Uitspraak 202400856/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4730
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 april 2022 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Sint-Michielsgestel aan [wederpartij] een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van twee inritten voor de aanleg en het beheer van "Landgoed Theede" aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Sint-Michielsgestel. [wederpartij] woont op "Landgoed Theede" aan de [locatie 2] en wil twee inritten aanleggen voor zijn perceel en het perceel van zijn buurman over twee al bestaande duikers met dammen in de naastgelegen watergang. [appellant] is een omwonende en hij is het er niet mee eens dat [wederpartij] deze inritten wil aanleggen, omdat hij vreest voor de ruimtelijke uitstraling daarvan. Volgens hem is het gebruik van de gronden ter plaatse voor twee afzonderlijke inritten in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel, 2e actualisatie". Ook het college is tot die conclusie gekomen in zijn besluit op bezwaar. Zij willen dat er één gezamenlijke inrit wordt aangelegd.
- Hoger beroep
- RO - Noord-Brabant
Toon inhoud
202400856/1/R2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel,
2. [appellant], wonend in Sint-Michielsgestel,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 december 2023 in zaak nr. 22/2766 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in Sint-Michielsgestel,
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2022 heeft het college aan [wederpartij] een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van twee inritten voor de aanleg en het beheer van "Landgoed Theede" aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Sint-Michielsgestel.
Bij besluit van 11 oktober 2022 heeft het college het door [appellant] en [persoon] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 14 april 2022 herroepen en alsnog de omgevingsvergunning geweigerd.
Bij uitspraak van 27 december 2023 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 oktober 2022 vernietigd en zelf in de zaak voorzien door de bezwaren van [appellant] en [persoon] tegen het besluit van 14 april 2022 alsnog ongegrond te verklaren.
Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant] hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] en [persoon] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 11 maart 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I.J.M. van Tiem en V.E.H. van Hees, en [appellant], vertegenwoordigd door mr. drs. J.M. Lammers, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, zijn verschenen. Verder is op zitting [wederpartij] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 januari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [wederpartij] woont op "Landgoed Theede" aan de [locatie 2] en wil twee inritten aanleggen voor zijn perceel en het perceel van zijn buurman over twee al bestaande duikers met dammen in de naastgelegen watergang.
2.1. [appellant] is een omwonende en hij is het er niet mee eens dat [wederpartij] deze inritten wil aanleggen, omdat hij vreest voor de ruimtelijke uitstraling daarvan. Volgens hem is het gebruik van de gronden ter plaatse voor twee afzonderlijke inritten in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel, 2e actualisatie". Ook het college is tot die conclusie gekomen in zijn besluit op bezwaar. Zij willen dat er één gezamenlijke inrit wordt aangelegd.
Is het hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk?
3. [wederpartij] stelt dat het hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is. Volgens [wederpartij] is [appellant] geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [appellant] woont namelijk op enige afstand van de inritten en heeft ook geen zicht hierop.
3.1. Alleen een belanghebbende kan hoger beroep instellen. Dat staat in artikel 8:104 van de Awb. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] belanghebbende is en zijn hoger beroep daarom ontvankelijk. Het perceel van [appellant] ligt op ongeveer 85 m van de beoogde inrit aan de [locatie 1] en ongeveer 130 m van de inrit aan de [locatie 2]. Daarnaast zal de ruimtelijke uitstraling van het landgoed en de weg waaraan hij woont wijzigen als gevolg van de aanleg van de twee inritten. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de inritten. Dit betekent dat de Afdeling zijn hoger beroep inhoudelijk behandelt.
Is het gebruik van de inritten in strijd met het bestemmingsplan?
4. Het college en [appellant] betogen dat de rechtbank had moeten oordelen dat het gebruik van de gronden als inrit in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens hen passen de twee inritten niet binnen de bestemming "Natuur".
Daarnaast voeren het college en [appellant] aan dat de rechtbank had moeten oordelen dat de inritten ook via het inrichtingsplan in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het inrichtingsplan is namelijk voldoende concreet en duidelijk om als aanvullend toetsingskader voor het gebruik te dienen.
4.1. De aanvraag gaat over twee inritten en is door het college in eerste instantie alleen getoetst aan artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12 van de APV. Maar in bezwaar heeft het college het standpunt ingenomen dat de aanvraag ook aan het bestemmingsplan had moeten worden getoetst, omdat de aanleg van de inritten onlosmakelijk samenhangt met het gebruik van die inritten. De rechtbank heeft dit oordeel van het college overgenomen. Dat is in hoger beroep niet bestreden.
Als het gebruik van de gronden ter plaatse als inrit in strijd is met het bestemmingsplan is er ook een vergunning nodig voor het afwijken van het bestemmingsplan. Het gaat namelijk om onlosmakelijk samenhangende activiteiten. Het college wil die afwijkingsvergunning niet verlenen. Dat volgens [wederpartij] de gevraagde omgevingsvergunning alleen gaat over de aanleg van de inritten tussen de openbare weg en de grens van zijn perceel en het perceel van zijn buurman doet aan de door de rechtbank geconstateerde samenhang niet af en via die samenhang moet de aanvraag dus ook aan het bestemmingsplan worden getoetst.
4.2. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat het gebruik van de twee inritten niet in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft overwogen dat het bijbehorende inrichtingsplan onvoldoende concreet en duidelijk is om als aanvullend toetsingskader voor het gebruik van de inritten te dienen. Dat ontleent de rechtbank aan de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2444, onder 7.4. Maar in die uitspraak heeft de Afdeling alleen overwogen dat het inrichtingsplan op het punt van de bouwregels onvoldoende concreet en duidelijk is. Dat oordeel is dus niet zonder meer ook van toepassing op de gebruiksregels die in het inrichtingsplan zijn opgenomen. De Afdeling volgt [wederpartij] ook niet in zijn betoog dat als het inrichtingsplan op één punt onduidelijk is, het op alle punten onduidelijk is. De rechtbank heeft uit de uitspraak van 3 november 2021 dus ten onrechte afgeleid dat het inrichtingsplan in zijn geheel onvoldoende concreet en duidelijk is.
4.3. Het inrichtingsplan is op het punt van het gebruik van de gronden ter plaatse als inrit naar het oordeel van de Afdeling wel voldoende concreet en duidelijk. In paragraaf 3.1 van het inrichtingsplan staat namelijk dat de landhuizen samen beschikken over één ontsluiting op de Gagellaan, die zorgt voor een duidelijke samenhang tussen de twee woningen. Verder staat in paragraaf 3.3 dat de twee woningen worden ontsloten via een gemeenschappelijke inrit die wordt aangesloten op de Gagellaan. Daarnaast is op de afbeeldingen op pagina’s 10, 11, 12, 14, 15 en 20 één gezamenlijke inrit zichtbaar en is op de plek waar [wederpartij] de inritten wil aanleggen groen voorzien. Deze afbeeldingen hebben niet slechts een indicatieve waarde voor het aantal inritten, maar tonen één duidelijke gemeenschappelijke inrit. Dat betekent dat het inrichtingsplan op dit punt een concrete toetsingsnorm is voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de inritten. Het betekent ook dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag voor de twee inritten met het inrichtingsplan in strijd is en in het verlengde daarvan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat [wederpartij] niet een gezamenlijke inrit heeft aangevraagd.
4.4. De rechtbank heeft alleen al hierom ten onrechte overwogen dat het gebruik van de twee aangevraagde inritten niet in strijd is met het bestemmingsplan. De Afdeling gaat dan ook niet in op het betoog van het college en [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de twee inritten passen binnen de bestemming "Natuur".
Het betoog slaagt.
Conclusie over de hoger beroepen
5. De hoger beroepen zijn gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Mocht [wederpartij] erop vertrouwen dat hij twee inritten mocht aanleggen?
6. [wederpartij] betoogt dat het besluit van 11 oktober 2022 in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen. Hij wijst erop dat hij op 31 maart 2019 al een omgevingsvergunning had aangevraagd voor het aanleggen van de twee inritten. Op 2 juli 2019 heeft het college volgens [wederpartij] deze omgevingsvergunning verleend onder de voorwaarde dat hij € 7.000,00 zou bijbetalen. Dat heeft hij gedaan en de inritten zijn toen door de gemeente aangelegd. Volgens [wederpartij] mocht hij hieraan het vertrouwen ontlenen dat de inritten niet in strijd zijn met het bestemmingsplan.
6.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
6.2. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het college heeft namelijk geen toezegging gedaan waaruit [wederpartij] mocht afleiden dat de inritten niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het besluit van 2 juli 2019 waarbij het college aan [wederpartij] een omgevingsvergunning voor de aanleg van de inritten had verleend, is geen omstandigheid waaraan hij een gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen. Hij mocht hieruit niet afleiden dat het college de verleende vergunning niet in bezwaar alsnog zou weigeren. Tegen een besluit staan namelijk rechtsmiddelen open en er was ook al bezwaar tegen die vergunning gemaakt. [wederpartij] was hiervan op de hoogte. In het besluit op bezwaar van 9 december 2019 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning vervolgens alsnog geweigerd. Dat de gemeente vóór dat besluit op bezwaar in opdracht van [wederpartij] al was begonnen met de aanleg van de duikers voor de inritten, doet daar niet aan af. Het is weliswaar onhandig dat het college dit heeft gedaan terwijl het besluit nog niet in rechte vaststond, maar [wederpartij] draagt als opdrachtgever zelf de verantwoordelijkheid voor het feit dat de inritten zijn aangelegd voordat de vergunning onherroepelijk is. Van een gerechtvaardigd vertrouwen is geen sprake.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroep
7. Het beroep van [wederpartij] is ongegrond. Dit betekent dat het besluit van 11 oktober 2022, waarbij het college de omgevingsvergunning voor het aanleggen van twee inritten aan de [locatie 1] en [Locatie 2] in Sint-Michielsgestel heeft geweigerd, alsnog in stand blijft. [wederpartij] beschikt daarmee niet over een geldige vergunning voor de aanleg en het gebruik van de twee inritten.
Proceskosten en griffierecht
8. Het college moet de door [appellant] gemaakte proceskosten voor de behandeling van het hoger beroep vergoeden.
9. De griffier van de Raad van State betaalt aan [appellant] met toepassing van artikel 8:114 van de Awb het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terug.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel en [appellant] gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 december 2023 in zaak nr. 22/2766;
III. verklaart het beroep van [wederpartij] ongegrond;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht van € 279,00 voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
638-1140