Uitspraak 202402425/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6492
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 november 2022 heeft de minister van Binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties besloten om de door [appellant] verzochte informatie niet openbaar te maken. De minister heeft besloten om de notitie op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo maar voor een deel openbaar te maken en openbaarmaking van bepaalde passages dus achterwege te laten. Volgens de minister wegen de economische en financiële belangen van de Staat zwaarder dan het belang van openbaarmaking van die passages. Daarvoor is van belang dat de taxatiewaarde en de onderbouwing daarvan inzicht geven in de gehanteerde taxatiesystematiek en daarmee in de taxaties van ander vastgoed in eigendom van de Staat. De economische en financiële belangen van de Staat kunnen worden geschaad als de taxatiewaarde en de onderbouwing daarvan openbaar zou worden, omdat andere marktpartijen dan weten welke afwegingskaders aan de taxatiewaarde ten grondslag liggen. Die marktpartijen kunnen die informatie bij onderhandelingen in hun voordeel gebruiken. Inzicht in het verschil tussen een taxatie- en markt-/verkoopwaarde geeft immers inzicht in de onderhandelingsruimte en -tactieken van de Staat. Dat de informatie inmiddels ouder dan vijf jaar is, leidt niet tot een andere afweging. De taxatiesystematiek wordt namelijk nog steeds toegepast bij andere vastgoedobjecten in eigendom van de Staat.
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
202402425/1/A3.
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2024 in zaak nr. 23/1572 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Procesverloop
Bij besluit van 11 november 2022 heeft de minister besloten om de door [appellant] verzochte informatie niet openbaar te maken.
Bij besluit van 23 februari 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 februari 2023 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting op 7 september 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door J.H. Sanders, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. H.H.B. Hartkamp, mr. M. Forrer en M. van den Boogaart, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De directie Transacties en Projecten van het Rijksvastgoedbedrijf heeft op 31 mei 2017 in een notitie met nr. 4010000419 verslag gedaan van een door onderzoeks- en adviesbureau Ecorys opgesteld taxatierapport over de marktwaarde van Landgoed Paleis Soestdijk. [appellant] heeft op 13 oktober 2022 verzocht om deze notitie met de daarin opgenomen bedragen op grond van de Wet open overheid (Woo) openbaar te maken.
Wat heeft de minister besloten?
2. De minister heeft besloten om de notitie op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo maar voor een deel openbaar te maken en openbaarmaking van bepaalde passages dus achterwege te laten. Volgens de minister wegen de economische en financiële belangen van de Staat zwaarder dan het belang van openbaarmaking van die passages. Daarvoor is van belang dat de taxatiewaarde en de onderbouwing daarvan inzicht geven in de gehanteerde taxatiesystematiek en daarmee in de taxaties van ander vastgoed in eigendom van de Staat. De economische en financiële belangen van de Staat kunnen worden geschaad als de taxatiewaarde en de onderbouwing daarvan openbaar zou worden, omdat andere marktpartijen dan weten welke afwegingskaders aan de taxatiewaarde ten grondslag liggen. Die marktpartijen kunnen die informatie bij onderhandelingen in hun voordeel gebruiken. Inzicht in het verschil tussen een taxatie- en markt-/verkoopwaarde geeft immers inzicht in de onderhandelingsruimte en -tactieken van de Staat. Dat de informatie inmiddels ouder dan vijf jaar is, leidt niet tot een andere afweging. De taxatiesystematiek wordt namelijk nog steeds toegepast bij andere vastgoedobjecten in eigendom van de Staat. Verder is Landgoed Paleis Soestdijk weliswaar een uniek vastgoedobject, maar de gehanteerde taxatiesystematiek is niet anders dan bij andere vastgoedobjecten, aldus de minister.
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
3. De rechtbank is het met de minister eens dat het openbaar maken van de gevraagde informatie de economische en financiële belangen van de Staat kan schaden, ook al is de informatie ouder dan vijf jaar. Maar de door de minister gemaakte belangenafweging is volgens de rechtbank onvoldoende. De minister heeft het belang van democratisch toezicht en controle niet kenbaar afgewogen tegen het belang van geheimhouding. Het besluit is daarom niet goed gemotiveerd. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft de minister alsnog een motivering gegeven en toegelicht hoe het verkoopproces is gegaan, waarbij hij heeft verwezen naar kamerstukken (Kamerstukken II 2015/16, 34 300-XVIII, nr. 47 en 49). Er was een stuurgroep waarin onder meer gemeentelijke leden zaten die de gemeenteraden informeerden. De minister heeft toegelicht dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn volledig is geïnformeerd over de verkoop en de daarbij gehanteerde markt-/verkoopwaarde. Volgens de rechtbank was er tijdens het verkoopproces dus democratisch toezicht en controle. Gelet daarop heeft de minister de economische en financiële belangen van de staat zwaarder mogen laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Vanwege het motiveringsgebrek heeft de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten gelet op de later gegeven toereikende motivering.
Waarom is [appellant] het niet met de rechtbank eens?
4. Zoals [appellant] tijdens de zitting heeft toegelicht, gaat het hem in hoger beroep alleen nog om openbaarmaking van de in de notitie vermelde taxatiewaarde. Hij is het om meerdere redenen niet met de rechtbank eens.
4.1. Ten eerste is de door de minister tijdens de zitting bij de rechtbank gegeven motivering over het democratisch toezicht niet juist. Uit die toelichting blijkt volgens de rechtbank dat er sprake was van democratisch toezicht. [appellant] heeft gewezen op een ander Woo-besluit van 23 april 2024, waarin het college schrijft dat de gemeente geen documenten kan aanleveren over de taxatiewaarde omdat het daarover niet beschikt. Wel was de gemeente op de hoogte van de verkoopprijs. Het college schrijft dat het wil benadrukken dat het teleurstellend is dat de verwachting is ontstaan dat de gemeente over de gevraagde informatie over de taxatiewaarde beschikt, terwijl dat niet zo is. Volgens [appellant] blijkt daaruit niet van democratisch toezicht en controle. De minister heeft tijdens de zitting bij de rechtbank daarentegen juist gezegd dat de taxatiewaarde bij het college bekend was en de rechtbank heeft daar - ten onrechte - doorslaggevende betekenis aan gegeven. In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft de minister ook erkend dat de taxatiewaarde nooit met de gemeente is gedeeld. De rechtbank gaat er daarnaast vanuit dat het college geïnformeerd is, maar gaat er daarmee aan voorbij dat niet gezegd is dat dan ook de gemeenteraad wordt geïnformeerd.
4.2. Ten tweede heeft de minister niet werkelijk een concreet gewicht toegekend aan het belang van openbaarheid. De minister heeft geen oog gehad voor het feit dat burgers is onthouden voor hoeveel het nationaal bezit van Paleis Soestdijk van de hand werd gedaan aan een particuliere commerciële onderneming. Daarnaast zou kennisneming van de taxatiewaarde van belang zijn voor de raad, omdat de raad als bevoegd bestuur de ruimtelijke kaders voor de herontwikkeling op een zorgvuldige manier moet vaststellen. Verder behoort ook het belang van vertrouwen in de integriteit van de overheid en haar ambtsdragers tot een belang dat gediend wordt met openbaarmaking. Door de taxatiewaarde zoveel jaar na dato nog geheim te houden, wekt de minister de schijn dat er iets te verbergen valt. Dit is ook niet in overeenstemming met het feit dat de Woo ervan uitgaat dat bestuursorganen terughoudend moeten zijn met het inroepen van uitzonderingsgronden. Door deze punten niet in de besluitvorming te betrekken, heeft de minister onzorgvuldig gehandeld. Daar komt bij dat de informatie ouder is dan vijf jaar en dat op grond van artikel 5.3 van de Woo een verzwaarde motiveringsplicht geldt waarom de desbetreffende informatie niet openbaar gemaakt kan worden. [appellant] heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2982), onder 12 tot en met 12.2. De Afdeling oordeelde in die zaak dat een bestuursorgaan specifiek moet aanduiden welk soort informatie de toekomstige onderhandelingspositie kan schaden. De enkele verwijzing naar het regelmatig sluiten van contracten was in die zaak onvoldoende.
4.3. Ten derde kunnen vraagtekens gezet worden bij het belang van de onderhandelingsruimte en -tactieken. In iedere taxatie kunnen zowel waardeverhogende als waardeverlagende elementen worden meegewogen, zodat het uitgesloten lijkt om vanuit de taxatiewaarde de taxatiemethodiek te kunnen destilleren. Verder wordt de onderhandelingsruimte in dit geval niet bekend. De verkoopprijs werd alleen bepaald door de vraag welke van de geïnteresseerde partijen het hoogste bod deed. De vraag of het geboden bedrag binnen de grenzen van de onderhandelingsruimte lag, was dus niet aan de orde. [appellant] wijst er daarbij op dat andere vastgoedverkopende partijen wel open zijn over hun taxatiemethode. Meer openheid kan mogelijk ook bijdragen aan de naam van het Rijksvastgoedbedrijf in de markt als geloofwaardige contractspartner. In de Aanpak transformatie rijksvastgoed wordt dit belang door het Rijksvastgoedbedrijf ook genoemd.
Beoordeling van het hoger beroep
Mag de minister openbaarmaking van de taxatiewaarde weigeren?
5. De minister heeft in dit geval een zwaarder gewicht mogen toekennen aan de bescherming van de economische en financiële belangen van de Staat dan aan het publieke belang van openbaarheid. Dat betekent dat de minister de taxatiewaarde niet openbaar hoeft te maken. Daarvoor is het volgende van belang.
5.1. Bij de overheid berustende informatie is in beginsel openbaar, tenzij zwaarwegende belangen als bedoeld in artikel 5.1 en 5.2 van de Woo zich tegen openbaarmaking verzetten. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo bepaalt dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische en financiële belangen van de Staat.
5.2. Uitgangspunt is dat het recht op openbaarmaking uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. In geval een verzoek om informatie een afweging van belangen vereist, wordt het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie afgewogen tegen de door de weigeringsgronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke of persoonlijke belang van de verzoeker. Het specifieke of persoonlijke belang van de verzoeker om informatie is dan ook niet relevant voor de vraag of een bestuursorgaan verplicht is een verzoek om openbaarmaking in te willigen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1567), onder 5.1. Wat [appellant] in dit kader weergegeven onder 4.1 en voor een deel onder 4.2 heeft aangevoerd, schaart de Afdeling onder het algemene publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering. Dit is een opzichzelfstaand belang dat geen nadere onderbouwing vereist. Het uitgangspunt van de Woo dat er een recht op toegang tot informatie bestaat, dient in de belangenafweging zwaar te wegen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5772), onder 12.1. Dit behoeft geen nadere onderbouwing.
5.3. De minister heeft tijdens de zitting bij de Afdeling toegelicht hoe de taxatiewaarde van Landgoed Paleis Soestdijk tot stand is gekomen. Bij het taxeren wordt gewerkt met kengetallen over bijvoorbeeld de oppervlakte, de staat van een gebouw en de bestemming. Die kengetallen worden ingevoerd in een taxatiemodel, waarmee het landgoed wordt getaxeerd. Derden kunnen op dezelfde manier het landgoed (laten) taxeren, omdat de kengetallen openbare informatie zijn, die onder andere in het openbare biedboek staan. Er is echter een belangrijk verschil met zo’n standaard taxatie. De door de Staat vastgestelde taxatiewaarde komt tot stand nadat aanvullend interne toetsingswaarden bij het taxeren meegenomen zijn. Een van de aspecten waar de Staat bijvoorbeeld naar kijkt, zijn de onderhoudskosten voor het landgoed, die in de miljoenen lopen. Op basis van dergelijke informatie komt daar uiteindelijk een (definitieve) taxatiewaarde uit, die voor de Staat de minimumwaarde - de ondergrens - is waarvoor hij wil gunnen. Er is dus een verschil tussen door derden op basis van openbare informatie opgestelde taxaties en de door de Staat vastgestelde taxatiewaarde. Als de door de Staat vastgestelde taxatiewaarde openbaar gemaakt zou worden, is het verschil met de door derden vast te stellen taxatiewaarde inzichtelijk. Daaruit blijkt - in ieder geval voor een deel - wat de verkoopstrategie van de Staat is en hoeveel de Staat bereid is om te zakken bij dergelijke transacties. Openbaarmaking van de taxatiewaarde geeft dus gedeeltelijk inzicht in het interne afwegingskader van de Staat en dat schaadt de economische en financiële belangen van de Staat bij toekomstige transacties. Marktpartijen kunnen bij toekomstige transacties dan immers anticiperen door hun bod af te stemmen op de waarde waartegen de Staat een object wil gunnen. De minister heeft er daarbij op gewezen dat de Staat meer objecten met een bijzonder karakter heeft waarvoor hetzelfde interne afwegingskader geldt. Dat het object uniek is, maakt daarom niet dat de informatie niet voor kopers van andere objecten relevant kan zijn. Hoewel het belang van openbaarmaking zwaar weegt, heeft de minister zich gelet op het voorgaande op het standpunt mogen stellen dat dat belang in dit geval niet opweegt tegen de economische en financiële belangen van de Staat. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo openbaarmaking van de taxatiewaarde heeft mogen weigeren. De verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 leidt niet tot een ander oordeel, omdat anders dan in die zaak de minister uitvoerig heeft gemotiveerd waarom openbaarmaking van de taxatiewaarde de economische en financiële belangen van de Staat kan schaden bij toekomstige transacties.
5.4. In artikel 5.3 van de Woo staat dat het bestuursorgaan bij een weigering van een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar, motiveert waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid. De notitie dateert van 31 mei 2017 en is dus ouder dan vijf jaar. Zoals hiervoor onder 5.3 al aan orde is gekomen, heeft de minister toegelicht dat openbaarmaking van de gevraagde informatie inzicht geeft in de taxatiesystematiek en in de verkoopstrategie van het Rijksvastgoedbedrijf. Die systematiek en strategie zijn niet veranderd en worden dus nog steeds gehanteerd. Daarnaast is het mogelijk om bedragen te indexeren en terug te rekenen, zodat marktpartijen met die informatie nog steeds hun voordeel kunnen doen bij toekomstige transacties. Er is daarom nog steeds een belang om deze informatie niet openbaar te maken. De minister heeft hiermee voldoende gemotiveerd waarom openbaarmaking van de gevraagde informatie achterwege moet blijven ondanks dat er inmiddels meer dan vijf jaar is verstreken. Dat andere partijen wel open zijn over hun taxatiemethode, zoals [appellant] stelt, neemt het hiervoor genoemde risico niet weg.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, voor zover aangevallen.
Proceskosten
7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
960
Verzoek om informatie over taxatiewaarde van Landgoed Paleis Soestdijk
Uitspraak over het verzoek van een inwoner van Baarn aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het gaat om een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid. Landgoed Paleis Soestdijk werd in 2017 getaxeerd op verzoek van het Rijksvastgoedbedrijf. Een onderzoeks- en adviesbureau heeft een taxatierapport opgesteld over de marktwaarde van Landgoed Paleis Soestdijk. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft in een notitie verslag gedaan van dit taxatierapport. De man wil dat de minister deze notitie openbaar maakt. Het gaat hem in het bijzonder om de daarin vermelde financiële bedragen. De minister heeft besloten bepaalde passages uit de notitie niet openbaar te maken, omdat de economische en financiële belangen van de Staat zwaarder zouden wegen dan het belang dat met openbaarmaking is gediend. Als de passages uit de notitie wel openbaar gemaakt zouden worden, wordt daarmee inzicht gegeven in de taxatiesystematiek en daarmee ook in taxaties van ander vastgoedeigendom van de Staat, aldus de minister. Marktpartijen kunnen deze informatie dan bij onderhandelingen in hun voordeel gebruiken. De rechtbank Midden-Nederland bepaalde eerder dat het besluit van de minister in stand kon blijven. De man laat het er niet bij zitten en is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Het gaat hem in hoger beroep alleen nog om de openbaarmaking van de taxatiewaarde die in de notitie staat vermeld. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 7 september 2026 op zitting behandeld.