Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W12.18.0392/III

Wijziging Participatiewet ten aanzien van personen met een zorgbehoefte die een gezamenlijke huishouding voeren met een bloedverwant in de tweede graad.

Kenmerk
W12.18.0392/III
Datum aanhangig
17 december 2018
Datum vastgesteld
6 februari 2019
Datum advies
6 februari 2019
Datum publicatie
26 maart 2019
Vindplaats
Kamerstukken II 2018/19, 35174, nr. 4
  • Sociale zaken en Werkgelegenheid
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 19 december 2018, no.2018002373, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Participatiewet en enige andere wetten in verband met het opheffen van discriminatoir onderscheid tussen bloedverwanten in de tweede graad en anderen die een gezamenlijke huishouding voeren waarbij sprake is van zorgbehoefte, met memorie van toelichting.

Het voorstel wijzigt de Participatiewet en enkele andere wetten. Bloedverwanten in de tweede graad die samenwonen met het oog op een zorgbehoefte worden op dit moment als alleenstaand aangemerkt, terwijl andere samenwonenden die ook samenwonen met het oog op een zorgbehoefte als gezin worden aangemerkt. Dit discriminatoire onderscheid wordt met het voorstel opgeheven.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de gevolgen van het wetsvoorstel en het gekozen overgangsrecht. In verband daarmee is aanpassing van het voorstel en de toelichting wenselijk is.

1.    Gevolgen van het wetsvoorstel

Het recht op bijstand is in de Participatiewet opgenomen. Dat recht en de hoogte van de uitkering is afhankelijk van de samenstelling van het huishouden. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen alleenstaanden en gehuwden. Op gehuwden en diegenen die daarmee zijn gelijk gesteld is een gezamenlijke inkomens- en vermogenstoets van toepassing, op alleenstaanden niet.

Bloedverwanten in de tweede graad - broers en zussen, grootouders en kleinkinderen - die een gezamenlijke huishouding voeren en waarbij er sprake is van een zorgbehoefte, worden thans aangemerkt als alleenstaanden. Andere belanghebbenden die evenzo een gezamenlijke huishouding voeren en waarbij ook sprake is van een zorgbehoefte, worden evenwel aangemerkt als gehuwden. Daardoor wordt een lager recht op uitkering uitgekeerd of is er zelfs helemaal geen recht op uitkering. De Hoge Raad heeft dit onderscheid als discriminatoir aangemerkt. (zie noot 1)

Het voorstel beoogt dit onderscheid op te heffen door ook bloedverwanten in de tweede graad in voornoemde situatie aan te merken als gehuwden.

Volgens de memorie van toelichting is hiervoor gekozen vanwege het karakter van de bijstandsregelgeving, namelijk het bieden van een vangnet. Dat brengt met zich dat bij de beoordeling van het recht op uitkering in situaties van een gezamenlijk huishouden rekening wordt gehouden met de middelen van de partner. (zie noot 2)

Zoals in de memorie van toelichting wordt beschreven is de huidige regeling voor samenwonende bloedverwanten in de tweede graad met zorgbehoefte ingegeven door de wens in de bijstandsverlening rekening te houden met de situatie waarin de samenlevingsvorm verband houdt met de zorgbehoefte van een van de samenwonende bloedverwanten in de tweede graad. (zie noot 3)

De Afdeling onderkent dat de in het voorstel gekozen benadering in de  systematiek van de Participatiewet past. Zij merkt echter op dat de onderliggende problematiek van personen die vanwege een zorgbehoefte samenwonen, en die hun uitkering zien verminderen of verdwijnen, hiermee niet weg is. Zo kan het voorstel het effect hebben dat belanghebbenden afzien van het voeren van een gezamenlijke huishouding, indien dat tot nadelige gevolgen voor de bijstandsuitkering kan leiden. Omdat de te verlenen zorg ook dan nog steeds verleend zal moeten worden, zullen andere wegen bewandeld moeten worden. Mogelijk is dan opname in een Wlz-instelling aan de orde. Daardoor kan het voorstel (budgettair) contraproductief uitwerken. Het voorgaande roept dan ook de vraag op of anderszins voorzieningen voor deze problematiek overwogen zijn en kunnen worden gerealiseerd.

De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het vorenstaande in te gaan.

2.       Overgangsrecht

De voorgestelde regeling zal er toe leiden dat bepaalde tweedegraads bloedverwanten, omdat zij niet meer als alleenstaanden worden aangemerkt, een lager of geen recht op bijstand toekomt. Met het oog op de rechtszekerheid is een overgangsregeling opgenomen, op grond waarvan voor de door de regeling getroffen groep van bloedverwanten nog gedurende twaalf maanden het oude regime blijft gelden en zij derhalve zolang nog als alleenstaand worden aangemerkt.

Volgens het voorstel moet het gaan om belanghebbenden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wetsvoorstel reeds daadwerkelijk een uitkering ontvangen. (zie noot 4) De Afdeling wijst erop dat in beginsel de aanspraak van de belanghebbende ten tijde van inwerkingtreding van het voorstel centraal hoort te staan bij de vormgeving van het overgangsrecht. Met de voorgestelde overgangsregeling wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen belanghebbenden.

1.    In de eerste plaats betreft het belanghebbenden waarvan het recht reeds is vastgesteld en voor inwerkingtreding van de wetswijziging tot uitkering heeft geleid.

2.    In de tweede plaats betreft het belanghebbenden waarvan het recht voor inwerkingtreding van de wetswijziging is vastgesteld, maar nog niet tot uitkering is gekomen.

3.    In de derde plaats betreft het belanghebbenden die een nog niet vastgesteld recht op uitkering hebben op het tijdstip van inwerkingtreding, maar op wier verzoek om uitkering pas na de inwerkingtreding van de wetswijziging positief is beslist.

Het handelen van het bestuursorgaan is daarmee van bepalende invloed op de vraag of overgangsrecht van toepassing is. De juridische positie van betrokkenen verschilt niet, terwijl slechts degenen die reeds vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging een uitkering ontvangen, onder de overgangsregeling zullen vallen. De Afdeling ziet vooralsnog geen rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling.

De Afdeling adviseert de overgangsregeling aan te passen door de drie hiervoor genoemde gevallen daar afzonderlijk onder te brengen. Datzelfde geldt voor de beslissing op bezwaarschriften ten aanzien van besluiten die in de drie genoemde gevallen zijn genomen.

3.     De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W12.18.0392/III

-    Nu afgeweken wordt van de vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn voor wetgeving, dit toelichten in de memorie van toelichting (Aanwijzing 4.17, zesde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

Nader rapport (reactie op het advies) van 21 maart 2019

1.    Gevolgen van het wetsvoorstel

Naar aanleiding van deze opmerking wordt er op gewezen, dat de problematiek waar in het wetsvoorstel op wordt gedoeld, uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat twee bloedverwanten in de tweede graad (zoals bijvoorbeeld een broer en zus) met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren, én er bij één van hen een zorgbehoefte is én de belanghebbende(n) een beroep op (aanvullende) algemene bijstand doen. Voor de beoordeling of voldaan wordt aan het criterium "zorgbehoefte", gelden de in de jurisprudentie ontwikkelde stringente voorwaarden. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat als zorgbehoeftige wordt aangemerkt de persoon van wie is vastgesteld dat hij vanwege ziekte of een stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting. Voorts is van zorgbehoefte sprake als de persoon vanwege ziekte of een stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of is aangewezen op constant toezicht teneinde mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.

In dit soort - zeer beperkt aantal voorkomende - situaties worden volgens de huidige, maar thans in de jurisprudentie als discriminatoir beoordeelde uitzonderingsbepaling in de Participatiewet, beide belanghebbenden niet als gehuwd aangemerkt, maar als alleenstaande kostendeler, met dus een gescheiden middelen toets. Het gevolg van het voorliggende wetsvoorstel waarin de genoemde discriminatoire uitzonderingsbepaling wordt geschrapt, is dat er - net als bij andere ongehuwd samenwonenden die een gezamenlijke huishouding voeren - ook een gezamenlijke middelentoets plaatsvindt. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven kan dit in voorkomende gevallen mogelijk tot nadelige gevolgen voor het recht op bijstand van de betreffende belanghebbenden leiden. Het is daarom een expliciete bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de colleges om in voorkomende schrijnende situaties, derhalve ook bij de situaties waar de Afdeling op wijst, de bijstand af te stemmen op de mogelijkheden, omstandigheden en middelen van de belanghebbenden (artikel 18, eerste lid, Participatiewet). Zo’n schrijnende situatie kan dan zijn dat de belanghebbende samenwonende bloedverwanten in de tweede graad bijvoorbeeld maar afzien van het voeren van een gezamenlijke huishouding en dat daardoor opname in een Wlz-instelling aan de orde kan zijn.

Daarbij dient erop te worden gewezen dat, zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, bij bloedverwanten in de tweede graad die samen in een woning wonen, niet per definitie een gezamenlijke huishouding wordt aangenomen, maar dat deze samenwonende bloedverwanten veeleer als kostendelers worden beschouwd. Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen in het geval van een kostendelerssituatie tussen samenwonenden bloedverwanten in de tweede graad waarbij één van hen zorgbehoeftig is. Personen die als kostendeler worden aangemerkt, worden namelijk niet gelijkgesteld met gehuwden, maar zijn zelfstandige subjecten van bijstand.

2.    Overgangsrecht

Naar aanleiding van de bovenstaande opmerking van de Afdeling is de overgangsregeling aangepast. In de overgangsregeling is nu het moment waarop de belanghebbende de aanvraag van een uitkering heeft ingediend, bepalend voor de vraag of de belanghebbende onder het overgangsrecht valt (in plaats van het moment waarop de uitkering door de belanghebbende is ontvangen). Indien de aanvraag uiterlijk op de dag voor de inwerkingtreding van de voorgestelde wet is ingediend, kan de belanghebbende een beroep doen op het oude recht. Dit heeft tot gevolg dat de drie door de Afdeling genoemde groepen belanghebbenden allen onder het overgangsrecht vallen.

Ook is nu in het overgangsrecht geregeld dat op een bezwaar- en beroepschrift dat is ingediend tegen een beslissing die is genomen op een voor de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag, dient te worden beslist op grond van het oude recht.

3.     De redactionele kanttekening van de Afdeling is verwerkt.

Ik moge U, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Voetnoten

(1)  Arrest van 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3081.

(2)  Memorie van toelichting, paragraaf 4.1.

(3)  Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.

(4)  Artikel V van het wetsvoorstel.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document
Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon