Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W15.16.0095/IV

Voorlichting inzake de toepasselijkheid van het nieuwe Europese octrooisysteem op Curaçao en Sint Maarten.

Kenmerk
W15.16.0095/IV
Datum aanhangig
11 april 2016
Datum vastgesteld
15 juni 2016
Datum advies
17 juni 2016
Datum publicatie
11 april 2019
Vindplaats
Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 35187 (R2124), nr. 4
  • Economische Zaken en Klimaat
  • Voorlichting

Toon inhoud

  • Samenvatting
  • Volledige tekst
Samenvatting

Samenvatting voorlichting over het nieuwe Europese octrooisysteem

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op verzoek van de rijksministerraad voorlichting gegeven over deelname van Curaçao en Sint Maarten aan het nieuwe Europese octrooisysteem. De rijksministerraad heeft de voorlichting op 11 april 2019 openbaar gemaakt.

Uitbreiding Europese octrooisysteem

Wat in het verzoek om voorlichting als het nieuwe Europese octrooisysteem wordt aangeduid is in feite een belangrijke uitbreiding van het bestaande Europese octrooisysteem onder het Europees octrooiverdrag (EOV). Dat verdrag geldt nu ook voor Curaçao en Sint Maarten. De uitbreiding geldt niet in alle EOV-verdragsstaten, maar alleen in lidstaten van de Europese Unie die dat willen. De uitbreiding bestaat uit 'eenheidswerking' van het octrooi in combinatie met rechtspraak door één rechter. Door eenheidswerking heeft de octrooihouder een praktische mogelijkheid om ongehinderd door verschillen in procedures of recht in alle deelnemende EU-lidstaten octrooibescherming te krijgen. Het Eengemaakt octrooigerecht is hiervoor in het hetzelfde gebied de enige bevoegde rechter. Zo hoeft de octrooihouder bij een vermeende inbreuk op zijn octrooi maar één rechtszaak te voeren en worden nationale verschillen in uitleg van het geldende recht voorkomen.

Curaçao en Sint Maarten

Het verzoek om voorlichting richt zich op de vraag of het verdrag over de rechtspraak en de verordeningen over de eenheidswerking alleen kunnen werken in het Europese deel van het Koninkrijk of ook toepasselijk kunnen zijn op Curaçao en Sint Maarten.

Beantwoording Afdeling advisering

De Afdeling advisering concludeert dat werking ook voor Curaçao en Sint Maarten mogelijk en wenselijk is.

Eenheidswerking
EU-verordeningen gelden in beginsel alleen in Europees Nederland. De verordening over de eenheidswerking is echter uitzonderlijk, omdat die verordening zelf bepaalt dat de verordening ook als bijzondere overeenkomst onder het bredere EOV-verdrag valt. Van beperking tot het Europese grondgebied blijkt daarbij verder niet. Dat ligt ook niet voor de hand, omdat dat ook zou betekenen dat bestaande Europese octrooien opgesplitst moeten worden in een Europees deel en een overzees deel. Daarnaast zouden verschillende rechters bevoegd blijven voor Europese octrooien. Dat is juist niet de bedoeling.

Rechtspraakverdrag
Het rechtspraakverdrag staat alleen open voor EU-lidstaten. Curaçao en Sint Maarten maken echter deel uit van de lidstaat Koninkrijk der Nederlanden en zijn in EU- perspectief dan ook geen 'derde landen'. Er is daarom geen belemmering om de reikwijdte van het rechtspraakverdrag dezelfde te laten zijn als de reikwijdte van het overkoepelende EOV-verdrag, dat toepasselijkheid op gebieden buiten Europa juist heel ruim toelaat.

Uniformiteit rijksoctrooirecht
Onder verwijzing naar bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden vestigt de Afdeling advisering ten slotte nog de aandacht op het belang om uniformiteit van het rijksoctrooirecht binnen het Koninkrijk te behouden. Het ligt dan ook in de rede eenheidswerking en rechtsmacht van het Eengemaakt octrooigerecht ook voor Sint Maarten en Curaçao te benutten.

Volledige tekst

Bij brief van 11 april 2016 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gevraagd hem van voorlichting te dienen inzake de toepasselijkheid van het nieuwe Europese octrooisysteem op Curaçao en Sint Maarten.

De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft de volgende vragen voorgelegd:

1. Zijn er mogelijkheden voor deelname door Curaçao en Sint Maarten aan het nieuwe Europese octrooisysteem?

2. Zo nee, zijn er mogelijkheden voor het van overeenkomstige toepassing verklaren van verordening 1257/2012 en het Rechtspraakverdrag in Curaçao en Sint Maarten?

3. Zo nee, ziet u belemmeringen voor deelname van alleen het Europese deel van Nederland aan het nieuwe Europese octrooisysteem?

Het aanvragen van eenheidswerking voor een Europees octrooi geeft de octrooihouder een praktische mogelijkheid om, ongehinderd door verschillen in procedures of materieel recht, in één keer in alle deelnemende lidstaten octrooibescherming te krijgen. Het Eengemaakt octrooigerecht (zie noot 1) waarborgt vervolgens de rechtseenheid van het octrooirecht in dat gebied. ‘Eenheidswerking’ en bijbehorende rechtspraak vormen zo bezien niet zozeer een nieuw Europees octrooisysteem als wel een belangrijke, tot de deelnemende lidstaten beperkte, uitbreiding van het bestaande systeem.

Met het verzoek om voorlichting ligt dan ook in essentie de vraag voor of de werking van het Eengemaakt octrooigerecht (zie noot 2) en het Europees octrooi al dan niet met eenheidswerking (zie noot 3) zich ook kan uitstrekken tot Curaçao en Sint Maarten. Naar het oordeel van de Afdeling is dat het geval.

De Afdeling zal eerst ingaan op het huidige Europees octrooi - dat zijn grondslag heeft in het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (EOV) - en de historische context daarvan. De Afdeling bespreekt vervolgens hoe een deel van de EOV-verdragsstaten met elkaar zijn overeengekomen een Europees octrooi met eenheidswerking in te stellen, en een daaraan gekoppeld eengemaakt gerecht voor Europese octrooien. Na een korte schets van de verhouding tussen het EOV, de aanvullende overeenkomsten, en de Europese Unie, wordt uiteengezet dat de werkingssfeer van het EOV en de aanvullende overeenkomsten zich, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, niet hoeft te beperken tot het Europese deel van het Koninkrijk. Tot slot bespreekt de Afdeling een aantal bepalingen die wijzen in de richting van behoud van een uniform octrooirecht in het Koninkrijk.

1. Achtergrond van het nieuwe Europese octrooisysteem

a. Het Europees octrooi
Europese staten streefden al voor de oprichting van de Europese gemeenschappen naar onderlinge samenwerking die het voor octrooiaanvragers gemakkelijker zou maken om in meerdere Europese landen octrooibescherming te verkrijgen, en tegelijkertijd de nationale octrooibureaus te ontlasten van het nieuwheidsonderzoek met betrekking tot dezelfde uitvinding. (zie noot 4) Dit resulteerde uiteindelijk in 1977 in een gemeenschappelijke Europese procedure van octrooiverlening, op grond van het EOV. (zie noot 5)

Het EOV roept een voor alle verdragsluitende staten gemeenschappelijke octrooiverleningsprocedure in het leven. Daarbij is voorzien in de instelling van een Europees Octrooibureau, dat de bij dat bureau ingediende octrooiaanvragen beoordeelt. Het Europees Octrooibureau neemt daarbij de in het EOV neergelegde regels van formeel en materieel octrooirecht in acht. Voldoet de aanvraag aan de gestelde vereisten en beantwoordt de uitvinding aan de voor de octrooiverlening gestelde normen, dan zal de aanvrager octrooi verkrijgen. Dit octrooi wordt op grond van artikel 2, eerste lid, van het EOV, ‘Europees octrooi’ genoemd. Het Europees octrooi heeft op dezelfde voet als een nationaal octrooi gelding in de verdragsstaten van het EOV die de aanvrager in zijn aanvraag heeft aangewezen, mits het octrooi volgens de voorschriften van die verdragsstaat tijdig zijn geregistreerd en vertaald.

Het EOV bepaalt dat "elke Verdragsluitende Staat in zijn akte van bekrachtiging of van toetreding kan verklaren, of op ieder later tijdstip […], dat het Verdrag van toepassing is op een of meer grondgebieden voor de buitenlandse betrekkingen waarvan hij verantwoordelijk is. De voor die Verdragsluitende Staat verleende Europese octrooien hebben eveneens werking in de grondgebieden waarvoor deze verklaring van kracht is geworden." (zie noot 6) Het Koninkrijk is verdragspartij bij het EOV, en heeft verklaard dat het verdrag niet alleen voor Nederland maar ook voor Curaçao en Sint Maarten van toepassing is. (zie noot 7) Het EOV wordt in de nationale rechtsorde uitgewerkt in de Rijksoctrooiwet 1995. Uit artikel 113, eerste lid, van die wet volgt eveneens dat het EOV van toepassing is in Curaçao en Sint Maarten.

b. Grondslagen voor een uniform octrooirecht in het EOV
Binnen de Europese Economische Gemeenschap (EEG) werd gestreefd naar de hiervoor besproken invoering van een gemeenschappelijke Europese procedure van octrooiverlening. De meest lidstaten van de EEG beoogden een voor hen gezamenlijk geldend uniform octrooirecht in de vorm van een nadere verdieping van het regime zoals dat onder het EOV geldt. Met het oog hierop werd in het EOV reeds rekening gehouden met de totstandkoming van een tweede verdrag, dat gericht zou zijn op de invoering van een gemeenschapsoctrooi. Zo bepaalt artikel 142 EOV dat een aantal partijen bij het EOV samen kunnen beslissen dat octrooien die voor hun grondgebieden worden verleend, eenheidswerking verkrijgen. (zie noot 8) Daarnaast is op 29 november 2000 te München de Akte tot herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (zie noot 9) tot stand gekomen. Daardoor is in artikel 149a van het EOV geëxpliciteerd dat het EOV-verdragsstaten vrij staat groepsgewijs bijzondere aanvullende overeenkomsten te sluiten over (onder meer) geschillenbeslechting voor Europese octrooien. Het EOV faciliteert zodoende dat (een deel van) de verdragsluitende staten onderling nadere verdragen sluiten met het oog op het tot stand brengen van een eenvormig Europees octrooi met bijbehorende geconcentreerde geschillenbeslechting. (zie noot 10)

c. Verenigbaarheid van een uniform octrooirecht met het acquis communautaire
Alle lidstaten van de Europese Unie zijn lid van het EOV. Een aantal lidstaten wenste gebruik te maken van de hiervoor geschetste mogelijkheden onder het EOV om nadere overeenkomsten te sluiten ten behoeve van een uniform octrooirecht. Unietrouw vereist dat de lidstaten van de Europese Unie geen internationale overeenkomsten aangaan die niet verenigbaar zijn met het acquis communautaire. De Raad van de Europese Unie heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) advies gevraagd over de ‘Ontwerpovereenkomst betreffende het gerecht voor het Europees en het gemeenschapsoctrooi’. Het Hof concludeerde dat de hem voorgelegde overeenkomst niet verenigbaar was met het acquis communautaire. (zie noot 11) De bezwaren daartegen zagen op het ontbreken van voldoende waarborgen die zouden verzekeren dat het octrooigerecht de voorrang van het recht van de Unie zou respecteren en dat recht zou toepassen conform de uitleg door het Hof van Justitie. Ook wees het Hof erop dat, anders dan in het geval van nationale rechterlijke instanties, geen inbreukprocedures tegen de overeenkomstsluitende EU-lidstaten mogelijk zouden zijn, mocht het octrooigerecht het recht van de Unie schenden. Voorts zouden dergelijke beslissingen van het octrooigerecht geen aanleiding kunnen geven tot financiële aansprakelijkheid van de overeenkomstsluitende EU-lidstaten. Ten slotte concludeerde het advies dat deelneming van derde landen moest worden uitgesloten. (zie noot 12)

2. Het uniform octrooirecht in kort bestek

De deelnemende lidstaten hebben vervolgens een nadere overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht, zoals bedoeld in artikel 149a van het EOV, alsmede een overeenkomst die uitvoering geeft aan nauwere samenwerking op het gebied van de instelling eenheidsoctrooibescherming in de zin van artikel 142 EOV, gesloten.

a. Het eengemaakt octrooigerecht
Artikel 149a, eerste lid, aanhef en onder a, van het EOV, bepaalt dat geen enkele bepaling van het EOV zodanig mag worden uitgelegd dat zij het recht van bepaalde of alle Verdragsluitende Staten beperkt bijzondere overeenkomsten te sluiten inzake [onder meer] een overeenkomst tot oprichting van een gemeenschappelijk Europees octrooigerecht voor de Verdragsluitende Staten die daar partij bij zijn. De Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht richt dit gerecht op. (zie noot 13) De overeenkomst voorziet in geschilbeslechting op Europees niveau, waardoor in het eengemaakt gerecht een uitspraak kan worden verkregen met gelding op het grondgebied van alle deelnemende lidstaten waar het Europees octrooi van kracht is. (zie noot 14) Als gevolg daarvan behoeft een octrooihouder niet langer in elk van de deelnemende lidstaten waar inbreuk op zijn recht wordt gemaakt afzonderlijk een inbreukprocedure te starten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de geldigheid van het octrooi dat ook via één gerechtelijke procedure bij het Eengemaakt octrooigerecht kan worden vastgesteld.

In lijn met het advies van het Hof bepaalt de overeenkomst dat (enkel) lidstaten van de Europese Unie kunnen deelnemen aan de overeenkomst, hetgeen meebrengt dat deelname door derde staten is uitgesloten. (zie noot 15) Uitdrukkelijk wordt bepaald dat het gerecht het recht van de Unie toepast, en het primaat daarvan eerbiedigt. In voorkomende gevallen is het gerecht dan ook gehouden tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. (zie noot 16)

b. Eenheidsoctrooibescherming
Artikel 142, eerste lid, van het EOV regelt dat iedere groep (EOV-verdrags-) staten die krachtens een bijzondere overeenkomst heeft besloten dat de voor die staten verleende Europese octrooien voor hun gezamenlijke grondgebieden een eenheid vormen, kan bepalen dat de Europese octrooien slechts gezamenlijk voor al die staten kunnen worden verleend.

Bij Besluit van de Raad van de Europese Unie zijn de deelnemende lidstaten tot het vaststellen van een dergelijke bijzondere overeenkomst gemachtigd. (zie noot 17) Die bijzondere overeenkomst is vastgesteld met Verordening (EU) nr. 1257/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2012 tot het uitvoering geven aan nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming (hierna: verordening 1257/2012). Deze verordening bepaalt in artikel 1, tweede lid, dat de verordening ‘een bijzondere overeenkomst in de zin van artikel 142 van het Europees octrooiverdrag’ vormt.

Verordening 1257/2012 regelt het Europees octrooi met eenheidswerking. Het Europees octrooi met eenheidswerking verschaft de mogelijkheid om met één registratie octrooibescherming te verkrijgen in alle deelnemende lidstaten. Na het op aanvraag verkrijgen van dit Europees octrooi met eenheidswerking hoeven die Europese octrooien niet meer in elke lidstaat afzonderlijk te worden gevalideerd, zoals voor het Europese octrooi zonder eenheidswerking wel noodzakelijk is. (zie noot 18)

3. Beperkte werking van het uniform octrooirecht in het Koninkrijk?

Met het verzoek om voorlichting ligt de vraag voor of de werking van de hiervoor genoemde overeenkomsten over het eengemaakt octrooigerecht en over de instelling van eenheidsoctrooibescherming alleen dient te zien op het Europese deel van het Koninkrijk, of dat deze ook op Curaçao en Sint Maarten zou kunnen zien.

Artikel 168, eerste lid, van het EOV bepaalt dat de verdragsluitende staten bij de bekrachtiging, toetreding of latere mededeling kunnen verklaren dat het verdrag van toepassing is op een of meer grondgebieden voor de buitenlandse betrekkingen waarvan zij verantwoordelijk zijn. De Europese octrooien hebben eveneens werking in de grondgebieden waarvoor deze verklaring van kracht is geworden. Het Koninkrijk heeft het verdrag van toepassing verklaard op Curaçao en Sint Maarten; Europese octrooien hebben derhalve ook daar gelding.

De overeenkomsten over het eengemaakt octrooigerecht en eenheidsoctrooibescherming zijn nadere uitvoeringsovereenkomsten als bedoeld in artikel 142, eerste lid, en artikel 149a, eerste lid, aanhef en onder a, van het EOV. Het ligt dan ook in de rede dat de uitvoeringsovereenkomsten stroken met het EOV als moederverdrag, en het aan de deelnemende lidstaten is overgelaten de toepasselijkheid van deze uitvoeringsovereenkomsten in de (overzeese) grondgebieden voor de buitenlandse betrekkingen waarvan zij verantwoordelijk zijn te bepalen.

a. De Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht
De Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht staat uitsluitend open voor toetreding door lidstaten van de Europese Unie. (zie noot 19) Daarmee wordt uitvoering gegeven aan het advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie. (zie noot 20) Dat advies hield in dat het Eengemaakt octrooigerecht de voorrang van het Unierecht dient te respecteren; dat recht zal moeten interpreteren conform de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie; en niet open mag staan voor derde staten. (zie noot 21)

Het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zijn voor het Koninkrijk goedgekeurd en geratificeerd (zie noot 22), en gelden op grond van artikel 52, eerste lid, VEU voor het gehele Koninkrijk, inclusief Curaçao en Sint Maarten. Curaçao en Sint Maarten zijn dan ook in het kader van de Overeenkomst niet aan te merken als ‘derde staten’. De Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht bevat geen bepalingen die aanleiding geven het begrip ‘lidstaat van de Europese Unie’ op te vatten als ‘beperkt tot het in Europa gelegen deel van de lidstaten van de Europese Unie’. Het gaat immers om een overeenkomst die uitwerking geeft aan artikel 149a, eerste lid, aanhef en onder a, van het EOV. Deze overeenkomst bouwt voort op het EOV, dat blijkens artikel 168 EOV geen beperkingen stelt aan de mogelijkheid om deze van toepassing te verklaren op de overzeese gebiedsdelen. Het ligt dan ook voor de hand dat deze overeenkomst van toepassing verklaard wordt op die gebiedsdelen en aldus te voorkomen dat de werking ervan, anders dan het EOV, beperkt wordt tot het Europese deel van het Koninkrijk. Daartoe dient het Koninkrijk de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht ook goed te keuren voor Curaçao en Sint Maarten, dit te verklaren aan de depositaris van de overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht, en aan de overeenkomst bij Rijkswet nadere uitvoering te geven.

b. De overeenkomst/verordening tot instelling van eenheidsoctrooibescherming
De overeenkomst tot instelling van eenheidsoctrooibescherming is tot stand gekomen in de vorm van verordening 1257/2012 van de Europese Unie. Zoals hiervoor uiteengezet gelden de Europese verdragen (het VEU en het VWEU) op grond van artikel 52, eerste lid, VEU voor het gehele Koninkrijk, inclusief Curaçao en Sint Maarten. Curaçao en Sint Maarten hebben evenwel op grond van artikel 52, tweede lid, VEU in samenhang met artikel 355, tweede lid, van het VWEU en Bijlage II van dat verdrag de bijzondere status van ‘landen en gebieden overzee’ (LGO). Deze status brengt met zich mee dat op deze LGO’s de bijzondere associatieregeling als bedoeld in het vierde deel VWEU van toepassing is. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat deze bijzondere status van LGO meebrengt dat ‘voor deze associatie […] een regeling [is] gegeven in het vierde deel van het Verdrag (de artikelen 131 tot en met 136 bis [thans artikelen 198-204 VWEU]), zodat de algemene verdragsbepalingen zonder uitdrukkelijke verwijzing niet op de landen en gebieden overzee van toepassing zijn.’ (zie noot 23) Verordening 1257/2012 vindt haar grondslag in artikel 118  VWEU, zodat deze verordening in principe niet van toepassing is op de LGO’s Curaçao en Sint Maarten.

De voorliggende zaak is evenwel uitzonderlijk omdat in artikel 1, tweede lid, van verordening 1257/2012 wordt bepaald dat deze verordening een bijzondere overeenkomst is in de zin van artikel 142 van het EOV. Het EOV laat het in artikel 168 EOV aan de verdragsstaten om te bepalen of de werking van het EOV zich ook uitstrekt tot, kort gezegd, de LGO. Uit de verordening - een bijzondere overeenkomst in de zin van artikel 142 van het EOV - blijkt niet dat de werkingssfeer van het EOV voor het Europees octrooi, al dan niet met eenheidswerking, moet worden beperkt tot het Europese grondgebied. Een dergelijke beperking ligt ook niet voor de hand, nu de consequentie daarvan zou zijn dat de bestaande Europese octrooien die voor Nederland, Curaçao en Sint Maarten gelden opgesplitst zouden worden in een Europees deel, waarover het Eenvormig gerecht rechtsmacht heeft, en een overzees deel, waarover de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, met de mogelijkheid van uiteenlopende jurisprudentie hetgeen nu juist met het nieuwe octrooistelsel beoogd wordt te voorkomen.

Gelet op de bijzondere aard van de overeenkomsten en hun samenhang ligt het in de rede dat goedkeuring en ratificatie van het uniform octrooirecht dat daarin is vervat mede voor Curaçao en Sint Maarten plaatsvindt. Als voorbeeld kan worden gewezen op de wijze waarop het Verenigd Koninkrijk de werking voor het eiland Man voorziet. (zie noot 24) Bij de goedkeuring door het Verenigd Koninkrijk van de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht voor het eiland Man bij de draft Patents Order 2016 wordt in overweging 5.3 van de Explanatory Memorandum over die goedkeuring voor het eiland Man uiteengezet: "Naast de Patents Order 2016 zal een aparte regeling dienen te worden getroffen ten behoeve van het eiland Man. Dit zal worden gedaan voordat de Overeenkomst betreffende het eengemaakt octrooigerecht zal worden goedgekeurd, door middel van een ‘Order in council’ onder sectie 132(2) van de ‘Patents Act’, zodat de territoriale werkingssfeer van de ratificatie van het Verenigd Koninkrijk het eiland Man mede kan omvatten, overeenkomstig het verzoek van de Raad van Ministers van het eiland Man van midden 2013. Daarenboven zal het medenemen in de ratificatie van het Verenigd Koninkrijk betekenen dat het eiland Man onderdeel van het grondgebied zal zijn van de verdragsluitende staten van de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht en de deelnemende lidstaten van de eenheidsoctrooiverordening. (zie noot 25) Daarnaast kan gewezen worden op de verklaring van de regering van Frankrijk over de toepasselijkheid van het Europese arrestatiebevel in haar LGO’s (en UPG’s). (zie noot 26)

De goedkeuring brengt mee dat de verklaring die het Koninkrijk op grond van de verordening aan de Commissie dient te doen - betreffende haar goedkeuring van de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooiverdrag (zie noot 27) - de medegelding voor Curaçao en Sint Maarten van de overeenkomsten vermeldt, en dat dat bij rijkswet wordt bestendigd. (zie noot 28) Gezien de specifieke context van deze casus, waarbij een verordening - tevens verdrag - als zodanig van toepassing zal zijn op Curaçao en Sint Maarten, verdient het aanbeveling om daarover vooraf afstemming te doen plaatsvinden met de Europese Commissie.

Gelet op het voorgaande concludeert de Afdeling dat de overeenkomsten inzake het eengemaakt octrooigerecht en het Europees octrooi met eenheidswerking ook van toepassing kunnen zijn op Curaçao en Sint Maarten. Het antwoord op de eerste voorlichtingsvraag - ‘zijn er mogelijkheden voor deelname door Curaçao en Sint Maarten’ - is daarmee positief, zodat de tweede vraag en derde vraag geen bespreking behoeven.

4. Behoud van het uniform octrooirecht in het Koninkrijk

Tot slot vestigt de Afdeling nog de aandacht op het volgende. Voorop staat dat het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere aandacht in koninkrijksverband eist voor aangelegenheden die de landen van het Koninkrijk raken. De Rijksoctrooiwet en het EOV zijn ook van kracht in Curaçao en Sint Maarten, zodat daardoor de aangelegenheden van deze landen worden geraakt. (zie noot 29) Indien Curaçao en Sint Maarten op grond van artikel 28 van het Statuut aangeven dat zij wensen deel te nemen aan internationale organisaties, neemt het Koninkrijk die deelname als uitgangspunt. Voorts volgt uit artikel 39, eerste lid, van het Statuut dat de industriële eigendomsrechten (waar het octrooirecht toe behoort) in Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze worden geregeld (concordantiebeginsel). (zie noot 30)

Zoals hiervoor is opgemerkt, volgt uit het EOV dat de verdragsstaten beoogd hebben dat toepassing ervan op alle grondgebieden van een verdragsstaat zo eenvoudig mogelijk is. Het ligt onder deze omstandigheden voor de hand dat de uniformiteit van het rijksoctrooirecht binnen het Koninkrijk onder het EOV zo veel mogelijk blijft behouden. Zonder eenheidswerking en eengemaakte octrooirechtspraak zouden bestaande Europese octrooien gesplitst worden in een Europees deel en een Caribisch deel, en zou de houder van een Europees octrooi met eenheidswerking bescherming op Curaçao en St Maarten apart aan moeten vragen en aan de specifiek hiervoor nog geldende eisen moeten voldoen (vertaling, registratie, aparte taksen betalen). Bovendien blijft er binnen het Koninkrijk dan naast het eengemaakt octrooigerecht nog een andere rechter bevoegd, (zie noot 31) met het risico van uiteenlopende jurisprudentie.

Het LGO-besluit (zie noot 32) geeft daarnaast in artikel 61 aan dat een passend en doeltreffend niveau van bescherming van intellectuele eigendommen, met inbegrip van de middelen om deze rechten te handhaven (in casu één rechtsgang met betrekking tot één en hetzelfde octrooi), wordt beoogd. Dit niveau wordt bereikt indien de werking zich ook uitstrekt tot Curaçao en Sint Maarten, waar het EOV immers van toepassing is.

Uit het voorgaande volgt, in samenhang beschouwd, dat toepassing van het Europees octrooi met eenheidswerking en de rechtsmacht van het eengemaakt octrooigerecht op Curaçao en Sint Maarten in de rede ligt.

De waarnemend vice-president van de Raad van State


Voetnoten

(1) Opgericht bij Overeenkomst betreffende het Eengemaakt Octrooigerecht (Trb. 2016, 1), waarvan de goedkeuring thans aanhangig is bij de Tweede Kamer der Staten Generaal, Kamerstukken II 2015/16, 34 411, nr. 2.
(2) Opgericht bij Overeenkomst betreffende het Eengemaakt Octrooigerecht (Trb. 2016, 1).
(3) Gerealiseerd in Verordening (EU) nr. 1257/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2012 tot het uitvoering geven aan nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming.
(4) Zie voor een uitgebreider overzicht Kamerstukken II, 2015/16, 34 411, nr. 3, blz. 3 e.v.
(5) Goedgekeurd in Nederland bij Rijkswet van 12 januari 1977, houdende goedkeuring van het Europees Octrooiverdrag, München, 5 oktober 1973, en van het voornemen tot opzegging van de Overeenkomsten betreffende de oprichting van een Internationaal Octrooibureau (IIB) (1977, Stb. 7).
(6) Artikel 168, eerste lid, van het EOV.
(7) Zoals laatstelijk Trb. 2016, 2.
(8) Zie ook: Kamerstukken II 2015/16, 34 411, nr. 3, blz. 3, 4.
(9) Trb. 2002, 64.
(10) Zie ook: Kamerstukken 2004/05, 29 874 (R 1777), nr. 3, blz. 7.
(11) HvJEU 8 maart 2011, advies 1/09.
(12) Zie voor een uitgebreide samenvatting ook Kamerstukken II 2015/16, 34411, nr. 3, blz. 7. e.v.
(13) Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht (Trb. 2013, 92 en Trb. 2016, 1).
(14) Artikel 34 van de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht.
(15) Artikel 84 van de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht.
(16) Hoofdstuk IV van de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht.
(17) Besluit van de Raad van 10 maart 2011 houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van eenheidsoctrooibescherming (Besluit 2011/167/EU).
(18) Vgl. het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk 18 december 2015 over het voorstel van rijkswet tot wijziging van de Rijksoctrooiwet 1995 in verband met de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht en Verordening (EU) nr. 1257/2012; nog niet openbaar gemaakt. Het blijft overigens mogelijk om voor een deelnemende Europese lidstaat een Europees octrooi aan te vragen, dat dan in de door de aanvrager bij het Europees Octrooibureau bij de aanvraag aangegeven deelnemende Europese lidstaten gelding heeft.
(19) Artikel 84, vierde lid, van de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht.
(20) Advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2011, advies 1/09.
(21) Advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2011, advies 1/09.
(22) Trb. 2008, 11.
(23) Zaak C-290/60, Leplat, overweging 10, zie ook: Advies van de afdeling Advisering van de Raad van State van het Koninkrijk van 22 januari 2016 over het voorstel voor de Wet scheepsuitrustingen (W14.15.0389/IV), Kamerstukken II 2015/16, 34 425, nr. 4.
(24) Zie voor het betreffende regime artikel 355, vijfde lid, onderdeel c, van het VWEU.
(25)http://www.legislation.gov.uk/ukdsi/2016/9780111142899/pdfs/ukdsiem_9780111142899_en.pdf
(26) Gezien het niet van toepassing zijn van het Schengen Informatie Systeem (SIS) in de Franse gebieden overzee moest voor de werking van het Kaderbesluit Europese arrestatiebevel worden voorzien in een bijzonder regime om de werking van het kaderbesluit te verzekeren. Om die volledige werking van het kaderbesluit ook in de te bewerkstelligen, stelde de Franse regering in deze mededeling: ‘’the European arrest warrant is fully applicable in all parts of the French Republic.’’ Zie: Council of the European Union, Note of the French delegation on the implementation of the European arrest warrant in the French overseas departments and territories (DOM/TOM), Brussels: 9 July 2004, Doc. 11356/04, 2.
(27) Artikel 18, derde lid, van de Verordening 1257/2012.
(28) Vgl. ook artikel 1, eerste lid van het gewijzigd voorstel van rijkswet over bepalingen omtrent de toepassing in Aruba, Curaçao en Sint Maarten van beperkende maatregelen met het oog op de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme, vastgesteld in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de Europese Unie (Rijkssanctiewet), Kamerstukken I 2015/16, 34009(R2035), nr. A, en het advies van de Raad van State van het Koninkrijk van 17 maart 2014 over die wet (W02.14.0004/II), Kamerstukken II 2015/16, 34 009 (R2035), nr. 4.
(29) De Afdeling merkt overigens op dat dit in dezelfde mate het geval is voor Caribisch Nederland.
(30) Vgl. het Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk van 14 juli 2004 over het Voorstel van rijkswet tot goedkeuring en uitvoering van de op 17 december 1991 te München tot stand gekomen Akte tot herziening van artikel 63 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973 (Trb.1992, 47), het op 1 juni 2000 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake octrooirecht (Trb.2001, 120), het op 17 oktober 2000 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de toepassing van artikel 65 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973 (Trb.2001, 21) en de op 29 november 2000 te München tot stand gekomen Akte tot herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Trb.2002, 64), (W10.04.0193/IV), Kamerstukken II 2004/05, 29 874 (R 1777), nr 5.
(31) Artikel 80 e.v. van de Rijksoctrooiwet.
(32) Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit").


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon