Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202504460/1/R1

Uitspraak 202504460/1/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4871
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 juni 2025 heeft de raad van de gemeente Horst aan de Maas het bestemmingsplan "Mäöleveld te Sevenum" vastgesteld. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk op het Voorste Hees, een appelboomgaard tussen de Molenveldweg en De Hees, aan de noordwestzijde van Sevenum. Het gebied is geschikt voor een woningbouwplan met maximaal 164 woonkavels. De ontwikkeling is opgesplitst in verschillende fasen. Voorliggend plan, fase 1, voorziet in maximaal 84 woonkavels met bijbehorende verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen en openbaar groen. Daarnaast heeft het plan ook betrekking op de percelen De Hees 4, 6 en 10. [appellant A] en [appellant B] wonen aan [locatie]. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, onder meer vanwege de planologische mogelijkheden die het plan biedt voor het perceel van [partij] aan.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Limburg

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202504460/1/R1.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Sevenum, gemeente Horst aan de maas,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Horst aan de Maas,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Mäöleveld te Sevenum" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2026, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. G.T. van de Weerdt, rechtsbijstandverlener in Leusden, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Pijpers, drs. ing. J.E.M. Breij, en ing. M. Winkel-Bootsma, zijn verschenen. Verder is ter zitting [partij], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 15 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Inleiding

3. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk op het Voorste Hees, een appelboomgaard tussen de Molenveldweg en De Hees, aan de noordwestzijde van Sevenum. Het gebied is geschikt voor een woningbouwplan met maximaal 164 woonkavels. De ontwikkeling is opgesplitst in verschillende fasen. Voorliggend plan, fase 1, voorziet in maximaal 84 woonkavels met bijbehorende verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen en openbaar groen. Daarnaast heeft het plan ook betrekking op de percelen De Hees 4, 6 en 10.

4. [appellant A] en [appellant B] wonen aan [locatie]. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, onder meer vanwege de planologische mogelijkheden die het plan biedt voor het perceel van [partij] aan

De Hees 10.

Ontwerpplan van juni 2023

5. [appellant A] en [appellant B] wijzen erop dat in juni en in december 2023 ontwerpplannen met de naam "Mäöleveld 1e fase" ter inzage zijn gelegd, maar dat niet duidelijk is wat er met het ontwerpplan van juni 2023 gaat gebeuren, aangezien de raad alleen over het ontwerpplan van december 2023 een besluit heeft genomen.

5.1. De raad heeft toegelicht dat het ontwerpplan van juni 2023 is vervallen en ook niet langer terug te vinden is op de landelijke voorziening. Dat ontwerpplan is naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen aangepast en maakt daarmee geen deel uit van deze procedure. Vanwege de wijzigingen is een nieuw ontwerpplan in december 2023 ter inzage gelegd en is dit op 3 juni 2025 vastgesteld. Dit is het bestemmingsplan dat nu voorligt.

Het betoog slaagt niet.

Status omgevingsvergunning De Hees 10

6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat niet duidelijk is wat de status is van de omgevingsvergunning die op 22 maart 2018 is verleend voor het oprichten van een woning met bijgebouw aan De Hees 10. Ter zitting hebben zij toegelicht dat de omgevingsvergunning is verleend met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit een bestemmingsplan dat later door de Afdeling is vernietigd.

6.1. De omgevingsvergunning van 22 maart 2018 is gebaseerd op het bestemmingsplan "De Hees 10, Sevenum" dat de raad op 10 oktober 2017 heeft vastgesteld. Dat plan is door de Afdeling vernietigd bij uitspraak van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:800. De raad heeft toegelicht dat tegen de omgevingsvergunning destijds bezwaar is gemaakt, het bezwaar ongegrond is verklaard en tegen dat besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank Limburg. De omgevingsvergunning is volgens de raad onherroepelijk geworden omdat het beroep daartegen uiteindelijk is ingetrokken. Het vernietigen van dat bestemmingsplan had tot gevolg dat het planologisch kader voor De Hees 10 niet meer aansloot bij de verleende vergunning. Om die reden heeft de raad deze locatie bij de vaststelling van onderhavige plan meegenomen en de omgevingsvergunning in dit plan verwerkt. In wat Jansen en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad daar van had moeten afzien.

De vernietiging van het bestemmingsplan "De Hees 10, Sevenum" bij uitspraak van 13 maart 2019 heeft naar het oordeel van de Afdeling geen gevolgen voor de verleende omgevingsvergunning. Bij het nemen van dat besluit op bezwaar vormde het bestemmingsplan "De Hees 10, Sevenum" het toetsingskader. Dat het bestemmingsplan daarna door de Afdeling is vernietigd, doet daar niet aan af.

Het betoog slaagt niet.

Toegestane bedrijfsactiviteiten

7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat niet duidelijk is welke bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan op het perceel De Hees 10. Hiertoe voeren zij aan dat in de artikelen 6.1, onder b, en 6.5.2, onder e, van de planregels wordt verwezen naar de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 4 bij de planregels, terwijl deze bijlage alleen betrekking heeft op de toegestane bedrijfsactiviteiten bij De Hees 4 en 6 en niet op De Hees 10. Verder heeft bijlage 5 bij de planregels betrekking op de toegestane bedrijfsactiviteiten bij De Hees 10, waar alleen wordt uitgegaan van activiteiten in milieucategorie 1, maar in de planregels wordt ten onrechte geen koppeling gemaakt met deze bijlage. Gelet op de planregels is ter plaatse dan ook bijvoorbeeld een autohandel of reparatiebedrijf of groothandel in bijvoorbeeld dranken toegestaan. Tot slot voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat voor wat betreft de toegestane bedrijfsactiviteiten rekening had moeten worden gehouden met de bestemmingsgrens en niet met de afstand tot de woning. Op grond van artikel 6 van de planregels is het namelijk toegestaan om buiten het bouwvlak bijgebouwen op te richten en deze te gebruiken voor bedrijfsactiviteiten.

7.1. Op de verbeelding is aan het perceel De Hees 10 de bestemming "Wonen" toegekend.

Artikel 6.1 van de planregels luidt:

"De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

b. aan huis verbonden beroepen en -bedrijven, volgens de staat van bedrijfsactiviteiten overeenkomstig Bijlage 4 en overeenkomstig het bepaalde in lid 6.5.2;"

Artikel 6.5.2 van de planregels luidt:

"Een aan huis verbonden beroep of -bedrijf is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

a. een aan huis verbonden beroep of -bedrijf mag worden uitgeoefend in de woning en/of in de bijbehorende bouwwerken;

b. het onbebouwde deel van het bouwperceel niet mag worden gebruikt voor deze bedrijfsmatige activiteiten;

c. de oppervlakte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep of -bedrijf mag niet meer bedragen dan 1/3 van de vloeroppervlakte van de woning tot een maximale oppervlakte van 75 m²;

d. de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet wezenlijk aangetast;

e. het gebruik moet vallen onder dan wel gelijk te stellen zijn met milieucategorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten conform Bijlage 4;

f. er vindt geen buitenopslag en buitenstalling plaats;

g. degene die het aan huis verbonden beroep of -bedrijf uitoefent, is tevens de bewoner van de woning, met dien verstande dat de beroepsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;

h. door de beroeps- of bedrijfsuitoefening ontstaat geen onevenredige overlast of hinder voor de woonomgeving;

i. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, dan wel de parkeerbehoefte kan in de directe omgeving worden opgevangen;

j. horeca en detailhandel zijn niet toegestaan, met uitzondering van aan het aan huis verbonden beroep of -bedrijf inherente en ondergeschikte horeca of detailhandel met ter plaatse vervaardigde producten.

Op grond van artikel 1.7 van de planregels wordt onder een "aan huis verbonden bedrijf" verstaan:

"Het hoofdzakelijk door de gebruik(st)er van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten of uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid (geheel of overwegend door handwerk) in een woning en de daarbij behorende aan-, uit- en bijgebouwen, waarbij de woonfunctie en de ruimtelijke uitwerking en uitstraling daarvan behouden blijven.

Hieronder worden niet verstaan detailhandel (behalve de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten), horeca en prostitutie."

Op grond van artikel 1.8 van de planregels wordt onder een "aan huis verbonden beroep" verstaan:

"Een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied en tevens een kapsalon, dat/die in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er van de woning, waarbij de woonfunctie en de ruimtelijke uitwerking en uitstraling daarvan behouden blijven.

Hieronder worden niet verstaan detailhandel (behalve de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten), horeca en prostitutie."

7.2. Hoewel de Afdeling begrijpt dat bijlagen 4 en 5 bij de planregels kunnen leiden tot verwarring bij [appellant A] en [appellant B], volgt dit niet uit de planregels en de verbeelding. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Daaruit volgt gelet op de aan het perceel toegekende bestemming "Wonen" en artikel 6.1, aanhef en onder b, van de planregels dat voor De Hees 10 bijlage 4 bij de planregels geldt, zoals de raad ook heeft beoogd. Een koppeling in de planregels met bijlage 5 ontbreekt. Bijlage 5 komt daarom geen betekenis toe.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn ter plaatse aan huis verbonden beroepen en -bedrijven tot en met categorie 2 zoals genoemd in de staat van bedrijfsactiviteiten uit bijlage 4 toegestaan. [appellant A] en [appellant B] stellen terecht dat deze activiteiten buiten het bouwvlak en ter plaatse van de bestemmingsgrens kunnen worden gerealiseerd. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling echter op het standpunt mogen stellen dat gelet op de planregels voldoende is gewaarborgd dat zich van de toegelaten aan huis verbonden beroepen of -bedrijven geen onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefmilieu in de omgeving zullen voordoen. Gelet op artikel 6.5.2 van de planregels in samenhang gelezen met de artikelen 1.7 en 1.8 van de planregels gaat het om kleinschalige activiteiten die ondergeschikt moeten zijn aan de woonfunctie, waarbij de woonfunctie en de ruimtelijke uitwerking en uitstraling daarvan behouden moet blijven. Bovendien worden in artikel 6.5.2 van de planregels beperkende voorwaarden gesteld aan deze activiteiten. Het betoog van [appellant A] en [appellant B] ter zitting dat de ruimtelijke uitstraling groter zal zijn, omdat op grond van artikel 6.6.1, aanhef en onder b, van de planregels het bedrijfsvloeroppervlak ter plaatse van De Hees 10 maximaal 120 m² mag bedragen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Immers, ook met die oppervlakte moet de ruimtelijke uitstraling van de woonfunctie behouden blijven. Voor zover zij stellen dat niet is onderbouwd waarom alleen voor De Hees 10 een dergelijke vergroting van de bedrijfsvloeroppervlak in de planregels is opgenomen, verwijst de Afdeling naar wat daarover onder 10.1 is overwogen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet op deze wijze heeft kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Verouderd en onvolledig onderzoek

8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad in strijd met artikel 3.1.1a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoeken aan het plan ten grondslag heeft gelegd die intussen verouderd zijn. In dat verband wijzen zij erop dat de onderzoeken die betrekking hebben op De Hees 10 dateren van 2016 en 2017. Ook de "Quickscan Bedrijven en Milieuzonering De Hees te Sevenum" van 2 november 2022, opgesteld door Econsultancy (Quickscan), is volgens [appellant A] en [appellant B] ouder dan twee jaar. Daarnaast is de beoogde bestemmingswijziging van De Hees 10 daarin niet meegenomen. Verder zijn de Quickscan en de plantoelichting tegenstrijdig wat de typering van het gebied betreft. In de Quickscan wordt immers uitgegaan van een "rustig gebied", terwijl in de plantoelichting de ontwikkellocatie wordt aangewezen als een "gemengd gebied", aldus [appellant A] en [appellant B].

8.1. Op grond van artikel 3.1.1a van het Bro kan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer onder 15.2 van haar uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4762, en onder 7.3 van haar uitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2466, staat artikel 3.1.1a van het Bro er niet aan in de weg dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd.

8.2. De Afdeling stelt voorop dat de onderzoeken uit 2016 en 2017 waar [appellant A] en [appellant B] naar verwijzen een verkennend bodemonderzoek respectievelijk archeologisch onderzoek voor De Hees 10 zijn. De raad heeft toegelicht dat deze onderzoeken zijn uitgevoerd voor de planologische procedures van destijds voor De Hees 10 en gericht zijn op het effect van het bouwen van de woning en het bijgebouw op die locatie. Deze activiteiten zijn echter al verricht en de gronden zijn inmiddels al in gebruik voor wonen. [appellant A] en [appellant B] hebben niet onderbouwd dat de onderzoeken uit 2016 en 2017 die betrekking hebben op De Hees 10 zodanig verouderd zijn, of dat zich na de totstandkoming daarvan zodanige ontwikkelingen hebben voorgedaan, dat de raad deze onderzoeken niet aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen.

Het betoog faalt in zoverre.

8.3. Wat de Quickscan uit 2022 betreft, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens de Quickscan is het voornemen om woningen te realiseren en is daarom indicatief onderzocht of omliggende bedrijvigheid een belemmering vormt voor de geplande woningen en of het plan een belemmering kan vormen voor de aanwezige bedrijvigheid. Daarbij is uitgegaan van het omgevingstype rustig gebied. Conclusie van de Quickscan is dat het plangebied deels geprojecteerd is binnen de richtafstanden van twee nabijgelegen (bedrijfs)bestemmingen, maar dat binnen de richtafstand geen woningen zijn geprojecteerd. Ook alle bouwvlakken binnen het plangebied worden buiten de weergegeven richtafstanden geprojecteerd, zodat nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat volgens de raad niet noodzakelijk is.

De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de Quickscan zodanig verouderd is, of dat zich na de totstandkoming daarvan zodanige ontwikkelingen hebben voorgedaan, dat de raad dit onderzoek niet aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in paragraaf 5.2.5 van de plantoelichting weliswaar is uitgegaan van een gemengd gebied, terwijl in de Quickscan wordt uitgegaan van een rustig gebied, maar dat de raad onbestreden heeft toegelicht dat met de kwalificatie rustig gebied nu de worst case toetsingsnorm is toegepast en een aanpassing naar gemengd gebied niet tot een andere uitkomst zou leiden. Verder heeft de raad toegelicht dat De Hees 10 geen bedrijf betreft, maar een woning, en om die reden de bestemmingswijziging voor dit perceel niet in de Quickscan is meegenomen. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de bestemmingswijziging voor De Hees 10 in de Quickscan had moeten meenemen. Voor zover [appellant A] en [appellant B] vrezen voor onaanvaardbare gevolgen voor hun woon- en leefklimaat vanwege de toegelaten aan huis verbonden beroepen of -bedrijven ter plaatse, verwijst de Afdeling naar wat daarover onder 7.2 is overwogen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1a van het Bro.

Het beoog faalt.

Woon- en leefklimaat

9. [appellant A] en [appellant B] betogen dat ter plaatse van De Hees 10 geen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Hiertoe voeren zij aan dat de bestemming "Wonen" voor dit perceel binnen 50 m van enkele locaties ligt waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Zij wijzen er verder op dat op grond van artikel 12.2.4 van de planregels met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het verbod in artikel 12.2.2 en nieuwe driftgevoelige functies kunnen worden toestaan onder de voorwaarde dat is aangetoond dat het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, binnen een afstand van 50 meter tot nieuwe driftgevoelige functies, is beëindigd en beëindigd blijft, of dat met een locatiespecifiek onderzoek is aangetoond dit, en in hoeverre, kan worden afgeweken van deze 50 meter. Het bevreemdt [appellant A] en [appellant B] ook dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen de bestemming "Groen" of "Wonen" is toegestaan, omdat binnen 50 m van deze bestemmingen vaak driftgevoelige functies liggen. Tot slot wijzen [appellant A] en [appellant B] erop dat in de figuren 5.5 en 5.6 in de plantoelichting de respectievelijk spuit- en driftzones zijn omgewisseld. Mogelijk is als gevolg daarvan ook een omissie ontstaan in de beschrijving daarvan in de plantoelichting en de planregels, aldus [appellant A] en [appellant B].

9.1. Aan een groot deel van het plangebied zijn de bestemmingen "Wonen" en "Groen" en de gebiedsaanduiding "milieuzone - driftzone" toegekend.

Artikel 12.2.1 van de planregels luidt:

"De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - driftzone' zijn mede aangewezen voor de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen."

Artikel 12.2.2 van de planregels luidt:

"Het gebruik van de gronden voor nieuwe driftgevoelige functies is niet toegestaan."

Artikel 12.2.3 van de planregels luidt:

"Wanneer het bepaalde in lid 12.2.1 en 12.2.2 in strijd is met het bepaalde in Hoofdstuk 2 dan gaat het belang van het bepaalde in 12.2.1 en 12.2.2 voor."

Artikel 12.2.4 van de planregels luidt:

"Met een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in 12.2.2 en nieuwe driftgevoelige functies toestaan, onder de voorwaarde dat is aangetoond dat het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, binnen een afstand van 50 meter tot nieuwe driftgevoelige functies, is beëindigd en beëindigd blijft of dat met een locatiespecifiek onderzoek is aangetoond dat, en in hoeverre, kan worden afgeweken van deze 50 meter."

9.2. De Afdeling stelt vast dat één van de locaties waar volgens [appellant A] en [appellant B] gebruik mag worden gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, het achterste deel van hun perceel betreft. De andere locatie is het perceel dat ten westen van De Hees 10 ligt en waarvan zij niet de eigenaar zijn. Verder hebben [appellant A] en [appellant B] ter zitting nog gewezen op het perceel dat aan de overkant van De Hees 10 ligt en waar volgens hen ook gebruik mag worden gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Ook dit perceel is niet in hun eigendom.

9.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.6, beschermt de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning, ook de belangen van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf (uitspraak van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4044 (Groningen)). Degene die een bedrijf uitoefent kan, omdat hij geconfronteerd kan worden met klachten van de bewoners van een woning over de milieugevolgen van zijn bedrijf, aanvoeren dat in het plangebied vanwege de milieugevolgen van zijn bedrijf geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre niet in de weg aan vernietiging van een besluit op die grond (uitspraken van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4030 (Grave) en 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5874 (Bodegraven-Reeuwijk)). Zo kan een agrarisch bedrijf, omdat het geconfronteerd kan worden met klachten van de bewoners van een in een bestemmingsplan voorziene plattelandswoning over de milieugevolgen van het bedrijf, aanvoeren dat in het plangebied vanwege deze milieugevolgen, waaronder geur- en geluidbelasting ter plaatse van deze plattelandswoning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd (uitspraken van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2704 (Asten), 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1422 (Wijchen) en 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:588 (Hardinxveld-Giessendam)). Evenzo kan een bedrijf, gelet op het belang daarvan bij een zo min mogelijk belemmerde bedrijfsuitoefening, in beroep tegen een besluit dat voorziet in de mogelijkheid van een kwetsbaar object in de omgeving van de bedrijfsvestiging, zich beroepen op normen voor externe veiligheid (uitspraak van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1419 (Vlaardingen)).

Voor zover [appellant A] en [appellant B] wijzen op de percelen die niet in hun eigendom zijn en zij niet gebruiken, overweegt de Afdeling dat zij zich met hun betoog op normen beroepen die niet strekken tot bescherming van hun belangen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan naar aanleiding van de hiervoor genoemde beroepsgrond, voor zover het de twee locaties betreft die niet in hun eigendom zijn. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond, voor zover het om die locaties gaat.

9.4. Wat het perceel [locatie] van [appellant A] en [appellant B] betreft, overweegt de Afdeling het volgende. Op dit perceel staat een woning die door [appellant A] en [appellant B] (regulier) wordt bewoond. De raad heeft toegelicht dat het achter de woning gelegen deel van dat perceel, niet agrarisch wordt gebruikt en al jarenlang wordt gebruikt als tuin bij de woning van [appellant A] en [appellant B]. Daargelaten of het bestaande gebruik van het perceel [locatie] op grond van het geldende planologische regime is toegestaan, heeft de raad ter zitting toegelicht dat gelet op de geringe afmetingen van het achter de woning gelegen gedeelte van het perceel [locatie] niet aannemelijk is dat daar ooit nog bedrijfsmatig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zal gaan plaatsvinden. [appellant A] en [appellant B] hebben dit niet bestreden. Met inachtneming van deze toelichting ziet de Afdeling in wat is aangevoerd door [appellant A] en [appellant B] geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van De Hees 10 sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De verwijzing van [appellant A] en [appellant B] naar artikel 12.2.4 van de planregels maakt dit niet anders, nu dit artikel gaat over nieuwe driftgevoelige functies. Voor zover het betoog van [appellant A] en [appellant B] zo moet worden begrepen dat de aan het plan toegekende bestemmingen "Groen" en "Wonen", anders dan die ter plaatse van De Hees 10, niet uitvoerbaar zijn vanwege het achter de woning gelegen gedeelte van hun perceel en de mogelijkheid om daar gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, verwijst de Afdeling naar wat zij daarover hiervoor heeft overwogen.

Voor zover [appellant A] en [appellant B] erop wijzen dat in de figuren 5.5 en 5.6 in de plantoelichting de respectievelijk spuit- en driftzones zijn omgewisseld, klopt dit. Echter, niet de plantoelichting, maar de planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn deze zones juist weergegeven. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat vanwege deze omissie in de plantoelichting ook een omissie in de planregels is ontstaan.

De enkele omstandigheid dat in de figuren 5.5 en 5.6 in de plantoelichting deze zones zijn omgewisseld, wat daar verder van zij, is daarvoor onvoldoende.

Het betoog slaagt niet.

Speciale regels

10. [appellant A] en [appellant B] betogen dat in de planregels zes uitzonderingen of speciale regels zijn opgenomen voor het perceel De Hees 10 die veelal een vergroting van de bouwmogelijkheden betreffen, terwijl niet is gemotiveerd waarom daarin is voorzien. Het gaat hier volgens hen om de artikelen 6.2.2, onder h en onder k, 6.2.3, onder f, sub 2, en onder g, 6.5.5 en 6.6.1, onder b, van de planregels.

10.1. De raad heeft toegelicht dat voor een paar percelen, waaronder

De Hees 10, een aantal specifieke planregels zijn opgenomen om bestaande rechten in stand te houden. Zo is een aantal planregels voor De Hees 10 opgenomen omdat deze regels zijn gebaseerd op enerzijds de verleende omgevingsvergunning en de feitelijke situatie en anderzijds om voor De Hees 10 aan te sluiten bij eerdere regelingen die in de vernietigde besluiten voor het perceel waren opgenomen en waar de vernietiging van de Afdeling niet op zag. De raad heeft hiermee voldoende toegelicht waarom voor De Hees 10 specifieke regels zijn opgenomen. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet op deze wijze heeft kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond.

12. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. van Helvoort, griffier.

w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Helvoort
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026

877


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon