgehad met de instanties die over dergelijke voorstellen gewoonlijk worden gehoord. De Raad denkt daarbij aan het College van procureurs-generaal, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Orde van Advocaten en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. De Raad is van oordeel dat dergelijk advies niet gemist kan worden, nu het gaat om een principiële en ingrijpende verandering van het stelsel. Hij beveelt aan daarin alsnog te voorzien.

De Vice-President van de Raad van State

Reactie van de initiatiefnemer (op het advies) van 5 februari 2024

Hierbij deel ik u mede dat ik het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht houdende de invoering van minimumstraffen voor moord en doodslag intrek.

De initaitiefnemer


Voetnoten

(1) Memorie van toelichting, paragraaf 4, eerste alinea.
(2) No. W03.02.0473/I.
(3) SCP, 2004, bladzijde 482. De memorie van toelichting (paragraaf 1) stelt dat bijna 100% van de bevolking de straffen voor geweldsdelicten nu te laag vindt.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document
Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon