Uitspraak BRS.26.000040
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5741
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.000040
ECLI:NL:RVS:2026:5741
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 december 2025 in zaak nr. NL25.28986 in het geding tussen:
[appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 8 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellanten klagen in hun grieven tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat de ingebrekestelling van 20 januari 2025 prematuur is. Hoewel zij terecht betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister met het instellen van het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrische vreemdelingen, dat gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025, de beslistermijn met een jaar heeft verlengd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de ingebrekestelling prematuur is. Appellanten hebben de minister immers tijdens het moratorium in gebreke gesteld. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5232, onder 9, is de ingebrekestelling in die situatie prematuur. De grieven slagen niet.
1.1. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vragen. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026
1048