Uitspraak BRS.26.004694
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5986
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 november 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, verzoeker laten weten dat op hem een vertrekplicht rust en hem in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.004694
ECLI:NL:RVS:2026:5986
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 september 2026 in zaak nr. NL24.46165 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 november 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, verzoeker laten weten dat op hem een vertrekplicht rust en hem in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd.
Bij uitspraak van 7 september 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2. Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. De voorzieningenrechter ziet daartoe alleen al aanleiding, omdat de minister heeft bepaald dat verzoeker op grond van artikel 61 van de Vw 2000 een vertrekverplichting heeft, zonder daarbij een land van terugkeer te noemen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5198, onder 11.2 en 11.3, volgt dat het opleggen van een dergelijke nationaalrechtelijke vertrekverplichting in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. Hoewel de minister geen terugkeerbesluit heeft genomen, treft de voorzieningenrechter daarom en gelet op de aangevoerde belangen een voorlopige voorziening.
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat op verzoeker geen vertrekplicht rust, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. Stoové
voorzieningenrechter
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026
967