Uitspraak 202601423/2/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5124
- Datum uitspraak
- 3 september 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van bestuur van de Hogeschool Rotterdam op het verzoek van [appellant] om zijn verzoek om termijnverlenging van zijn diploma. [appellant] heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. [appellant] wil mede met deze stukken aantonen dat hij wegens een mantelzorgtaak voor zijn vader studievertraging heeft opgelopen. In de stukken is medische, privacygevoelige informatie opgenomen. Hij wil niet dat het CvB daarvan kennisneemt.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Studentenzaken
Toon inhoud
202601423/2/A2.
Datum beslissing: 3 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van bestuur van de Hogeschool Rotterdam (CvB),
verweerder.
Procesverloop
[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het CvB op het verzoek van [appellant] om zijn verzoek om termijnverlenging van zijn diploma.
[appellant] heeft de vertrouwelijke versies van een aantal gedingstukken overgelegd en medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken. De Afdeling heeft de mededeling aangemerkt als een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.
Het betreft medische stukken van de vader van [appellant].
Overwegingen
1. [appellant] heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. [appellant] wil mede met deze stukken aantonen dat hij wegens een mantelzorgtaak voor zijn vader studievertraging heeft opgelopen. In de stukken is medische, privacygevoelige informatie opgenomen. Hij wil niet dat het CvB daarvan kennisneemt.
2. Uit artikel 8:29, eerste lid, van de Awb volgt dat alleen partijen die verplicht zijn stukken in te dienen een verzoek om beperkte kennisneming kunnen doen. Een verplichting bestaat bij de op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 van de Awb) en in de in artikel 8:45, tweede en derde lid, van de Awb genoemde gevallen (zie nader: de uitspraak van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, onder 9). Een dergelijk verzoek kan in beginsel alleen betrekking hebben op stukken ten aanzien waarvan het bestuursorgaan om geheimhouding had kunnen verzoeken en dus op stukken die het bestuursorgaan verplicht is over te leggen (vergelijk: de uitspraak van 17 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4222, onder 5). De regeling in artikel 8:29 Awb strekt er daarbij toe te bewerkstelligen dat een partij, die verplicht is een stuk in te dienen of inlichtingen te verstrekken, de rechter kan vragen te bepalen dat alleen hij van het stuk kennis neemt en de andere partij niet (zie ook: de uitspraak van 22 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1621, onder 3).
3. De Afdeling heeft kennisgenomen van de door [appellant] overgelegde stukken. Het betreffen geen stukken waarvoor een verplichting geldt om die over te leggen, omdat het stukken betreffen ter onderbouwing van het eigen betoog van [appellant] (vergelijk de uitspraak van 10 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:701, onder 3). Zoals hiervoor is overwogen, is artikel 8:29 Awb alleen van toepassing op inlichtingen of stukken die partijen verplicht zijn over te leggen. De Afdeling ziet in het verzoek van [appellant] geen zeer bijzondere omstandigheden om tot een ander oordeel te komen. Het verzoek om beperkte kennisneming komt reeds hierom niet voor inwilliging in aanmerking. Overigens kan [appellant], als hij niet wil dat het CvB kennisneemt van de stukken, er ook voor kiezen om de stukken in te dienen bij de studentendecaan.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026
1100