Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202503091/1/V2

Uitspraak 202503091/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3970
Datum uitspraak
8 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 21 december 2023, aangevuld op 10 februari 2025, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Appellanten vormen een gezin van een moeder met haar twee meerderjarige zonen. Zij hebben allen de Iraanse nationaliteit. De minister heeft aan de moeder en haar destijds minderjarige zoon na een initiële afwijzing van de asielaanvragen met ingang van 21 september 2017 alsnog een verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat hij de problemen van de moeder als gevolg van haar afvalligheid geloofwaardig achtte. Aan de destijds al meerderjarige zoon heeft de minister een zelfstandige verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat hij de problemen van zijn moeder geloofwaardig achtte. In het besluit van 21 december 2023, aangevuld op 10 februari 2025, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de moeder met behulp van de juridisch adviseur valse verklaringen heeft afgelegd. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de vergunningen mocht intrekken en over de vraag hoe een herbeoordeling in een geval als dit moet plaatsvinden.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persbericht
Volledige tekst

202503091/1/V2.
Datum uitspraak: 8 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 april 2025 in zaken nrs. NL23.39979, NL23.39983 en NL23.39986 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 21 december 2023, aangevuld op 10 februari 2025, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij uitspraak van 30 april 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.

De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellanten hebben daarop gereageerd.

De Afdeling heeft de UNHCR in de gelegenheid gesteld aan de procedure deel te nemen.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

De UNHCR heeft te kennen gegeven geen gebruik te kunnen maken van de gelegenheid om aan de procedure deel te nemen.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 202406367/1/V2 op een zitting behandeld op 15 oktober 2025, waar appellanten, bijgestaan door mr. B.A. Palm, advocaat in Utrecht, en N. Adel, tolk, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.J. Klungel, mr. J.P. Guerain en mr. T. Mijnals, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Appellanten vormen een gezin van een moeder met haar twee meerderjarige zonen. Zij hebben allen de Iraanse nationaliteit. De minister heeft aan de moeder en haar destijds minderjarige zoon na een initiële afwijzing van de asielaanvragen met ingang van 21 september 2017 alsnog een verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat hij de problemen van de moeder als gevolg van haar afvalligheid geloofwaardig achtte. Aan de destijds al meerderjarige zoon heeft de minister een zelfstandige verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat hij de problemen van zijn moeder geloofwaardig achtte.

1.1.    Bij arrest van 7 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4067, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch een juridisch adviseur veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens mensensmokkel, met ontzegging van het recht tot uitoefening van zijn beroep van beroepsmatige dienstverlener in het vreemdelingenrechtelijke domein voor de duur van tien jaar. De juridisch adviseur heeft fictieve asielrelazen tegen betaling aangeboden en vreemdelingen geholpen met het instuderen van een dergelijk relaas met als doel het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel. Naar aanleiding hiervan heeft de minister het Ambrose-project opgezet om uit te zoeken welke vreemdelingen gebruik hebben gemaakt van de diensten van deze juridisch adviseur en na te gaan of die vreemdelingen op frauduleuze wijze in het bezit zijn gekomen van een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft desgevraagd toegelicht dat het Ambrose-project een onderzoek omvat naar 102 personen, exclusief familieleden die op nareis naar Nederland zijn gekomen of kinderen die in Nederland zijn geboren. Deze zaak valt onder dit project.

1.2.    In het besluit van 21 december 2023, aangevuld op 10 februari 2025, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de moeder met behulp van de juridisch adviseur valse verklaringen heeft afgelegd. De minister heeft daarbij de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 ingetrokken. De minister heeft daarom ook de afgeleide verblijfsvergunning asiel van de jongste zoon ingetrokken, evenals de zelfstandige verblijfsvergunning asiel van de oudste zoon vanwege de samenhang met de zaak van zijn moeder. De minister heeft voorts op grond van paragraaf C2/10.2.1.2 van de Vc 2000 herbeoordeeld of betrokkenen op basis van alle op dat moment beschikbare en geloofwaardige elementen en bevindingen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 desondanks in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar heeft geconcludeerd dat dit niet het geval is. Appellanten houden immers vast aan hun oorspronkelijke asielmotief. Nu gebleken is dat zij destijds valse verklaringen hebben afgelegd met behulp van de juridisch adviseur, is volgens de minister niet langer geloofwaardig dat appellanten agnost zijn of als afvalligen zullen worden gezien en daardoor bij terugkeer naar Iran een reëel risico op ernstige schade lopen.

