Uitspraak 202602121/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5752
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het verzoek van MOB en Leefmilieu tot intrekking van de natuurvergunning van, dan wel het opleggen van een verplichting aan, [partij] afgewezen. In de uitspraak van 13 maart 2026 heeft de Afdeling het beroep van MOB en Leefmilieu, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college, gegrond verklaard. Verder heeft zij het college opgedragen uiterlijk op 10 juli 2026 een nieuw besluit te nemen op het verzoek van MOB en Leefmilieu en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Daarbij heeft de Afdeling bepaald dat het college een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het de door de Afdeling gestelde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom is gesteld op € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00. MOB en Leefmilieu betogen dat het college niet heeft voldaan aan de uitspraak van 13 maart 2026 en verzoeken de Afdeling hun beroep daarom gegrond te verklaren. MOB en Leefmilieu verzoeken de Afdeling ook het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit te vernietigen en een maatregel te treffen die bevordert dat het besluit alsnog zo spoedig mogelijk genomen wordt, zoals een voldoende stimulerend dwangsombedrag.
- Vereenvoudigde behandeling
- Natuurbescherming
Toon inhoud
202602121/1/R2.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (MOB) en vereniging Leefmilieu (Leefmilieu), beide gevestigd in Nijmegen,
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft het college het verzoek van MOB en Leefmilieu tot intrekking van de natuurvergunning van, dan wel het opleggen van een verplichting aan, [partij] afgewezen.
Bij uitspraak van 16 april 2025, in zaak nr. 23/3125, heeft de rechtbank Oost-Brabant het daartegen door MOB en Leefmilieu ingestelde beroep gegrond verklaard, heeft zij het besluit van 24 oktober 2023 vernietigd en is het college opgedragen binnen 26 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het verzoek van MOB en Leefmilieu.
Tegen deze uitspraak hebben het college en [partij] hoger beroep ingesteld en hebben MOB en Leefmilieu incidenteel hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft deze procedure geregistreerd onder zaak nr. 202502981/1/R2.
Bij uitspraak van 13 maart 2026, in zaak nr. 202600418/1/R2, heeft de Afdeling het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en het college opgedragen om uiterlijk op 10 juli 2026 een nieuw besluit te nemen op het verzoek van MOB en Leefmilieu en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.
MOB en Leefmilieu hebben na het verstrijken van de datum van 10 juli 2026 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
Wettelijk kader/overgangsrecht
1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een natuurvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om de natuurvergunning in te trekken is ingediend op 28 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3. In de uitspraak van 13 maart 2026 heeft de Afdeling het beroep van MOB en Leefmilieu, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college, gegrond verklaard. Verder heeft zij het college opgedragen uiterlijk op 10 juli 2026 een nieuw besluit te nemen op het verzoek van MOB en Leefmilieu en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Daarbij heeft de Afdeling bepaald dat het college een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het de door de Afdeling gestelde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom is gesteld op € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00.
De gronden van het beroep en het verweer daartegen
4. MOB en Leefmilieu betogen dat het college niet heeft voldaan aan de uitspraak van 13 maart 2026 en verzoeken de Afdeling hun beroep daarom gegrond te verklaren. MOB en Leefmilieu verzoeken de Afdeling ook het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit te vernietigen en een maatregel te treffen die bevordert dat het besluit alsnog zo spoedig mogelijk genomen wordt, zoals een voldoende stimulerend dwangsombedrag. MOB en Leefmilieu hebben daarbij aangegeven dat de gevraagde verhoogde dwangsommen pas hoeven in te gaan op het moment dat de dwangsommen die zijn opgelegd met de uitspraak van 13 maart 2026 volledig zijn verbeurd, hetgeen het geval zal zijn op 7 december 2026.
