Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202502900/1/V6

Uitspraak 202502900/1/V6

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3978
Datum uitspraak
8 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. [appellant] stelt dat hij de Iraakse nationaliteit heeft. Hij had eerst een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarna heeft hij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid gekregen en vervolgens een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. [appellant] draagt samen met zijn vrouw de zorg voor hun drie kinderen, waarvan er twee meervoudig gehandicapt zijn. In het bijzonder de oudste dochter van [appellant] heeft door haar beperkingen veel intensieve zorg nodig. [appellant] heeft ter onderbouwing van het naturalisatieverzoek een onvertaalde gelegaliseerde geboorteakte overgelegd. Ook heeft hij een Iraakse huwelijksakte, een bevestiging van het huwelijk, een woonverklaring, een ‘Copy of Entry 1957’ van zijn echtgenote en meerdere onvertaalde documenten overgelegd. Het naturalisatieverzoek is afgewezen, omdat [appellant] zijn nationaliteit niet heeft aangetoond. [appellant] heeft namelijk geen geldig paspoort overgelegd. Hierdoor voldoet [appellant] niet aan de documenteis voor de verkrijging van het Nederlanderschap.
  • Hoger beroep
  • Nederlanderschap

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202502900/1/V6.
Datum uitspraak: 8 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2024 en haar einduitspraak van 16 april 2025 in zaak nr. 24/865 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop’

Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het naturalisatieverzoek) afgewezen.

Bij besluit van 22 november 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 24 juli 2024 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.

Bij besluit van 10 oktober 2024 heeft de staatssecretaris het besluit van 22 november 2023 nader gemotiveerd.

Bij einduitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 22 november 2023, nader gemotiveerd bij besluit van 10 oktober 2024, ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. Maalsen, advocaat in Nijmegen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W. Epema, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] stelt dat hij de Iraakse nationaliteit heeft. Hij had eerst een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarna heeft hij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid gekregen en vervolgens een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. [appellant] draagt samen met zijn vrouw de zorg voor hun drie kinderen, waarvan er twee meervoudig gehandicapt zijn. In het bijzonder de oudste dochter van [appellant] heeft door haar beperkingen veel intensieve zorg nodig.

1.1.    [appellant] heeft ter onderbouwing van het naturalisatieverzoek een onvertaalde gelegaliseerde geboorteakte overgelegd. Ook heeft hij een Iraakse huwelijksakte, een bevestiging van het huwelijk, een woonverklaring, een ‘Copy of Entry 1957’ van zijn echtgenote en meerdere onvertaalde documenten overgelegd.

1.2.    De minister heeft het naturalisatieverzoek afgewezen, omdat [appellant] zijn nationaliteit niet heeft aangetoond. [appellant] heeft namelijk geen geldig paspoort overgelegd. Hierdoor voldoet [appellant] niet aan de documenteis voor de verkrijging van het Nederlanderschap.

1.3.    In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet in bewijsnood verkeert, maar dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of het wegens bijzondere omstandigheden onevenredig is om in het geval van [appellant] vast te houden aan de documenteis. In haar einduitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de minister dit gebrek heeft hersteld. De minister heeft volgens de rechtbank in het besluit van 10 oktober 2024 deugdelijk gemotiveerd dat het niet onevenredig is om in het geval van [appellant] vast te houden aan de documenteis. Uit de door [appellant] ingebrachte documenten blijkt namelijk onvoldoende dat hij de Iraakse nationaliteit heeft. Wegens het zwaarwegende belang dat de minister heeft om alleen het Nederlanderschap toe te kennen aan een persoon wiens nationaliteit bekend is, maken de nadelige gevolgen voor [appellant] niet dat het onredelijk is dat de minister vasthoudt aan de in het beleid neergelegde documenteis. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het besluit van 22 november 2023, nader gemotiveerd bij besluit van 10 oktober 2024, in stand. De rechtbank laat hierbij in het midden of de minister van [appellant] mag verlangen dat hij een poging doet om af te reizen naar Irak om de benodigde documenten te verkrijgen.

Is sprake van bewijsnood?

2.       [appellant] betoogt dat hij in bewijsnood verkeert. De rechtbank is onder 8.2 van de tussenuitspraak gemotiveerd op deze beroepsgrond van [appellant] ingegaan. [appellant] heeft in hoger beroep niet geconcretiseerd waarom het oordeel van de rechtbank geen stand kan houden. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om hierover anders te oordelen.

2.1.    De hogerberoepsgrond slaagt niet.

Heeft de rechtbank volledig beoordeeld of het evenredig is dat de minister vasthoudt aan de documenteis?

3.       [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet alle relevante elementen heeft betrokken in haar oordeel dat het niet onevenredig is dat de minister vasthoudt aan de documenteis. Volgens [appellant] maakt het voor de evenredigheidstoets niet uit of hij zijn nationaliteit voldoende heeft aangetoond. De vraag of het evenredig is dat de minister vasthoudt aan deze beleidsregel is namelijk pas aan de orde, als de identiteit en nationaliteit niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld en er geen bewijsnood is. Door in het midden te laten of de minister van [appellant] mocht verlangen dat hij, ondanks zijn moeilijke gezinssituatie, afreist naar Irak om de benodigde documenten te verkrijgen, heeft de rechtbank volgens [appellant] een onvolledige evenredigheidsbeoordeling gemaakt.

3.1.    [appellant] voert terecht aan dat de rechtbank niet alle relevante elementen heeft betrokken in haar oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn waardoor het onevenredig zou zijn om vast te houden aan de documenteis. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3326, onder 7.2, staat de documenteis niet in artikel 7 van de RWN, maar in de Handleiding RWN. In paragraaf 3.5.6 van het beleid voor artikel 7 van de RWN staat als hoofdregel dat een verzoeker verplicht is zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen met een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig buitenlands paspoort. De minister wijkt van deze hoofdregel af bij bewijsnood of met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als het in het individuele geval onevenredig is dat hij vasthoudt aan de hoofdregel.

3.2.    Onder verwijzing naar de uitspraak van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2290, onder 9 en 9.1, overweegt de Afdeling dat de minister bij de vraag of hij op grond van artikel 4:84 van de Awb moet afwijken van zijn beleid, moet beoordelen of vasthouden aan de documenteis in het individuele geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. De bestuursrechter toetst vervolgens, indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, aan de hand van dat standpunt of de minister aanleiding had moeten zien om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn beleid af te wijken. Daarbij gelden dezelfde maatstaven als bij de toetsing van het besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. In zijn beroepschrift heeft [appellant] expliciet aangevoerd dat het onevenredig is om in zijn geval vast te houden aan de documenteis, omdat de minister door zijn gezinssituatie niet van hem mag eisen dat hij afreist naar Irak om de benodigde documenten te verkrijgen. Door in het midden te laten of de minister van [appellant] mag verlangen dat hij afreist naar Irak, heeft de rechtbank niet aan de hand van alle relevante elementen op de hiervoor beschreven wijze getoetst of het besluit van de minister evenredig is.

3.3.    De hogerberoepsgrond slaagt.

Is het onevenredig dat de minister vasthoudt aan de documenteis?

4.       De Afdeling stelt vervolgens vast dat niet in geschil is dat [appellant] zijn nationaliteit niet heeft aangetoond. Dit betekent dat de Afdeling alleen nog een oordeel moet geven over de vraag of het in het geval van [appellant] onevenredig is dat de minister vasthoudt aan de documenteis. [appellant] voert in dit verband aan dat door de intensieve zorg die zijn dochters nodig hebben, het onevenredig is dat de minister vasthoudt aan de documenteis en van hem verlangt dat hij afreist naar Irak om de benodigde documenten te verkrijgen. Hierbij werpt de minister hem ten onrechte tegen dat hij in 2022 vier dagen met zijn zoon naar Turkije is gegaan en dat zijn echtgenote op korte termijn de voor naturalisatie benodigde documenten in Irak heeft verkregen. Doordat [appellant] niet over de benodigde onderliggende documenten voor het aanvragen van een paspoort beschikt en geen familieleden meer heeft in Irak, zal hij namelijk veel langer dan zijn echtgenote naar Irak moeten gaan. Ook is onzeker of [appellant] door een reis naar Irak de benodigde documenten zal kunnen verkrijgen. Verder vreest [appellant] bij inreis in Irak problemen te krijgen, omdat Irak als bestemming is uitgezonderd in zijn vreemdelingenpaspoort.

4.1.    De Afdeling oordeelt dat het door de bijzondere omstandigheden in deze zaak onevenredig is dat de minister vasthoudt aan de documenteis en dat de rechtbank om die reden ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 22 november 2023 in stand heeft gelaten. Hierbij acht de Afdeling doorslaggevend dat uit de door [appellant] ingebrachte stukken volgt dat zijn beide thuiswonende dochters door hun beperkingen veel zorg nodig hebben, waarbij in het bijzonder de zorg voor de oudste dochter zeer arbeidsintensief is en dag en nacht doorgaat. De oudste dochter zit in een rolstoel, kan niet praten en heeft intensieve verzorging, begeleiding en ondersteuning nodig. De echtgenote van [appellant] kan deze zorg niet alleen verlenen, omdat de oudste dochter ook getild moet worden en de echtgenote hiertoe niet in staat is. Daarbij komt dat ook de andere dochter is aangewezen op intensieve zorg en ondersteuning van haar ouders. De rol van [appellant] in deze verzorging is moeilijk door een derde te vervullen. Daardoor zou [appellant] alleen voor zeer korte tijd naar Irak kunnen reizen om de benodigde documenten te verkrijgen. Dit is tussen partijen niet in geschil. Het is allerminst zeker dat een kort bezoek naar Irak voldoende is om de benodigde documenten te verkrijgen. [appellant] heeft namelijk informatie van het Iraakse ministerie van Buitenlandse Zaken overgelegd over de aanvraagprocedure van deze documenten. De Afdeling leidt uit deze informatie af dat het voor de verkrijging van deze documenten nodig is dat [appellant] afreist naar Irak, dat het gelet op de documenten die hij aldaar zal moeten kunnen laten zien, vervolgens onzeker is hoe lang hij in Irak zal moeten verblijven, terwijl niet vaststaat dat dit in zijn geval tot enig resultaat zal leiden. De minister heeft dit niet weersproken. Ook heeft [appellant] wel degelijk pogingen gedaan om aan documenten te komen.

4.2.    De minister heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat hij er belang bij heeft om vast te houden aan de documenteis, omdat hij dan [appellant]s nationaliteit met zekerheid kan vaststellen en hij [appellant]s andere identiteitsgegevens nogmaals kan verifiëren. Zoals de minister echter desgevraagd ook heeft bevestigd, is de identiteit van [appellant] niet in geschil en werpt hij [appellant] niet meer tegen dat hij niet bereid is om afstand te doen van zijn huidige nationaliteit, omdat [appellant] daartoe een afstandsverklaring heeft ondertekend. Onder deze omstandigheden wegen de belangen van de minister niet op tegen de belangen van [appellant] bij naturalisatie. De Afdeling oordeelt dat het onevenwichtig is dat de minister vasthoudt aan de documenteis, omdat daarvoor een reis van [appellant] naar Irak noodzakelijk is waardoor de continuïteit van de zorg voor zijn twee van hem afhankelijke dochters in gevaar komt. Daarom kan de minister een dergelijke reis van onzekere duur en uitkomst niet van hem verlangen. Er bestond in dit geval aanleiding voor de minister om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de documenteis. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 22 november 2023 in stand heeft gelaten. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat afwijking van de documenteis in de praktijk betekent dat hij in beginsel niet meer tegenwerpt dat een vreemdeling zijn nationaliteit niet heeft aangetoond.

4.3.    De hogerberoepsgrond slaagt.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de einduitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 22 november 2023, nader gemotiveerd bij besluit van 10 oktober 2024, in stand blijven. De Afdeling bevestigt de tussenuitspraak. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Uit het standpunt van de minister in deze procedure en de dossierstukken is vooralsnog niet gebleken dat er andere redenen zijn die aan de inwilliging van het naturalisatieverzoek in de weg staan. De minister moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       bevestigt de tussenuitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2024 in zaak nr. 24/865;

III.      vernietigt de einduitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 april 2025 in zaak nr. 24/865, voor zover zij de rechtsgevolgen van het besluit van 22 november 2023, nader gemotiveerd bij besluit van 10 oktober 2024, in stand heeft gelaten;

IV.      veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.       gelast dat de minister van Justitie en Veiligheid aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.

w.g. De Poorter
voorzitter

w.g. De Ruijter
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026

887-1127


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon