Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.001380

Uitspraak BRS.25.001380

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5819
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.001380
ECLI:NL:RVS:2026:5819

Datum uitspraak: 2 oktober 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 september 2025 in zaak nr. NL25.24290 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 19 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G. van Reemst, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.        Appellant, geboren op 2 februari 2009, heeft de Ethiopische nationaliteit en behoort tot de Oromo-bevolkingsgroep. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor problemen met de Ethiopische autoriteiten bij terugkeer, omdat hij tegen de overheid is en het Oromia Liberation Army (OLA) ondersteunt. Daarnaast vreest appellant voor gedwongen rekrutering door het Ethiopische leger. De minister heeft geloofwaardig geacht dat appellant in Nederland heeft deelgenomen aan een demonstratie van het OLA en bijeenkomsten voor Oromo heeft bijgewoond. Volgens de minister valt appellant als sympathisant van het OLA weliswaar onder het risicoprofiel van OLA-aanhangers, maar heeft hij zijn vrees vanwege zijn politieke activiteiten voor het OLA niet aannemelijk gemaakt. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de regio Bale in Oromia, waar appellant vandaan komt, stelselmatig gedwongen rekrutering plaatsvindt.

1.1.        De rechtbank heeft overwogen dat de minister het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd, omdat hij zich daarin in strijd met vaste rechtspraak van de Afdeling op het standpunt heeft gesteld dat van appellant verwacht mag worden dat hij zich bij terugkeer naar Ethiopië terughoudend opstelt om problemen door zijn politieke overtuiging te voorkomen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1970 onder 4.2. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarnaast bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, omdat de minister met de ter zitting gegeven toelichting alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer voor vervolging heeft te vrezen vanwege zijn politieke opvattingen.

Grief 1

2.        Wat appellant in zijn eerste grief aanvoert, over het door de rechtbank gevolgde standpunt van de minister dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zijn of zijn geweest van zijn activiteiten en politieke overtuiging en ook niet dat hij een sterke politieke overtuiging heeft ontwikkeld, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Grief 2

3.        Appellant klaagt in zijn tweede grief terecht dat de rechtbank in de nadere motivering die de minister ter zitting gegeven heeft, ten onrechte aanleiding heeft gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

3.1.        Ter zitting bij de rechtbank heeft de minister erkend dat van appellant niet mag worden gevraagd dat hij zich in de uiting van zijn politieke overtuiging bij terugkeer in Ethiopië terughoudend opstelt om problemen te voorkomen. Hij heeft zich wel op het standpunt gesteld dat hij, gelet op de intensiteit van de activiteiten die appellant in Nederland heeft verricht, verwacht dat appellant zich niet zal uiten op een manier die tot vervolging zal leiden. De minister heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant weliswaar heeft verklaard dat hij zich bij terugkeer in Ethiopië wil aansluiten bij het OLA, maar dat zijn activiteiten voor het OLA in Nederland niet tot negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten hebben geleid.

4.        Appellant betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister dit nadere standpunt niet heeft gebaseerd op een beoordeling die in overeenstemming is met het Informatiebericht 2024/10 (IB 2024/10) en de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63. De minister heeft daarbij immers niet betrokken welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten appellant bij terugkeer stelt te willen verrichten, of hoe hij die overtuiging zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. De minister heeft appellant hierover, ook in strijd met het IB 2024/10, niet bevraagd tijdens het nader gehoor. De minister is daarmee in algemeenheden blijven steken.

4.1.        Omdat de minister niet zorgvuldig heeft onderzocht welke politieke activiteiten appellant bij terugkeer wil verrichten en in hoeverre dit hem in de negatieve aandacht kan brengen, berust het besluit niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4.2.        De tweede grief slaagt.

Grief 3

5.        Appellant klaagt in zijn derde grief terecht dat de rechtbank de minister niet had mogen volgen op het punt dat hij zich heeft aangesloten bij het meest recente algemeen ambtsbericht Ethiopië van 31 januari 2024 (het ambtsbericht). Daaruit concludeert de minister dat geen sprake is van stelselmatige rekruteringen door het federale leger in de regio Bale, en dat uit de stukken die dateren van ná het ambtsbericht niet blijkt dat dit stelselmatig wel in die regio gebeurt.

5.1.        Appellant betoogt allereerst terecht dat de minister de bronnen die dateren van vóór het ambtsbericht niet buiten zijn beoordeling mocht laten voor zover het gaat om bronnen met een datum die valt binnen de verslagperiode van het ambtsbericht. Die periode loopt van december 2022 tot en met december 2023. Zo heeft appellant in de zienswijze een beroep gedaan op de Concluding observations on the second periodic report of Ethiopia van 7 juni 2023. Het VN-Comité tegen Marteling uit daarin zijn zorgen over meldingen dat kinderen sinds november 2020 in toenemende mate worden blootgesteld aan ernstige en systematische schendingen van mensenrechten, waaronder het rekruteren van kindsoldaten, door alle partijen in het conflict in Tigray, Amhara, Afar en Oromia.

5.2.        Appellant betoogt verder terecht dat de rechtbank had moeten overwegen dat de bronnen die dateren van ná het ambtsbericht vermelden dat gedwongen rekrutering structureel plaatsvindt in het gebied van herkomst van appellant, namelijk de regio Bale in Oromia. De rechtbank heeft onbetwist overwogen dat uit die bronnen blijkt dat jongeren in Oromia worden gerekruteerd. Anders dan waarvan de rechtbank lijkt uit te gaan, blijkt niet dat de regio Bale hiervan is uitgezonderd. De rechtbank had moeten onderkennen dat de minister zich zonder nadere motivering niet op het standpunt heeft mogen stellen dat appellant zijn vrees hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt.

5.3.        De derde grief slaagt.

6.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

Conclusie

7.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 23 mei 2025 in stand blijven. Omdat de minister opnieuw een besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

I.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 september 2025 in zaak nr. NL25.24290 voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 23 mei 2025 in stand blijven;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Ristra-Peeters
voorzitter

w.g. Prins
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026

363-1169


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon