Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen; Abu Dhabi, 26 november 2013 (Trb. 2014, 1).
- Kenmerk
- W02.14.0018/II/K
- Datum aanhangig
- 4 februari 2014
- Datum vastgesteld
- 12 maart 2014
- Datum advies
- 14 maart 2014
- Datum publicatie
- 16 juni 2022
- Vindplaats
- Website Raad van State
- Buitenlandse zaken
- Verdrag
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 4 februari 2014, no.2014000262, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen; Abu Dhabi, 26 november 2013 (Trb. 2014, 1), met toelichtende nota.
Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen (hierna: het Verdrag) betreft een gebruikelijk investeringsverdrag, zoals er de afgelopen jaren vele zijn gesloten. De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk onderschrijft het voorstel tot goedkeuring van het Verdrag, maar plaatst daarbij de volgende kanttekeningen.
1. Omschrijving van het begrip rechtspersonen
Artikel 1, onderdeel b, van het Verdrag bevat een omschrijving van het begrip ‘onderdanen’. De Afdeling merkt op dat onderdeel iii van die bepaling afwijkt van de corresponderende bepaling in het modelverdrag van het Koninkrijk. (zie noot 1) De bepaling in het modelverdrag ziet juist op rechtspersonen die niet ingevolge het recht van een verdragsluitende partij zijn opgericht. De toelichting besteedt geen aandacht aan deze afwijking van het modelverdrag. Ook gaat de toelichting niet in op de betekenis van de aanvullende bepaling op artikel 1, onderdeel b, onder iii, in het bij het Verdrag behorende Protocol.
De Afdeling adviseert de toelichtende nota op dit punt te verduidelijken.
2. Artikel 5
Artikel 5 van het Verdrag bepaalt dat de verdragsluitende partijen waarborgen dat betalingen die verband houden met een investering worden overgemaakt in overeenstemming met de beslissing van de onderdaan. Deze bepaling kan onbedoeld de indruk wekken dat de verdragsluitende partijen de betalingsverplichtingen van hun onderdanen garanderen. De Engelstalige versie van het Verdrag wijkt ook iets af van de Engelstalige versie van het Nederlandse modelverdrag.
De Afdeling adviseert de toelichtende nota in het licht van het bovenstaande aan te vullen en zo nodig bij eerstvolgende gelegenheid artikel 5 van het Verdrag aan te passen aan de tekst van het modelverdrag.
3. Rente
Artikel 6, onderdeel c, van het Verdrag bepaalt dat de schadeloosstelling bij onteigening een gewone commerciële rente omvat, die moet worden berekend tot de datum van betaling van de schadeloosstelling. In deze bepaling ontbreekt een aanduiding van het moment waarop rente verschuldigd wordt. De Nederlandse onteigeningswet bepaalt bijvoorbeeld in het derde lid van artikel 55 dat de wettelijke rente loopt te rekenen vanaf de dag van het vonnis van onteigening. De aanduiding van het moment waarop rente is verschuldigd, is van belang voor het vaststellen van de rente over de schadeloosstelling van onteigende investeringen van Nederlandse investeerders in de Verenigde Arabische Emiraten. (zie noot 2) In het Protocol bij het Verdrag wordt omschreven wat een behoorlijke rechtsgang bij onteigening omvat, maar daaruit volgt niet wanneer het recht op rentevergoeding ingaat. De Afdeling merkt op dat in de toelichting op soortgelijke investeringsverdragen wel aandacht is besteed aan het moment waarop rente verschuldigd wordt. (zie noot 3)
De Afdeling adviseert de toelichtende nota op dit punt aan te vullen.
4. Artikel 9
a. Artikel 9 van het Verdrag bevat een regeling over geschillen tussen de verdragsluitende partij en de onderdaan van de andere verdragsluitende partij. De volgorde en de inhoud van artikel 9 van het Verdrag roept vragen op over de onderlinge verhouding van de artikelleden. Zo is niet op voorhand duidelijk of een betrokkene de rechterlijke procedure bij de bevoegde rechter van de andere verdragsluitende partij naast of in plaats van een internationale procedure bij het ICSID kan voeren. De Afdeling adviseert de toelichtende nota op dit punt aan te vullen.
b. In het Protocol bij het Verdrag wordt ten aanzien van artikel 9 van het Verdrag, dat de geschilbeslechting tussen een onderdaan en de andere verdragsluitende partij betreft, benadrukt dat de meestbegunstigingsbehandeling niet wordt toegepast bij een procedure of gerechtelijke kwestie die onder de reikwijdte van het Verdrag valt. Het is niet duidelijk wat er met deze aanvullende bepaling precies wordt bedoeld en tot welke (procesrechtelijke) consequenties deze bepaling leidt.
De Afdeling adviseert in de toelichtende nota op deze bepaling in te gaan.
5. Artikel 10
Artikel 10 van het Verdrag bepaalt dat het Verdrag vanaf het moment waarop dit in werking treedt, ook van toepassing is op investeringen die voor die datum zijn gedaan. Vervolgens wordt in het artikel bepaald dat het Verdrag niet van toepassing is op enig geschil of enige vordering inzake een investering die reeds vóór de inwerkingtreding ervan is geregeld. Deze laatste bepaling komt ook voor in vergelijkbare investeringsverdragen, met dien verstande dat in die verdragen is bepaald dat het desbetreffende verdrag niet van toepassing is op geschillen die voor de datum van inwerkingtreding zijn ontstaan. (zie noot 4) De toelichtende nota op het onderhavige verdrag motiveert deze afwijkende bepaling niet, maar gaat uit van de tekst die in de vergelijkbare verdragen is opgenomen.
De Afdeling adviseert de toelichtende nota op dit punt aan te passen.
6. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk betreffende no.W02.14.0018/II
- In de aanbiedingsbrief toevoegen dat het verdrag en het protocol de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeven.
Voetnoten
(1) Het modelverdrag maart 2004 is te raadplegen via de website van de rijksoverheid: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/convenanten/2004/08/27/ibo-modelovereenkomst.html.
(2) Vgl. de adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State van 18 februari 2003 over het investeringsverdrag met de Libanese Republiek (W10.02.0545/II/K) en van 14 juli 2003 over het investeringsverdrag met de Verenigde Republiek Tanzania (W10.03.0217/II/K).
(3) Zie de toelichtende nota’s op het investeringsverdrag met het Koninkrijk Bahrein, Kamerstukken I en II, 2007/08, 31 370 (R 1849), A en nr. 1 en op het investeringsverdrag met de Democratische Volksrepubliek Algerije, Kamerstukken I en II, 2007/08, 31 451 (R1858), A en nr. 1 (in beide zaken is door de Raad van State een zogenoemd advies conform uitgebracht).
(4) Zie bijvoorbeeld artikel 10 van het investeringsverdrag met de Dominicaanse Republiek, Trb. 2006/91, artikel 10 van het investeringsverdrag met het Koninkrijk Bahrein, Trb. 2007/35 en artikel 11, tweede lid, van het investeringsverdrag met de Democratische Volksrepubliek Algerije, Trb. 2007/79.