Uitspraak 202205665/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5833
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
202205665/1/V3.
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 september 2022 in zaak nr. NL22.17410 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 21 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft op verzoek van de Afdeling daarop gereageerd.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Griekse nationaliteit. De minister heeft bij besluit van 13 april 2022 zijn verblijfsrecht in Nederland beëindigd en bepaald dat hij Nederland moet verlaten. Voorafgaand aan de inbewaringstelling van 27 augustus 2022 is appellant strafrechtelijk gedetineerd. Hij heeft van 17 augustus 2022 tot en met 27 augustus 2022 op strafrechtelijke titels vastgezeten. De daaropvolgende vreemdelingenrechtelijke bewaring is met ingang van 22 september 2022 opgeheven, omdat de minister appellant toen heeft verwijderd naar Griekenland.
1.1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Standpunten van partijen
2. Appellant betoogt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister in zijn geval geen inspanningsverplichting had om te voorkomen dat appellant na de strafrechtelijke detentie in bewaring zou worden gesteld (paragraaf A5/6.12 van de Vc 2000). De rechtbank heeft volgens hem niet onderkend dat hij in vervangende hechtenis heeft gezeten, waardoor vanaf het moment van de executie al vaststond wanneer de strafrechtelijke detentie zou eindigen. Verder betoogt hij dat er tijdens de strafrechtelijke detentie al een paspoort van hem klaarlag op de Griekse ambassade in Nederland. Daarmee had appellant al voorafgaand aan de bewaring naar Griekenland verwijderd kunnen worden. Bovendien heeft de minister vanaf de inbewaringstelling onvoldoende voortvarend gehandeld door niet onmiddellijk met hem het paspoort op de ambassade op te halen en het traject in te zetten om hem naar Griekenland te verwijderen.
2.1. De minister stelt zich op het standpunt dat appellant op 17 augustus 2022 strafrechtelijk is aangehouden wegens een openstaande signalering. Daaruit blijkt dat appellant nog voor drie openstaande vonnissen gevangenisstraffen moest uitzitten. Uit de registratiekaart blijkt dat de strafrechtelijke executie van deze vonnissen van 17 augustus 2022 tot en met 27 augustus 2022 heeft geduurd. Dat hij tijdens deze periode geen voorbereidingshandelingen ter voorkoming van een vreemdelingenrechtelijke bewaring heeft verricht, is volgens de minister in dit geval in overeenstemming met B.1.2 van de Ketenprocesbeschrijving Vreemdeling in de Strafrechtketen (VRIS) van februari 2023.
Beoordeling
3. In het geval van appellant gaat het om een korte strafrechtelijke detentie als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5411, onder 8.9 en 8.10. Uit dezelfde uitspraak volgt dat de minister in een situatie zoals die van appellant een inspanningsverplichting heeft vanaf de dag waarop feitelijk de executie van de nog openstaande vonnissen is aangevangen. Die verplichting houdt in dat de minister uiterlijk op de zevende werkdag na de dag waarop feitelijk de executie van de vonnissen is aangevangen een eerste voorbereidingshandeling verricht. Deze termijn liep in het geval van appellant tot en met 26 augustus 2022. De minister heeft appellant op 27 augustus 2022 in bewaring gesteld. Omdat de minister voorafgaand aan de inbewaringstelling binnen de termijn van acht werkdagen geen voorbereidingshandelingen heeft verricht, heeft hij zijn inspanningsverplichting geschonden.
3.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5412, onder 4.1, volgt dat er ruimte is voor een belangenafweging. In dezelfde uitspraak heeft de Afdeling onder 4.2 en verder uitgelegd welke aspecten kenbaar in de belangenafweging betrokken kunnen worden. De Afdeling komt tot het oordeel dat het belang van appellant prevaleert boven het belang van de minister bij een bewaring gericht op het kunnen uitzetten van appellant. Zij licht dat hierna toe.
3.1.1. De duur van de schending is in het geval van appellant relatief beperkt, namelijk één dag. Bij een beperkte duur van een schending van de inspanningsverplichting kunnen bepaalde aspecten meewegen waardoor het belang van de minister bij een uitzetting, verwijdering of overdracht van een vreemdeling vanuit bewaring zwaarder weegt dan het belang van een vreemdeling om niet in bewaring te worden gesteld. De Afdeling verwijst voor deze aspecten naar de onder 3.1 genoemde uitspraak van 16 september 2026, onder 4.6.
3.1.2. In dit geval zijn zulke aspecten niet aan de orde. De minister is er namelijk niet in geslaagd om appellant, een Unieburger, op korte termijn naar Griekenland te verwijderen. Hij heeft appellant pas op 22 september 2022 verwijderd naar Griekenland. Appellant zat toen al bijna een maand in bewaring. Bovendien heeft appellant niet voor vertraging van zijn vertrek naar Griekenland gezorgd. Integendeel, hij had voorafgaand aan de bewaring zelf al een Grieks paspoort aangevraagd. Op het moment van de inbewaringstelling was het nog niet duidelijk of het Griekse consulaat in Den Haag dit paspoort al had ontvangen. De minister heeft op het moment van de inbewaringstelling hierover geen navraag gedaan. Appellant heeft vervolgens tijdens de bewaring meegewerkt aan zijn presentatie bij de Griekse autoriteiten.
3.1.3. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister vanaf de inbewaringstelling met de daadwerkelijke handelingen gericht op verwijdering van appellant in het licht van de schending van de inspanningsverplichting onvoldoende voortvarend gehandeld. Gelet op de aanvraag van appellant voor een Grieks paspoort had de minister relatief eenvoudig en sneller navraag kunnen doen bij de Griekse autoriteiten. Het samenstel van de handelingen van de minister tijdens de bewaring, namelijk dat hij op de vierde dag van de bewaring een e-mail heeft verstuurd naar het Griekse consulaat in Den Haag, op de vijfde dag van de bewaring een vertrekgesprek met appellant heeft gehouden en appellant pas op 13 september 2022 - de achttiende dag van de bewaring - bij het Griekse consulaat heeft gepresenteerd, maakt dat het belang van appellant bij de vaststelling van een onrechtmatige bewaring zwaarder weegt dan de belangen van de minister bij de bewaring van appellant met het oog op verwijdering naar Griekenland. De minister heeft ook niet gemotiveerd waarom dit tijdsverloop zo lang is. Als de minister met de hiervoor genoemde handelingen een aanvang had gemaakt tijdens de periode van de strafrechtelijke detentie waarin hij een inspanningsverplichting had, of als hij sneller vanaf de inbewaringstelling had gehandeld, had de bewaring aanzienlijk korter kunnen duren.
3.2. De grief slaagt.
3.3. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig om wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 september 2022 in zaak nr. NL22.17410;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 2.700,00 over de periode van 27 augustus 2022 tot en met 22 september 2022, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026
922