1.3.    Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Leeswijzer

2.       Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de vergunningen mocht intrekken en over de vraag hoe een herbeoordeling in een geval als dit moet plaatsvinden. De uitspraak is als volgt opgebouwd. De Afdeling geeft als eerste de uitspraak van de rechtbank weer. Daarna bespreekt de Afdeling het hoger beroep van appellanten, waarbij de intrekking en herbeoordeling van de asielaanvragen centraal staan, aan de hand van het in zaken zoals deze toe te passen kader zoals uiteengezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3863, onder 7.2 tot en met 7.9. Tot slot geeft de Afdeling een oordeel over de grief over de ambtshalve beoordeling aan artikel 8 van het EVRM.

Het oordeel van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de besluitvorming voldoende blijkt dat appellanten op essentiële onderdelen onjuiste gegevens hebben verstrekt die bepalend zijn geweest voor de verlening van de verblijfsvergunningen asiel. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat het afgeluisterde telefoongesprek tussen de adviseur en een onbekende man over appellanten gaat. Eveneens kan volgens de rechtbank uit de stukken worden afgeleid dat appellanten al voor de initiële afwijzing van de asielaanvragen contact hadden met de juridisch adviseur. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat het asielrelaas van appellanten sterk overeenkomt met een vaste verhaallijn van de adviseur. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde geloofsovertuiging en afvalligheid van appellanten ongeloofwaardig acht.

3.1.    De rechtbank heeft over de herbeoordeling geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat appellanten in Iran in het verleden geen problemen hebben ondervonden door hun seculiere levenswijze. Ook heeft de rechtbank daarbij betrokken dat de gestelde geloofsovertuiging en afvalligheid niet geloofwaardig zijn en dat uit de verklaringen van appellanten valt af te leiden dat zij hun seculiere levenshouding niet actief uitdragen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door een ondervraging op het vliegveld een reëel risico op ernstige schade lopen.

3.2.    De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de intrekking van de verblijfsvergunningen asiel niet in strijd is met het recht op familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

De beoordeling van het hoger beroep

De intrekking van de verblijfsvergunningen asiel

4.       Appellanten klagen in hun eerste grief over het onder 3 weergegeven oordeel van de rechtbank. Zij betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd op welke concrete punten zij daadwerkelijk onjuiste gegevens hebben verstrekt over hun afvalligheid. Appellanten betogen daarbij dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast bij hen heeft gelegd.

4.1.    Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de minister een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekken als een vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid. Het is aan de minister om aannemelijk te maken dat een dergelijk geval zich voordoet. Als de minister aan deze bewijslast heeft voldaan, is het aan de vreemdeling om daarover voldoende twijfel te zaaien (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:280, onder 2.1).

4.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het tapverslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 23 november 2017 blijkt dat tussen de juridisch adviseur en een onbekende man over appellanten wordt gesproken. Het betoog van appellanten dat het over alle 102 personen zou kunnen gaan die onder het Ambrose-project vallen, slaagt niet. De rechtbank heeft er namelijk terecht op gewezen dat de moeder bij haar voornaam wordt genoemd, dat er wordt gesproken over ‘die jongens’ en dat het genoemde asielmotief overeenkomt met het asielmotief van appellanten.

4.3.    In het afgeluisterde telefoongesprek heeft de juridisch adviseur opgemerkt dat hij al vanaf de eerste dag vond dat ‘geen geloof’ als asielmotief moest worden aangevoerd met de achterliggende gedachte dat later een bekering tot het christendom kon worden toegevoegd als het niet zou lukken om op grond van dat oorspronkelijke asielmotief een verblijfsvergunning asiel te krijgen. De rechtbank heeft hierover overwogen dat dit erop duidt dat appellanten al voor de initiële afwijzing van de asielaanvraag contact hadden met de juridisch adviseur en dat de juridisch adviseur hun asielmotief heeft aangedragen, met voor de zekerheid nog een alternatief motief. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat niet valt in te zien waarom appellanten en de juridisch adviseur op 7 augustus 2017 al een contract hebben afgesloten, terwijl de gestelde inval in de woning van appellanten in Iran pas op 18 september 2017 zou hebben plaatsgevonden en zij juist die als reden hebben aangevoerd om asiel aan te vragen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het asielrelaas van appellanten sterk overeenkomt met de verhaallijn van de juridisch adviseur. Appellanten hebben deze overwegingen in hoger beroep niet concreet weersproken.

4.4.    De rechtbank heeft op basis van het voorgaande terecht geoordeeld dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten onjuiste gegevens hebben verstrekt over essentiële onderdelen van hun asielrelaas. Anders dan appellanten betogen, leidt de omstandigheid dat niet precies valt na te gaan welke verklaringen van de juridisch adviseur afkomstig zijn niet tot een ander oordeel. Dit geldt ook voor de stelling van appellanten dat zij niet wisten dat de juridisch adviseur malafide was. Het is immers de verantwoordelijkheid van appellanten om hun persoonlijke relaas naar voren te brengen en daarbij authentieke verklaringen af te leggen. Dat hebben appellanten in dit geval niet gedaan. Anders dan appellanten verder betogen, is de bewijslast daarmee niet omgedraaid en is het niet zo dat de rechtbank daarbij de verschillende beoordelingsstappen door elkaar zou hebben gehaald. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij zich op het standpunt stelt dat appellanten onjuiste gegevens hebben verstrekt die doorslaggevend zijn geweest voor vergunningverlening. De grief slaagt niet.

5.       Appellanten betogen in de tweede grief dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de minister niet in alle gevallen is overgegaan tot intrekking van de verblijfsvergunningen asiel van personen die onder het Ambrose-project vallen. Ook betogen zij dat de juridisch adviseur geen tijdlijn met hen heeft gemaakt, terwijl hij dat wel had gedaan in alle gevallen waarvoor hij uiteindelijk veroordeeld is.

5.1.    Voor zover appellanten een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel slaagt dat betoog niet. De minister heeft toegelicht dat hij in alle gevallen die onder het Ambrose-project vallen, op basis van de individuele feiten en omstandigheden beoordeelt of hij tot intrekking overgaat. Op de zitting bij de Afdeling heeft de minister verder geconcretiseerd dat hij in een aantal gevallen geloofwaardig acht dat vreemdelingen na de oorspronkelijke inwilliging van hun asielaanvragen daadwerkelijk alsnog zijn bekeerd tot het christendom. Over appellanten heeft de minister gemotiveerd beargumenteerd waarom hij dat niet geloofwaardig heeft geacht, zodat geen sprake is van gelijke gevallen.

5.2.    De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het feit dat appellanten niet zijn betrokken in de strafzaak tegen de juridisch adviseur onvoldoende is om anders te oordelen. Appellanten zijn namelijk wel genoemd in de ontnemingszaak waarin de juridisch adviseur is opgedragen om het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 215.059,00 aan de staat te betalen (zie het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4074). Alleen het feit dat de juridisch adviseur geen tijdlijn met appellanten heeft gemaakt, maakt het voorgaande niet anders. Het doet ook geen afbreuk aan hetgeen de Afdeling onder 4.2 tot en met 4.4 heeft overwogen. De grief slaagt niet.

De herbeoordeling van de asielaanvragen

6.       Appellanten klagen in hun derde grief over het onder 3.1 weergegeven oordeel van de rechtbank. Zij betogen dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de andersluidende uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 19 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14959. Appellanten betogen ook dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van hen terughoudendheid mag worden verwacht bij terugkeer. Verder betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben dan wel een reëel risico op ernstige schade lopen.

6.1.    Wanneer de minister een besluit neemt om een verblijfsvergunning asiel in te trekken, verricht hij ook een herbeoordeling op grond van paragraaf C2/10.2.1.2 van de Vc 2000. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3863, onder 7.2 tot en met 7.9, uitgelegd op welke wijze de minister zaken van vreemdelingen die onder het Ambrose-project vallen en vasthouden aan hun oorspronkelijke asielmotief van bekering of afvalligheid, moet beoordelen.

6.2.    Uit die uitspraak volgt dat de minister een overkoepelende geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij de minister werkinstructie (WI) 2024/6 en WI 2022/3 toepast. De uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2713, is daarbij naar analogie van toepassing. Dit betekent dat de minister bij het intrekkingsgehoor vragen moet stellen over de drie volgende elementen: 1) de motieven voor en het proces van bekering of afvalligheid, 2) de kennis van het nieuwe geloof en 3) de activiteiten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van veranderingen. Hierbij moet de minister ook rekening houden met het feit dat ontoereikende verklaringen over een van de elementen gecompenseerd kunnen worden door overtuigende verklaringen over de andere elementen. Daar staat tegenover dat de minister niet ten onrechte uitgaat van een verzwaarde bewijslast voor de vreemdeling in een geval als dit. Dit betekent dat de minister in dit soort gevallen van een vreemdeling mag verlangen dat hij bij het intrekkingsgehoor toelicht waarom hij alsnog in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Daarbij moet de vreemdeling reflecteren op zijn handelen bij de oorspronkelijke asielaanvraag, alsmede inzichtelijk maken wat er heeft plaatsgevonden ná het verkrijgen van de oorspronkelijke verblijfsvergunning asiel en waarom nieuw ingebrachte elementen en bevindingen zouden moeten leiden tot een voor hem positieve uitkomst. Zie in dit verband de hiervoor in 6.1 genoemde uitspraak van vandaag.

6.3.    Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt verder dat vreemdelingen in dit type zaken in beginsel niet het voordeel van de twijfel wordt gegund, omdat zij niet meer in grote lijnen als geloofwaardig kunnen worden beschouwd (artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Ook mag de minister meer betekenis hechten aan documenten bij de beoordeling van de gestelde bekering of afvalligheid. Dit bewijsmateriaal kan bestaan uit objectieve documenten, maar ook uit eigen verklaringen, verklaringen van derden, berichten op sociale media en foto’s.

6.4.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank heeft onderkend dat de minister in dit geval deugdelijk heeft gemotiveerd waarom appellanten niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van de herbeoordeling. Aan de hand van de verschillende betogen uit de derde grief zal de Afdeling dat in de overwegingen hierna verder toelichten.

6.5.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 19 september 2024, slaagt niet. Volledigheidshalve wijst de Afdeling erop dat zij in de hiervoor vermelde uitspraak van vandaag heeft beslist op het hoger beroep tegen deze rechtbankuitspraak. Anders dan in die zaak, heeft de rechtbank in dit geval terecht overwogen dat de door appellanten gestelde afvalligheid ongeloofwaardig is. Daarbij betrekt de rechtbank dat appellanten niet hebben gesteld dat zij in Nederland alsnog afvallig zijn geworden. Daarnaast heeft de minister uit de verklaringen van appellanten kunnen afleiden dat zij hun seculiere leven in Nederland niet actief hebben uitgedragen, aldus de rechtbank. Appellanten hebben niet aangevoerd dat de minister hen onvoldoende naar de gestelde geloofsovertuiging en/of afvalligheid heeft gevraagd. Ze hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat de herbeoordeling van de asielaanvragen in dit geval niet in overeenstemming was met het onder 6.1 tot en met 6.3 weergegeven toetsingskader.

6.6.    Appellanten betogen voorts tevergeefs dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen terughoudendheid van hen mag worden verwacht. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat hij de gestelde afvalligheid niet geloofwaardig acht, zodat de rechtbank onder deze omstandigheden terecht heeft overwogen dat van appellanten mag worden verwacht dat zij zich bij terugkeer terughoudend opstellen en niet vanuit zichzelf verklaren over hun asielaanvragen en gestelde asielmotieven.

6.7.    Appellanten betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat zij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging hebben dan wel een reëel risico op ernstige schade lopen. In dit verband hebben zij in hun nadere stuk van 28 september 2025 ook gewezen op de verslechterde veiligheidssituatie in Iran, hun lange verblijf in het Westen en hun deelname aan demonstraties en bijeenkomsten tegen de Iraanse autoriteiten. Hiermee reageren appellanten echter niet op de overweging van de rechtbank dat het niet aannemelijk is dat zij in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staan. De rechtbank heeft aan de hand van informatie uit het algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 overwogen dat het risico bestaat dat appellanten zullen worden ondervraagd op het vliegveld en dat zij mogelijk een verklaring moeten ondertekenen. De rechtbank heeft hierover terecht overwogen dat van appellanten mag worden verwacht dat zij zich terughoudend zullen opstellen en niet uit zichzelf zullen verklaren over hun asielaanvragen en asielmotieven. Appellanten hebben in het nadere stuk gesteld dat zij aan demonstraties hebben meegedaan, maar dit hebben zij niet verder toegelicht of gestaafd. Zij hebben ook niet met landeninformatie onderbouwd dat zij alleen al door hun lange verblijf in het buitenland een gegronde vrees voor vervolging hebben dan wel een reëel risico op ernstige schade lopen. De grief slaagt niet.

6.8.    De Afdeling heeft bij deze uitspraak geen mogelijke wijzigingen in de veiligheidssituatie in Iran betrokken. Appellanten kunnen deze desgewenst ten grondslag leggen aan een nieuwe aanvraag.

