Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201108854/1/V3

Uitspraak 201108854/1/V3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:3370
Datum uitspraak
22 januari 2013
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 juli 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

​201108854/1/V3.
Datum uitspraak: 22 januari 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 4 augustus 2011 in zaak nr. 10/26024 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 augustus 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vier weken.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de beroepstermijn één week, indien, samengevat weergegeven, de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal dagen is afgewezen.

Uit de plaatsing in hoofdstuk 7 van de Vw 2000 volgt dat de in artikel 69, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, gestelde termijnen ook gelden voor het instellen van hoger beroep. Die bepalingen maken deel uit van afdeling 1 van dit hoofdstuk, houdende algemene bepalingen voor het aanwenden van rechtsmiddelen.

3. De in artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000, gestelde termijn van één week geldt ook, indien, zoals in dit geval, hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, die betrekking heeft op de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het aanmeldcentrum.

4. De aangevallen uitspraak is verzonden op 4 augustus 2011, zodat de termijn voor het instellen van hoger beroep ingevolge artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, is aangevangen op 5 augustus 2011 en is geëindigd op 11 augustus 2011.

De staatssecretaris heeft het hoger beroep bij op 12 augustus 2011 ingekomen brief, derhalve niet tijdig, ingesteld. Echter, aan de aangevallen uitspraak is een rechtsmiddelenvoorlichting toegevoegd, waarin een hoger-beroepstermijn van vier weken is vermeld. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 februari 2010 in zaak nr. 200907653/1/V3) volgt dat, nu de staatssecretaris het hoger beroep binnen die termijn van vier weken heeft ingesteld, anders dan de vreemdeling in zijn verweerschrift heeft betoogd, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de staatssecretaris in verzuim is geweest.

Grieven

5. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling met de medische rapportage van een GZ-psycholoog-psychotherapeut van 25 maart 2011 genoegzaam heeft onderbouwd dat zij na haar komst naar Nederland zo ernstig getraumatiseerd was, dat zij zich in de eerdere procedure niet heeft kunnen uiten over de gestelde verkrachtingen en dat derhalve sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

6. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

7. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

8. De vreemdeling heeft aan haar aanvraag van 14 juli 2010 onder meer ten grondslag gelegd dat zij in haar land van herkomst twee maal is verkracht. Volgens de vreemdeling heeft zij ten tijde van een eerdere asielaanvraag vanwege schaamte en uit angst overspoeld te raken door emoties niets over de verkrachtingen kunnen verklaren.

De gestelde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden vóór vertrek uit Burundi. Het was aan de vreemdeling om in de eerdere procedure op enigerlei wijze - hoe summier ook - gewag te maken van deze thans door haar naar voren gebrachte gebeurtenissen en van haar onvermogen daarover nader te verklaren.

De door de vreemdeling overgelegde brief van een GZ-psycholoog-psychotherapeut van 25 maart 2011 geeft, zoals de staatssecretaris in hoger beroep terecht opmerkt, geen concreet inzicht in de psychische gesteldheid van de vreemdeling ten tijde van de eerdere asielprocedure. De verklaring is onvoldoende om aannemelijk te achten dat de vreemdeling tijdens de eerste asielprocedure niet in staat was, hoe summier ook, over haar gestelde verkrachtingen te verklaren. Dit blijkt ook niet uit de rapporten van de in het kader van de eerdere asielprocedure afgenomen verhoren. Daarbij heeft de staatssecretaris terecht van belang geacht dat blijkens die rapporten aan de vreemdeling voorafgaand aan die gehoren is meegedeeld dat zij in vrijheid kan spreken, dat al het besprokene vertrouwelijk zal worden behandeld en dat het belangrijk is dat zij de waarheid spreekt en geen gegevens betreffende de asielaanvraag achterhoudt. Voorts blijkt uit het rapport van het tijdens die procedure afgenomen nader gehoor dat de vreemdeling tijdens dat gehoor desgevraagd heeft ontkend seksueel te zijn misbruikt en dat zij op de vraag of zij het zou durven zeggen als dit anders was, heeft geantwoord dat er niets is gebeurd. Ook heeft zij blijkens het rapport aan het einde van dat gehoor verklaard dat zij alles wat voor de beoordeling van haar verzoek van belang kan zijn heeft verteld, dat zij voldoende gelegenheid heeft gehad haar verhaal te doen en dat zij de waarheid heeft gesproken. Dat een gebrek aan vertrouwen in de IND de vreemdeling ervan zou hebben weerhouden eerder over deze gebeurtenissen te verklaren, kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank heeft de verklaring van de vreemdeling dat zij vóór haar vertrek uit Burundi is verkracht derhalve ten onrechte aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De grief slaagt.

9. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 22 juli 2010 geen plaats.

10. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De andere grief behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling op grond van het hiervoor overwogene alsnog ongegrond verklaren.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 4 augustus 2011 in zaak nr. 10/26024;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Roosmalen
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013

53.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon