Vreemdeling kan geen beroep meer doen op indirect refoulement in Dublinprocedure

Gepubliceerd op 12 juni 2024

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hoeft in een zogenoemde Dublinprocedure niet meer te beoordelen of een overdracht van een vreemdeling aan een andere lidstaat van de Europese Unie leidt tot ‘indirect refoulement’. Dit betekent dat de staatssecretaris een vreemdeling mag overdragen aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van de vreemdeling, ook als die lidstaat een ander inhoudelijk asielbeleid voert dan Nederland. Dat oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van vandaag (12 juni 2024).

Achtergrond

Aanleiding voor deze uitspraak is een zaak over een Pakistaanse man die behoort tot de ahmadi’s. Aanhangers van deze religieuze stroming zijn een minderheid die in Pakistan kunnen worden gediscrimineerd en vervolgd. De man heeft eerst in Oostenrijk asiel aangevraagd en vervolgens in Nederland. Daarom heeft de staatssecretaris zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen en is de staatssecretaris van plan om hem op grond van de Europese Dublinverordening over te dragen aan Oostenrijk. Volgens de man loopt hij in Oostenrijk een reëel risico op een onmenselijke behandeling, omdat de Oostenrijkse autoriteiten hem zullen uitzetten naar Pakistan waar hij voor vervolging vreest.

Indirect refoulement

De Dublinprocedure gaat over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag. Een verschil in asielbeleid tussen lidstaten kan tot gevolg hebben dat een vreemdeling in de ene lidstaat wel een asielvergunning krijgt en in de andere niet. In deze zaak gaat het over de vraag of de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een vreemdeling mag overdragen aan een andere lidstaat, als de vreemdeling vreest dat hij door die lidstaat uitgezet zal worden naar een land waar hij gevaar loopt. Als die vrees terecht is, is er sprake van indirect refoulement.

Arrest van Europees Hof

Op 30 november 2023 heeft het Europese Hof van Justitie in Luxemburg geoordeeld dat voor een toets op indirect refoulement als gevolg van het asielbeleid dat geldt in een lidstaat waarnaar de vreemdeling wordt overgedragen, binnen de Dublinprocedure geen ruimte is. Ook heeft het Europese Hof geoordeeld dat meningsverschillen tussen lidstaten wanneer een vreemdeling wel of niet in aanmerking komt voor asiel, niet relevant zijn voor de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van een asielaanvraag. Het oordeel van het Europese Hof leidt ertoe dat de Afdeling bestuursrechtspraak terugkomt van haar uitspraak van 6 juli 2022. Daarin oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de bestuursrechter verplicht is om wel te onderzoeken of een vreemdeling een risico loopt op indirect refoulement, als het beroep daartoe aanleiding geeft.

Gevolg van de uitspraak

In de uitspraak van vandaag oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat een vreemdeling in Nederland geen beroep meer kan doen op indirect refoulement in een Dublinprocedure. Als hij vreest voor ‘refoulement’, moet hij dat aanvoeren in de lidstaat die zijn asielaanvraag in behandeling neemt. Of hij moet in Nederland aantonen dat de asielprocedure in die andere lidstaat niet goed functioneert.


Lees hier de hele uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak met zaaknummer 202304791/1.