Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202303115/1/R2

Uitspraak 202303115/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5352
Datum uitspraak
9 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best het door [persoon 2] ingediende verzoek om handhaving vanwege het zonder omgevingsvergunning bedrijfsmatig houden en fokken van honden op de locatie aan de [locatie] in Best afgewezen. FCN en [appellant] exploiteren een veehouderij aan de [locatie] in Best. Zij houden en fokken daar onder andere honden. [persoon 1] en [de maatschap] en [persoon 2] wonen of exploiteren een bedrijf op korte afstand van de veehouderij en ondervinden daarvan overlast. [persoon 2] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het houden en fokken van de honden. Het college heeft dit verzoek bij het besluit op bezwaar toegewezen, omdat het houden en fokken van honden in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002". Het college heeft hierbij een last onder dwangsom opgelegd. FCN en [appellant] zijn het niet eens met dit besluit. Daarnaast heeft het college de verzoeken van [persoon 1] en [de maatschap] en [persoon 2] om de verbeurde dwangsommen in te vorderen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202303115/1/R2.
Datum uitspraak: 9 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

Fokkerij Centrum Nederland B.V. (FCN) en [appellant], gevestigd en wonend in Best,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 30 maart 2023 in zaak nr. 21/2794 in het geding tussen:

FCN en [appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Best;

alsmede

uitspraak in het geding tussen:

1.       [persoon 1] en [de maatschap],

2.       [persoon 2],

appellanten,

en

het college,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2021 heeft het college het door [persoon 2] ingediende verzoek om handhaving vanwege het zonder omgevingsvergunning bedrijfsmatig houden en fokken van honden op de locatie aan de [locatie] in Best afgewezen.

Bij besluit van 8 november 2021 heeft het college het door [persoon 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 14 april 2021 herroepen voor zover het verzoek om handhaving is afgewezen en een last onder dwangsom opgelegd.

Bij uitspraak van 30 maart 2023 heeft de rechtbank het door FCN en [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben FCN en [appellant] hoger beroep ingesteld.

[persoon 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

FCN en [appellant] hebben een zienswijze over het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

[persoon 1] en [de maatschap] hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek van 22 mei 2023 om over te gaan tot handhaving en tot invordering van de verbeurde dwangsommen.

Bij afzonderlijke besluiten van 7 september 2023 heeft het college het verzoek van [persoon 1] en [de maatschap] van 22 mei 2023 om over te gaan tot handhaving en tot invordering van de verbeurde dwangsommen en het verzoek van [persoon 2] van 28 juli 2023 om over te gaan invordering van de verbeurde dwangsommen, afgewezen.

Tegen deze besluiten hebben [persoon 2] en [persoon 1] en [de maatschap] gronden aangevoerd.

FCN en [appellant] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, samen met de zaken met zaaknummers 202303007/1/R2 en 202303114/1/R2, op zitting behandeld op 10 april 2026, waar FCN en [appellant], vertegenwoordigd door [appellant], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat in Tilburg, en C.A.M. Spapens, deskundige, en vergezeld door [persoon 3], [persoon 1] en [de maatschap], vertegenwoordigd door [persoon 1], bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat in Nijmegen, [persoon 2], bijgestaan door mr. S. Oord, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door L.J.A.M. van der Vleuten en mr. S. Tielemans-Ewalts, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving is ingediend op 25 september 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       FCN en [appellant] exploiteren een veehouderij aan de [locatie] in Best. Zij houden en fokken daar onder andere honden. [persoon 1] en [de maatschap] en [persoon 2] wonen of exploiteren een bedrijf op korte afstand van de veehouderij en ondervinden daarvan overlast. [persoon 2] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het houden en fokken van de honden. Het college heeft dit verzoek bij het besluit op bezwaar toegewezen, omdat het houden en fokken van honden in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002". Het college heeft hierbij een last onder dwangsom opgelegd. FCN en [appellant] zijn het niet eens met dit besluit.

Daarnaast heeft het college de verzoeken van [persoon 1] en [de maatschap] en [persoon 2] om de verbeurde dwangsommen in te vorderen, afgewezen. Het college stelt zich op het standpunt dat na het opleggen van de last onder dwangsom geen overtredingen zijn geconstateerd. Volgens het college is de overtreding beëindigd, omdat geen sprake (meer) is van het bedrijfsmatig houden en fokken van honden. [persoon 1] en [de maatschap] en [persoon 2] zijn het hier niet mee eens.

2.1.    De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Uitspraak van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft het beroep van FCN en [appellant] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierover overwogen, onder verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 30 maart 2023, 21/3340, dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een hondenfokkerij in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen dat gebruik. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat die gronden uitsluitend bestemd zijn voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Volgens de rechtbank voldoet een hondenfokkerij niet aan de begripsomschrijving van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Verder heeft rechtbank overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving. Het college mag daarom volgens de rechtbank handhavend optreden tegen het gebruik van het perceel voor hondenfokactiviteiten annex hondenfokkerij.

Hoger beroep

4.       FCN en [appellant] betogen dat het college ten onrechte de last onder dwangsom heeft opgelegd. Zij stellen daartoe dat zij niet bedrijfsmatig honden fokken of houden. Hun betoog luidt verder hetzelfde als hun betoog in zaak nrs. 202303007/1/R2 en 202303114/1/R2, die gaan over besluiten waarbij het college de gevraagde omgevingsvergunning voor onder andere een hondenfokkerij aan de [locatie] in Best heeft geweigerd.

5.       In het besluit van 8 november 2021 heeft het college overwogen dat gelet op de registratie bij de Kamer van Koophandel en het aantal dieren, de aard en de omvang van de huisvesting, de ten behoeve van de activiteit in de stal uitgevoerde aanpassingen, het aanleggen van de uitloop en de aangebrachte verhardingen, moet worden vastgesteld dat er op het moment de controles sprake was van op bedrijfsmatige wijze houden en fokken van honden. In haar uitspraak van vandaag in zaak nr. 202303007/1/R2, ECLI:NL:RVS:2026:5239, onder 6, heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het houden en fokken van honden aan de [locatie] in Best in strijd is met het bestemmingsplan. In wat FCN en [appellant] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte een overtreding heeft vastgesteld.

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

8.       [persoon 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van FCN en [appellant] gegrond is. Omdat het door hen ingestelde hoger beroep gelet op het voorgaande ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van [persoon 2] vervallen. De Afdeling komt daarom niet toe aan een inhoudelijke bespreking ervan.

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

9.       Op de zitting hebben [persoon 1] en [de maatschap] hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingetrokken.

De beroepen van [persoon 2] en [persoon 1] en [de maatschap] tegen de besluiten van 7 september 2023

10.     [persoon 1] en [de maatschap] hebben op 22 mei 2023 een verzoek om handhaving en een verzoek om over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen ingediend. [persoon 2] heeft op 28 juli 2023 een verzoek ingediend om over te gaan invordering van de verbeurde dwangsommen.

Op de zitting hebben [persoon 1] en [de maatschap] bevestigd dat hun gronden zich in dit verband beperken tot de afwijzing van het verzoek om in te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen.

11.     Bij besluiten van 7 september 2023 heeft het college onder meer de verzoeken van [persoon 1] en [de maatschap] en [persoon 2] om invordering afgewezen.

12.     Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Awb zijn besluiten over invordering mede onderwerp van dit geding.

13.     Zowel [persoon 2] als [persoon 1] en [de maatschap] betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen dwangsommen zijn verbeurd. Volgens hen zijn de overtredingen niet beëindigd en had het college over moeten gaan tot invordering van de dwangsommen.

13.1.  Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

13.2.  In het besluit van 8 november 2021 is een aantal overtredingen geconstateerd. Ter beëindiging van die overtredingen heeft het college een last onder dwangsom opgelegd. Volgens het besluit van 8 november 2021 kan het verbeuren van één of meerdere dwangsommen worden voorkomen door de overtredingen vóór 8 februari 2022 te beëindigen en beëindigd te houden.

Op de zitting heeft het college bevestigd dat de last die is opgelegd in het besluit van 8 november 2021, is overtreden. Dat (sinds 12 mei 2023) geen sprake meer is van overtredingen, zoals volgt uit de besluiten van 7 september 2023, doet daar, wat daar verder ook van zij, niet aan af. Het college heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht naar aanleiding waarvan van invordering kan worden afgezien. Dat het college in de besluiten van 7 september 2023 andere uitgangspunten hanteert voor het bepalen of al dan niet sprake is van het bedrijfsmatig houden en fokken van honden aan de [locatie] in Best dan in het besluit van 8 november 2021, is geen bijzondere omstandigheid zoals hiervoor bedoeld.

Gelet hierop ligt aan de besluiten van 7 september 2023 voor zover die zien op de invordering in strijd met artikel 3:46 van de Awb geen deugdelijke motivering ten grondslag.

Het betoog slaagt.

Conclusie

14.     De beroepen van [persoon 2] en [persoon 1] en [de maatschap] zijn gegrond. De besluiten van het college van 7 september 2023 met de kenmerken CHZ_HHV-22-01989/PU23-02168 en CHZ_HHV-22-01989/PU23-02169 moeten, voor zover die zien op de invordering, worden vernietigd.

15.     Het college moet een nieuw besluit nemen op de verzoeken van [persoon 2] van 28 juli 2023 en [persoon 1] en [de maatschap] van 22 mei 2023 om over te gaan tot invordering van dwangsommen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

16.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

17.     Het college moet de proceskosten van [persoon 2] en [persoon 1] en [de maatschap] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       verklaart het beroep van [persoon 1] en [de maatschap] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Best van 7 september 2023 met kenmerk CHZ_HHV-22-01989/PU23-02168 gegrond;

III.      verklaart het beroep van [persoon 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Best van 7 september 2023 met kenmerk CHZ_HHV-22-01989/PU23-02169 gegrond;

IV.     vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Best van 7 september 2023, kenmerken CHZ_HHV-22-01989/PU23-02168 en CHZ_HHV-22-01989/PU23-02169, voor zover die zien op de invordering;

V.      bepaalt dat tegen de te nemen nieuwe besluiten alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Best tot vergoeding van bij [persoon 1] en [de maatschap] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Best tot vergoeding van bij [persoon 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Best aan [persoon 1] en [de maatschap] het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.E.H.J. Vollaers, griffier.

w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vollaers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026

880-1135

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1.  Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

e. 1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk,

[…]

Bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002"

Artikel  1 — Begripsomschrijvingen

In deze voorschriften wordt verstaan onder:

[…]

4. Agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

5. Agrarisch bedrijf, grondgebonden: een agrarisch bedrijf of bijzonder agrarisch bedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is  van het voortbrengingsvermogen van de grond;

6. Agrarisch bedrijf, niet-grondgebonden: een agrarisch bedrijf of een bijzonder agrarisch bedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend plaatsvindt in gebouwen;

[…]

Artikel 3 — Verhouding tussen de bestemmingen

1. Waar een hoofdbestemming, aangegeven op plankaart 1,  samenvalt met de medebestemming Agrarische bedrijfsdoeleinden of Bedrijfsdoeleinden geldt primair liet bepaalde ten aanzien van de medebestemming. De bepalingen met betrekking tot de hoofdbestemmingen zijn in dat geval uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de medebestemming.

[…]

Artikel 8 — Agrarisch gebied

1. De gronden op plankaart 1 aangewezen voor `Agrarisch gebied' zijn bestemd voor:

a. een duurzame agrarische bedrijfsvoering;

b. extensief recreatief medegebruik.

Artikel 16 — Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-

1. De gronden, op een detailplankaart, aangewezen voor `Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-` zijn overeenkomstig de aanduidingen op de kaart mede bestemd voor:

a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf;

[…]

4. Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de aanwijzingen op de detailplankaarten alsmede de volgende bepalingen:

[…]

g. het oprichten van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van niet-grondgebonden agrarische activiteiten buiten de GHS niet toegestaan, behoudens:

[…]

(2) ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf binnen de bestemming ‘Agrarisch gebied’

[…]


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon