Uitspraak BRS.26.001910
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4552
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 15 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant meegedeeld dat de rechten van de Richtlijn tijdelijke bescherming voor haar op 4 september 2025 stoppen, omdat de bevriezingsmaatregel eindigt.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.001910
ECLI:NL:RVS:2026:4552
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 maart 2026 in zaak nr. NL25.39320 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij brief van 15 juli 2025 heeft de minister appellant meegedeeld dat de rechten van de Richtlijn tijdelijke bescherming voor haar op 4 september 2025 stoppen, omdat de bevriezingsmaatregel eindigt.
Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het daartegen door appellant ingestelde beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept de grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
1.1. De eerste grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3091, onder 1, over de vraag of de brief van de minister over de gevolgen van de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 een besluit bevat in de zin van artikel 1:3 van de Awb). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2. De overige grieven leiden ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen de grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Appellant heeft de Afdeling verzocht prejudiciële vragen te stellen over artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit 2022/382. Uit de beoordeling van de eerste grief volgt echter dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard om van het beroep kennis te nemen. Daarom is beantwoording van de door appellant opgeworpen vragen niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en Remling, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. de Vries-van Trappen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vries-van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026
985