Uitspraak BRS.25.002425
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3091
- Datum uitspraak
- 3 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 16 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant meegedeeld dat de rechten van de Richtlijn tijdelijke bescherming voor hem op 4 september 2025 stoppen omdat de bevriezingsmaatregel eindigt, en dat hij vanaf die datum vier weken de tijd heeft om te vertrekken uit Nederland als hij op dat moment geen andere verblijfsvergunning of een openstaande aanvraag daarvoor heeft.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.002425
ECLI:NL:RVS:2026:3091
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 27 november 2025 in zaak nr. NL25.41810 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij brief van 16 juli 2025 heeft de minister appellant meegedeeld dat de rechten van de Richtlijn tijdelijke bescherming voor hem op 4 september 2025 stoppen omdat de bevriezingsmaatregel eindigt, en dat hij vanaf die datum vier weken de tijd heeft om te vertrekken uit Nederland als hij op dat moment geen andere verblijfsvergunning of een openstaande aanvraag daarvoor heeft.
Bij mondelinge uitspraak van 27 november 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het daartegen door appellant ingestelde beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de brief van 16 juli 2025 geen besluit bevat als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, maar alleen informatief van aard is. Anders dan appellant betoogt, betekent dit dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard om van het beroep kennis te nemen, omdat tegen die brief geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
18