Uitspraak BRS.25.002682
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5593
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.002682
ECLI:NL:RVS:2026:5593
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 december 2025 in zaak nr. NL25.33910 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 4 december 2025 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. R.M. Boesjes, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 29 juli 2026 heeft de minister de aanvraag van betrokkene afgewezen.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Het hoger beroep
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5232, onder 6.1, 6.4-6.6 en 9, over de beslistermijn in asielzaken van vreemdelingen afkomstig uit Syrië die op enig moment onder het besluit- en vertrekmoratorium vielen). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.3. Verder roept wat de minister in de overige grieven heeft aangevoerd geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van het besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 29 juli 2026
3. Het besluit van 29 juli 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Bij dat besluit heeft de minister de asielaanvraag van betrokkene afgewezen. Betrokkene heeft bij brief van 19 augustus 2026 laten weten dat hij het niet eens is met dat besluit, dat hij daartegen bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, beroep heeft ingesteld en dat hij daartegen beroepsgronden heeft aangevoerd.
4. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 29 juli 2026 krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem. De Afdeling vindt het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verwijst het beroep tegen het besluit van 29 juli 2026, V‑293.935.4027, naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
918