Uitspraak 202404590/1/R3
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland door [appellant sub 1] ingediende verzoek om handhavend op te treden tegen onder meer rookoverlast door het gebruik van houtkachels op het adres [locatie 1] in Maasdijk afgewezen. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [appellant sub 1] met betrekking tot het gebruik van houtkachels, en zijn tegen de afwijzing van dat verzoek gemaakte bezwaar, hebben toezichthouders in de periode van 25 juli 2018 tot en met 1 februari 2019 vijf controles uitgevoerd op het perceel [locatie 1]. Deze controles vonden hoofdzakelijk plaats doordeweeks overdag. Daarbij is geen rekening gehouden met het feit dat door [appellant sub 1] is aangegeven dat de geuroverlast met name wordt waargenomen aan het eind van de werkdag en in het weekeinde. De Afdeling ziet geen grond om aan de juistheid van die mededeling van [appellant sub 1] te twijfelen, mede omdat dit niet door andere partijen is betwist. Bij geen van de controles is geconstateerd dat de kachels waar [appellant sub 1] van stelt hinder te ondervinden, in gebruik waren.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
Afwijzing van verzoek om op te treden tegen gebruik van houtkachels in Maasdijk
Uitspraak over de afwijzing van het college van burgemeester en wethouders van Westland van het verzoek om handhavend op te treden tegen rookoverlast door het gebruik van houtkachels in Maasdijk. Het gaat om twee buren. De ene buur heeft twee houtkachels, één in de woning en één in een bijgebouw. De pijp van de kachel in de woning bevindt zich op het dak van de woning. De pijp van de kachel in het bijgebouw bevindt zich op het dak van het bijgebouw. De andere buur zegt hinder te hebben van het stoken van de houtkachels. Hij heeft het college van B&W verzocht om daartegen op te treden. Volgens het college van B&W is geen sprake is van ‘overmatige hinder’ zoals dat is omschreven in het Bouwbesluit, zodat volgens hem geen sprake is van een overtreding waartegen kan worden opgetreden. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 2 september 2026 op zitting behandeld.