Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.003382

Uitspraak BRS.26.003382

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6392
Datum uitspraak
3 november 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.003382
ECLI:NL:RVS:2026:6392
Datum uitspraak: 3 november 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 juni 2026 in zaak nr. NL25.40132 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 28 juli 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Flantua, advocaat in Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Appellant klaagt in grief 1 over het oordeel van de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant geen familie- en gezinsleven heeft met zijn moeder, referent, op grond van het jongvolwassenenbeleid. Zie dat beleid in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000, zoals dat gold ten tijde van het besluit op bezwaar.

1.1.        Eén van de vereisten in dat beleid is dat een jongvolwassene in gezinsverband met zijn ouder samenleeft. Als een jongvolwassene een periode niet met zijn ouder samenleeft, werpt de minister dit vereiste toch niet aan hem tegen als de jongvolwassene noodgedwongen van zijn ouder was gescheiden en die scheiding niet te lang heeft voortgeduurd. Vergelijk de uitleg die de minister eerder aan dit vereiste heeft gegeven in WI 2020/16, p. 12, en WI 2026/3, p. 9, onder ad. B. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:215, onder 8.7, kan de minister ook aan een jongvolwassene tegenwerpen dat een contra-indicatie bestaat om familie- en gezinsleven op grond van het jongvolwassenenbeleid aan te nemen.

1.2.        Appellant betoogt terecht dat de rechtbank had moeten onderkennen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom appellant niet voldoet aan het vereiste van in gezinsverband met zijn ouder samenleven of dat er een contra-indicatie bestaat. De minister heeft er terecht op gewezen dat de scheiding tussen appellant en referent lang heeft voortgeduurd, namelijk negen jaar ten tijde van het besluit op bezwaar. Appellant wijst er daarentegen terecht op dat de minister in zijn motivering ten onrechte niet is ingegaan op de vraag of de duur van die scheiding aan appellant toe te rekenen is, bijvoorbeeld door een meer vrijwillig karakter van de scheiding. De omstandigheden van het geval gaven de minister wel aanleiding om daarop in te gaan. Appellant heeft namelijk verklaard dat de duur van de scheiding samenhing met een ontvoering naar een priesteropleiding, burgeroorlog en detentie en de minister heeft dit niet weersproken. Ook gaat de minister niet in op de omstandigheid dat referent en appellant zich wel eerder wilden herenigen, maar het tussen hen verbroken contact dat een periode niet mogelijk maakte. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1417, onder 5.2, in een nareiszaak, kan een periode van geen contact een omstandigheid zijn die ertoe leidt dat een gezinsband verbroken is na een noodgedwongen scheiding, maar de Afdeling heeft daarbij wel relevant geacht of het gaat om een periode van geen contact zonder pogingen tot herstel van dat contact. De minister had de lange duur van de scheiding in samenhang moeten bezien met het karakter van het voortduren van die scheiding om deugdelijk te motiveren of en, zo ja, waarom hij zich op het standpunt stelt dat appellant niet voldoet aan het vereiste dat hij in gezinsverband met zijn ouder samenleeft of een contra-indicatie bestaat.

1.3.        Een ander vereiste in het jongvolwassenenbeleid is dat een jongvolwassene niet in zijn eigen onderhoud voorziet. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij voldoet aan dat vereiste. De minister heeft immers in zijn besluitvorming onderkend dat appellant niet in zijn eigen onderhoud voorziet. Uit het standpunt van de minister dat appellant in staat zou zijn om werk te vinden, volgt niet dat appellant wel in zijn eigen onderhoud voorziet.

1.4.        Grief 1 slaagt.

2.        Appellant klaagt in grief 2 over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase.

2.1.        Appellant voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister referent in de bezwaarfase had moeten horen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen geldt het uitgangspunt dat de minister een vreemdeling in bezwaar moet horen met name in zaken waarin de uitkomst van een beoordeling sterk afhangt van de omstandigheden van het geval (uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5). Gelet op wat appellant in bezwaar heeft aangevoerd over de redenen waarom hij vanaf 2016 niet met referent heeft samengewoond en een periode geen contact met haar heeft gehad, heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over het antwoord op de vraag of het bezwaar van appellant kon leiden tot een wijziging van het standpunt van de minister in het besluit van 15 oktober 2024. Daar komt bij dat appellant in zijn bezwaar uitdrukkelijk heeft verzocht om referent, als belanghebbende in deze procedure, over hun individuele omstandigheden te horen.

2.2.        Grief 2 slaagt.

3.        Omdat grieven 1 en 2 slagen, slaagt ook de door appellant aangevoerde grief 3 dat de rechtbank het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 28 juli 2025. Dit betekent dat de minister opnieuw een besluit op het bezwaar van appellant moet nemen. De minister zal voor een zorgvuldige voorbereiding van dat besluit alsnog referent moeten horen en zal alsnog deugdelijk moeten motiveren of tussen appellant en referent familie- en gezinsleven bestaat op grond van het jongvolwassenenbeleid of bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 juni 2026 in zaak nr. NL25.40132;

III.        verklaart het beroep gegrond;

IV.        vernietigt het besluit van 28 juli 2025, V-[…];

V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.        gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.

w.g. Ristra-Peeters
voorzitter

w.g. Jongeneel
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2026

958


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon