Uitspraak 202406617/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5098
- Datum uitspraak
- 31 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202406617/1/V2.
Datum uitspraak: 31 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 oktober 2024 in zaak nr. NL24.17902 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 23 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 26 februari 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
De minister heeft een nadere schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister heeft bij besluit van 26 februari 2025 opnieuw op de aanvraag van appellant beslist en haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Appellant heeft het door haar ingestelde hoger beroep gehandhaafd. Zij betoogt dat zij belang heeft bij een inhoudelijke behandeling daarvan (procesbelang), omdat volgens haar de minister niet alleen de proceskosten in beroep, maar ook in hoger beroep moet vergoeden.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met de door de minister aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, heeft appellant het doel van de procedure bereikt. Daarom heeft zij geen belang bij de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dat belang bestaat alleen als een vreemdeling in een gunstigere positie zou kunnen komen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:137. De vraag of de minister moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om tot een beoordeling van het hoger beroep over te gaan. Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253.
3. Niettemin moet worden bezien of de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan appellant tegemoet is gekomen of als het procesbelang anderszins door zijn toedoen is vervallen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855. Het besluit van 26 februari 2025 is genomen nadat de rechtbank de minister had opgedragen om een nieuw besluit te nemen, omdat hij niet deugdelijk had gemotiveerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geringe indicaties zijn waaruit blijkt dat zij bij terugkeer naar Turkije heeft te vrezen voor vervolging. De minister heeft in het besluit van 26 februari 2025 de aanvraag ingewilligd. Hiermee staat vast dat de minister niet is tegemoetgekomen aan wat appellant betoogt in hoger beroep, namelijk dat de wijziging van het beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten van 1 december 2023 (WBV 2023/24) onrechtmatig is. Dat het besluit om de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan appellant te verlenen is genomen nadat zij hoger beroep heeft ingesteld, maakt dat niet anders. Daarnaast is niet gebleken dat het procesbelang anderszins door toedoen van de minister is vervallen. Daarom bestaat geen aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te veroordelen.
4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026
853-1143