5. Het college erkent dat het nog geen nieuw besluit op het verzoek van MOB en Leefmilieu heeft genomen. Het college voert aan dat het intrekken van de natuurvergunning voor de ondernemer het meest ingrijpende besluit is dat er kan worden genomen en dat uiterst zorgvuldige besluitvorming daarom noodzakelijk is. Hoewel er gesprekken hebben plaatsgevonden met de betrokken partijen en er ook andere voorstellen zijn ingediend en besproken, hebben die niet kunnen leiden tot een andere conclusie dan dat de natuurvergunning moet worden ingetrokken. Het college stelt dat [partij] hierover op 17 juli 2026 is geïnformeerd. De verwachting is dat op 1 oktober 2026 een ontwerpbesluit ter inzage kan worden gelegd en dat over het ontwerpbesluit een groot aantal (omvangrijke) zienswijzen naar voren zullen worden gebracht. Die zienswijzen moeten zorgvuldig worden verwerkt, wat maakt dat er een langere termijn nodig is voor het nemen van een besluit op het verzoek van MOB en Leefmilieu, aldus het college. Het college verzoekt de Afdeling daarom om 1 april 2027 als uiterlijke datum te stellen voor het nemen van een besluit op het verzoek.
De beoordeling van het beroep
6. Vast staat dat het college nog geen besluit heeft genomen op het verzoek van MOB en Leefmilieu. Dit betekent dat het college niet heeft voldaan aan de uitspraak van 13 maart 2026. Het beroep van MOB en Leefmilieu is kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van MOB en Leefmilieu moet worden vernietigd.
7. Gelet op het voorgaande en gezien artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dient het college alsnog een besluit te nemen op het verzoek van MOB en Leefmilieu om intrekking van de natuurvergunning van, dan wel het opleggen van een verplichting aan, [partij]. De Afdeling zal daartoe een termijn op grond van artikel 8:55d, derde lid, stellen, waarbij rekening is gehouden met het verweerschrift, maar ook met het belang van MOB en Leefmilieu bij een voortvarende behandeling van hun verzoek.
8. De Afdeling bepaalt verder met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat het college een dwangsom aan MOB en Leefmilieu verbeurt voor iedere dag dat het college in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Waar het gaat om de hoogte van de desbetreffende bedragen acht de Afdeling van belang dat het college heeft verzuimd om uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2026. De Afdeling zal de hoogte van de dwangsom daarom vaststellen op een bedrag van € 250,00 per dag, met een maximum van € 37.500,00.
9. Het college moet de proceskosten vergoeden. Daarbij zal de Afdeling een wegingsfactor van 0,5 (licht) hanteren.
De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om toepassing te geven aan artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en het beroep in deze zaak en in de zaken met nrs. 202602117/1/R2, 202602118/1/R2, 202602122/1/R2 en 202602123/1/R2, aan te merken als samenhangende zaken. Deze zaken worden voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak beschouwd, waaraan met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder C2 een wegingsfactor van 1,5 wordt toegekend. Dit komt neer op een vergoeding van € 140,10 voor dit beroep.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu;
III. draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op om uiterlijk op 4 februari 2027 een besluit te nemen op het verzoek Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
IV. bepaalt dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn voor de bekendmaking van het besluit overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 250,00 per dag bedraagt, met een maximum van € 37.500,00, met dien verstande dat bij bepaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van de bij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 140,10, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemde bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 397,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
195-1089
BIJLAGE
ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen over besluiten
Afdeling 3.6 Bekendmaking en mededeling
Artikel 3:40
Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.
Hoofdstuk 6. Algemene bepalingen over bezwaar en beroep
Afdeling 6.1. Inleidende bepalingen
Artikel 6:2
Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:
a. […], en
b. het niet tijdig nemen van een besluit.
Afdeling 6.2. Overige algemene bepalingen
Artikel 6:12
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
[…]
4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter
Titel 8.2 Behandeling van het beroep in eerste aanleg
Afdeling 8.2.4 Vereenvoudigde behandeling
Artikel 8:54
1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.
Afdeling 8.2.4a Beroep bij niet tijdig handelen
Artikel 8:55b
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, doet de bestuursrechter binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54, tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht.
[…]
Artikel 8:55d
1. Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
2. De bestuursrechter verbindt aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.