De ambtshalve beoordeling aan artikel 8 van het EVRM

7.       Appellanten klagen in de vierde grief over het onder 3.2 weergegeven oordeel van de rechtbank. Zij betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister onvoldoende belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat de zoons zelf geen onjuiste gegevens hebben verstrekt. Ook betogen appellanten dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met hun persoonlijke omstandigheden. Daarbij wijzen ze in het nadere stuk van 28 september 2025 op verschillende omstandigheden, zoals het onderwijs dat ze hebben gevolgd, hun arbeidsparticipatie en sociale aspecten.

7.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van appellanten heeft laten uitvallen. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de minister in het nadeel van appellanten heeft mogen meewegen dat hun verblijfsvergunning op grond van onjuiste, door hen verstrekte gegevens is verleend. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat appellanten geen zelfstandige middelen van bestaan hebben. Verder is onweersproken dat zij substantiële banden met Iran hebben. De minister heeft in dit geval ook deugdelijk gemotiveerd dat de zoons zelf onjuiste gegevens hebben verstrekt, omdat de door hen gestelde seculiere opvoeding en afvalligheid van de islam gebaseerd is op de adviezen van de juridisch adviseur. Daarom gaat het betoog dat, gelet op het arrest van het Hof van 14 maart 2019, Y.Z., ECLI:EU:C:2019:203, meegewogen had moeten worden dat zij zelf geen onjuiste gegevens hebben verstrekt, niet op.

7.2.    Los van de vraag of de in hoger beroep overgelegde informatie over het privéleven alsnog bij de beoordeling kan worden betrokken, stelt de Afdeling vast dat appellanten hun stellingen niet met documenten hebben gestaafd. Over hetgeen appellanten al in beroep hadden aangevoerd heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister het door appellanten opgebouwde privéleven in Nederland niet zodanig bijzonder heeft hoeven vinden om de belangenafweging in hun voordeel te laten uitvallen. De grief slaagt niet.

Conclusie

8.       Het hoger beroep is ongegrond. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.

w.g. Sevenster
voorzitter

w.g. Veen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026

986

Persbericht

Minister trekt terecht asiel in na gekochte en verzonnen asielverhalen

De minister van Asiel en Migratie mag een asielvergunning intrekken als hij erachter komt dat een asielzoeker zijn asielmotief heeft verzonnen en heeft gebaseerd op valse verklaringen. Maar de minister moet daarna wel altijd een deugdelijke herbeoordeling maken of de asielzoeker alsnog in aanmerking komt voor asiel. Dat oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in twee uitspraken van vandaag (8 juli 2026) in het zogenoemde ‘Ambroseproject’.

Achtergrond

In december 2023 veroordeelde het gerechtshof in 's-Hertogenbosch een juridisch adviseur tot een gevangenisstraf van vier jaar voor mensensmokkel. Hij verkocht verzonnen asielverhalen voor flinke bedragen aan asielzoekers uit onder andere Iran en hielp ze bij het instuderen hiervan om in Nederland asiel te krijgen. Dit leidde tot het zogenoemde ‘Ambroseproject’, waarin de minister onderzoek deed naar ruim honderd asielvergunningen die hij had verleend. Zo deed hij ook onderzoek naar twee Iraanse gezinnen die hij in 2017 asiel verleende. De minister geloofde dat de gezinnen afvalligen en bekeerd zijn en daarom in Iran gevaar lopen. Maar na het onderzoek concludeert de minister dat de gezinnen hulp hebben gehad van de veroordeelde juridisch adviseur en valse verklaringen hebben gegeven. Daarom heeft de minister de asielvergunningen ingetrokken. De gezinnen houden nog altijd vast aan hun oorspronkelijke asielmotief.

Oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak

De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de minister de asielvergunningen van de gezinnen terecht heeft ingetrokken nadat hij concludeerde dat zij valse verklaringen hebben gegeven. Wel moet de minister nog een deugdelijke herbeoordeling maken of de gezinnen wellicht toch nog in aanmerking komen voor asiel. Dat geldt ook als zij vasthouden aan hun oorspronkelijke asielmotief. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister in een van de zaken de herbeoordeling niet zorgvuldig heeft voorbereid, omdat het gezin niet over alle relevante aspecten van hun asielmotief is gehoord. De minister zal het gezin daarom opnieuw moeten horen en opnieuw een besluit moeten nemen of het gezin in aanmerking komt voor asiel. In de andere zaak oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de minister de herbeoordeling wel deugdelijk heeft gedaan en dat hij terecht geen asiel heeft verleend.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon