Uitspraak 201004708/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2012:905
- Datum uitspraak
- 22 juni 2012
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Nijverhei 2009" vastgesteld.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- RO - Noord-Brabant
Toon inhoud
201004708/1/R4.
Datum uitspraak: 22 juni 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, gevestigd te Rucphen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Rucphen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Nijverhei 2009" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2010, beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Zoetermeer, alsmede de raad, vertegenwoordigd door T.M.J. de Koster, A.A.M. Dirks en M.W.C. Gijzen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Bij tussenuitspraak van 25 januari 2012, nr. 201004708/1/T1/R4 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 11 februari 2010 te herstellen.
Na afloop van de gestelde termijn heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak onder 2.3 overwogen dat, voor zover het beroep van [appellant] en anderen is gericht tegen de definitie van bedrijfswoning, neergelegd in artikel 1, lid 1.14 van de planregels, het beroep niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Gelet hierop is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
2.2. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak overwogen dat het plan is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft de artikelen 3.5 en 3.6 van de planregels, waarin bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de vormen van opslag van goederen en materialen die op de gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn toegestaan.
2.3. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen om binnen 16 weken na verzending daarvan:
- met inachtneming van hetgeen onder 2.5.3 van de tussenuitspraak is overwogen, de in het plan in de artikelen 3.5 en 3.6 opgenomen regeling voor het gebruik van gronden met de bestemming "Bedrijf" ten behoeve van opslag van goederen en materialen zodanig te wijzigen, dat daaruit met voldoende mate van zekerheid blijkt welke vormen van opslag, op welke gedeelten van de betrokken gronden en tot welke hoogte op die gronden zijn toegestaan en welke vormen van opslag zijn verboden. Daarbij is tevens bepaald dat dient te worden verduidelijkt of ten behoeve van het gebruik voor opslag van de betrokken gronden van het plan kan worden afgeweken en zo ja, van welke regels en onder welke voorwaarden en dat de raad het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend dient te maken;
- de Afdeling de uitkomst mede te delen.
2.3.1. De raad heeft niet binnen de termijn van 16 weken een reactie op deze opdracht aan de Afdeling doen toekomen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van [appellant] en anderen is in zoverre gegrond, zodat het plan op dit punt dient te worden vernietigd.
2.4. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak onder 2.4.2 overwogen dat, gelet op de afstand van de grens van het bouwperceel van [appellant] en anderen tot het dichtstbijzijnde plandeel met de aanduiding bedrijfswoning en de ligging ten opzichte van een cluster bedrijfswoningen, de raad in redelijkheid ervan heeft kunnen afzien op het perceel van [appellant] in algemene zin bedrijven behorend tot de milieucategorie 3.2 toe te staan. Voorts heeft de Afdeling bij de tussenuitspraak overwogen dat de stelling van [appellant] en anderen dat op het perceel [locatie] in algemene zin bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2 zijn toegestaan, feitelijke grondslag mist. Gelet op het vorenstaande is het beroep in zoverre ongegrond.
2.5. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1 is overwogen, aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a en b, en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op te dragen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen.
Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling nog het volgende. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 september 2011, in zaak nr. 201107073/2/R3) staat het, in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat de raad ervoor kan kiezen het bestemmingsplan opnieuw vast te stellen zonder hieraan voorafgaand een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Gelet hierop zal de Afdeling een termijn stellen van vier weken.
Proceskosten
2.6. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in de naam der Koningin:
I. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de definitie van bedrijfswoning, neergelegd in artikel 1, lid 1.14 van de planregels niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;
III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Rucphen van 11 februari 2010, kenmerk 746.007941.00, voor zover het betreft artikel 3.5, lid 3.5.1 en lid 3.5.2 onderdeel c, alsmede voor zover het betreft artikel 3.6, lid 3.6.1, onderdelen c en d van de planregels;
IV. draagt de raad van de gemeente Rucphen op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen ten aanzien van de onder III. genoemde planonderdelen een nieuw besluit te nemen en dit bekend te maken;
V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
VI. veroordeelt de raad van de gemeente Rucphen tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
VII. gelast dat de raad van de gemeente Rucphen aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.
w.g. Van Sloten w.g. Oudenaarden
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2012
568-718.