Uitspraak 202303058/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3956
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 juli 2016 heeft de korpschef van politie het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen. [appellant] heeft bij brief van 6 oktober 2015 een Wob-verzoek met nummer 0090 ingediend waarin hij openbaarmaking verzoekt van alle documenten die betrekking hebben op FinFisher, Excellence in IT Investigation (of vergelijkbare namen). In het verzoek vermeldt [appellant] onder meer als voorbeelden van documenten onderzoeken, evaluaties, rapportages, overzichten, notulen, beleidsdocumenten, meldingen en mutaties. De korpschef heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en de afwijzing in zijn besluit op bezwaar gehandhaafd.
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
202303058/1/A3.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de korpschef van politie,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2016 heeft de korpschef het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.
Bij besluit van 21 november 2016 heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 6 juli 2016 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 oktober 2017 heeft de rechtbank, voor zover hier relevant, het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 november 2016 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant].
Bij besluit van 28 februari 2019 heeft de korpschef opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant].
[appellant] heeft de toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verleend.
Bij uitspraak van 28 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:911, heeft de Afdeling, voor zover hier relevant, het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 februari 2019 gegrond verklaard. De Afdeling heeft het besluit van 28 februari 2019 vernietigd, de korpschef opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
Bij besluit van 27 maart 2023 heeft de korpschef opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant] en, voor zover hier relevant, het Wob-verzoek afgewezen.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 26 juni 2023 heeft de korpschef het besluit van 27 maart 2023 aangevuld.
[appellant] heeft hiertegen gronden ingediend.
De korpschef heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, rechtsbijstandverlener in Utrecht, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. M.H.A. Bakkum, advocaat in Den Haag, bijgestaan door J.A. van Schijndel, zijn verschenen.
De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat de korpschef niet de bij de Wob-stukken behorende inventarislijst aan de Afdeling heeft verstrekt. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de korpschef alsnog een geschoonde versie van dit stuk ingediend. [appellant] heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om op dit nader stuk te reageren. Daarna heeft de Afdeling, zoals met partijen afgesproken op de zitting op 15 april 2026, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft bij brief van 6 oktober 2015 een Wob-verzoek met nummer 0090 ingediend waarin hij openbaarmaking verzoekt van alle documenten die betrekking hebben op FinFisher, Excellence in IT Investigation (of vergelijkbare namen). In het verzoek vermeldt [appellant] onder meer als voorbeelden van documenten onderzoeken, evaluaties, rapportages, overzichten, notulen, beleidsdocumenten, meldingen en mutaties. De korpschef heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en de afwijzing in zijn besluit op bezwaar gehandhaafd.
De uitspraak van de Afdeling van 28 april 2021
2. In de uitspraak van 28 april 2021 heeft de Afdeling, voor zover hier relevant, geoordeeld dat de korpschef zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de Wob als algemene openbaarmakingsregeling dient te wijken voor artikel 68 van de Grondwet (Gw) als bijzondere openbaarmakingsregeling. In artikel 68 van de Gw is als verschoningsgrond voor het verstrekken van inlichtingen opgenomen dat het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat. Artikel 68 van de Gw strekt ertoe dat het parlement mondeling of schriftelijk inlichtingen van de regering verkrijgt, opdat het parlement zijn controlefunctie kan uitoefenen. De Wob strekt ertoe dat een bestuursorgaan informatie in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid openbaar maakt op verzoek van een ieder. De Wob heeft geen betrekking op de openbaarmaking van informatie in de verhouding tussen de minister en de staatssecretaris en het parlement. Artikel 68 van de Gw kan daarom niet aangemerkt worden als een bijzondere openbaarmakingsregeling die voorgaat op de Wob als algemene openbaarmakingsregeling. De korpschef moet het verzoek van [appellant] dus toetsen aan de Wob, aldus de Afdeling.
De besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023
3. Met de besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023 heeft de korpschef uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2021. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: de Woo) in werking getreden. De besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023 zijn van na 1 mei 2022. Voor deze besluiten is de Woo dus van toepassing.
3.1. In het besluit van 27 maart 2023, aangevuld met het besluit van 26 juni 2023, heeft de korpschef het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard voor zover hij zich op het standpunt stelt dat zijn informatieverzoek op grond van de Wob (nu: Woo) moet worden beoordeeld. Voor het overige heeft de korpschef het bezwaar ongegrond verklaard. De korpschef wijst het Wob-verzoek met nummer 0090 af en bevestigt het besluit van 6 juli 2016 met verbetering van de motivering. De korpschef verwijst naar de onherroepelijke afwijzingen van de volgens hem samenhangende Wob-verzoeken met nummers 06/2012, 5749 en 7207. De reikwijdte van die verzoeken overlapt volledig met het Wob-verzoek met nummer 0090, zodat er geen nieuwe documenten zijn die openbaar gemaakt moeten worden. Verder wegen volgens de korpschef ondanks het tijdsverloop sinds de besluiten uit 2016 de belangen als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid en artikel 5.2 van de Woo zwaarder dan het algemene belang van openbaarheid van de documenten. De aard en inhoud van de documenten rechtvaardigen nog altijd dat openbaarmaking moet worden geweigerd. Tot slot was er geen aanleiding om een hoorzitting te houden voor de nieuwe besluiten op bezwaar, aldus de korpschef.
Beroep tegen de besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023
Duidelijke besluiten en verrichte zoekslag
4. [appellant] betoogt dat de besluiten van de korpschef onduidelijk zijn omdat geen dossiernummers of kenmerken van het verzoek zijn vermeld. De korpschef moet inzichtelijk maken welke zoekslag hij heeft verricht en welke documenten volgens hem vallen onder de reikwijdte van het verzoek. De korpschef verwijst in zijn besluiten naar nummers van documenten, maar de vindplaats van deze documenten blijft voor [appellant] onduidelijk omdat hij niet de beschikking heeft over een lijst met documenten. Daarnaast mag de korpschef niet weigeren een Wob-verzoek in behandeling te nemen omdat de informatie al openbaar is gemaakt bij andere verzoeken. De korpschef had de eerdere besluiten op die verzoeken moeten invoegen zodat [appellant] hiertegen gronden kon aanleveren, aldus [appellant].
4.1. De korpschef stelt zich in zijn besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023 op het standpunt dat bij eerdere Wob-verzoeken al is besloten over de documenten waarvan [appellant] openbaarmaking verzoekt. De Afdeling is van oordeel dat als de korpschef in het kader van de Wob-verzoeken met nummers 06/2012, 5749 en 7207 al heeft besloten op de documenten die [appellant] met Wob-verzoek 0090 verzoekt openbaar te maken, de korpschef niet verplicht is opnieuw deze documenten te beoordelen. Daarvoor is wel van belang dat de reikwijdte van die eerdere Wob-verzoeken dezelfde is als het Wob-verzoek van [appellant] (0090). Alleen dan is aannemelijk dat een nieuwe beoordeling van de documenten tot hetzelfde resultaat zou leiden en daarom geen redelijk doel kan dienen.
4.2. In Wob-verzoek 06/2012 is openbaarmaking verzocht van informatie met betrekking tot software die door opsporingsdiensten heimelijk geïnstalleerd kan worden op een digitaal apparaat van een verdachte (zoals computers, tablets, mobiele telefoons, routers en printers) en waarmee, al dan niet op afstand, toegang verkregen kan worden tot dit apparaat, gegevens van dit apparaat kunnen worden overgenomen en dit apparaat op afstand bestuurd kan worden. In Wob-verzoek 5749 is verzocht om openbaarmaking van documenten met betrekking tot software die door opsporingsdiensten heimelijk geïnstalleerd kan worden op een digitaal apparaat van een verdachte en waarmee, al dan niet op afstand, toegang verkregen kan worden tot dit apparaat, gegevens van dit apparaat kunnen worden overgenomen en dit apparaat op afstand bestuurd kan worden ('spyware' /'malware') (of vergelijkbare namen) in de periode 1 januari 2012 tot en met 1 januari 2018. In Wob-verzoek 7207 is verzocht om openbaarmaking van documenten over hacksoftware in de periode van 1 januari 2014 tot en met 5 november 2019.
Gelet op de bewoording van de Wob-verzoeken met nummers 06/2012, 5749 en 7207, is de Afdeling van oordeel dat de reikwijdte van die verzoeken dezelfde is als het Wob-verzoek (0090) van [appellant] en de korpschef daarom al heeft besloten of openbaarmaking van de aangetroffen documenten gerechtvaardigd is. Verder bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de korpschef dat bij de voorbereiding van de besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023 geen nieuwe documenten zijn aangetroffen dan al bij de vorige Wob-verzoeken zijn aangetroffen. Zoals op de zitting door de korpschef is toegelicht, hebben de relevante documenten vanwege de vertrouwelijkheid daarvan op een afgeschermde omgeving gestaan en heeft overleg over deze gevoelige onderwerpen veelal fysiek plaatsgevonden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de korpschef over meer documenten beschikt die onder het Wob-verzoek vallen. De stelling van [appellant] dat de korpschef opnieuw per document moet beoordelen of openbaarmaking mogelijk is, volgt de Afdeling niet. De korpschef heeft bij de beoordeling van de vorige Wob-verzoeken per document beoordeeld of openbaarmaking mogelijk was, gelet op de weigeringsgronden uit de Wob. Omdat de reikwijdte van het Wob-verzoek van [appellant] dezelfde is als de vorige Wob-verzoeken, kan de korpschef volstaan met een verwijzing naar die vorige besluitvorming. Opnieuw per document motiveren waarom openbaarmaking achterwege wordt gelaten, dient in dit geval geen redelijk doel.
4.3. Het feit dat het Wob-verzoek van [appellant] dezelfde reikwijdte heeft als eerdere Wob-verzoeken laat onverlet dat voor [appellant] op basis van de besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023 inzichtelijk moet zijn welke documenten al openbaar zijn gemaakt bij de besluiten op de vorige Wob-verzoeken. De Afdeling is van oordeel dat de korpschef dit inzichtelijk heeft gemaakt. Zij overweegt hierover als volgt.
4.4. In de besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023 zet de korpschef de samenhang uiteen tussen de verschillende Wob-verzoeken. De korpschef verwijst hiervoor naar de relevante besluiten en uitspraken van de Afdeling, waarin onherroepelijk over de onder Wob-verzoeken 06/2012, 7207 en 5749 vallende documenten is besloten. De korpschef heeft in de besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023 de nummers vermeld van de documenten die onder de reikwijdte van de verschillende Wob-verzoeken vallen.
Wat betreft Wob-verzoek 06/2012 verwijst de korpschef naar de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:753, waarin de Afdeling de documenten bespreekt, met verwijzing naar documentnummers, waarvan de korpschef openbaarmaking heeft geweigerd. Voor Wob-verzoek 7207 verwijst de korpschef naar de website van de politie waar de besluitvorming, weigeringsgronden en motivering openbaar is gemaakt voor de documenten die onder verzoek 7207 vallen. Wat betreft Wob-verzoek 5749 verwijst de korpschef naar besluiten van 21 november 2022 en 12 juni 2023, waarin is vermeld welke documenten onder de reikwijdte van verzoeken 5749, 5748, 06/2012, 7207 en 0090 vallen. Wob-verzoek 5749 is door [appellant] gedaan, wat betekent dat hij kennis heeft kunnen nemen van deze besluiten. Gelet op het bovenstaande is het voor [appellant] mogelijk de relevante besluiten en rechtspraak te raadplegen. Het is daarmee voor [appellant] inzichtelijk welke onder zijn Wob-verzoek vallende documenten de korpschef openbaar heeft gemaakt. Het is daarom niet nodig dat de korpschef de na de zitting van 15 april 2026 verstrekte inventarislijst ongeschoond aan [appellant] verstrekt. Het betoog slaagt niet.
Tijdsverloop
5. [appellant] betoogt dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ondanks het tijdsverloop het belang van openbaarmaking minder zwaar weegt dan het belang van geheimhouding van de informatie. [appellant] is het oneens met de stelling van de korpschef dat ondanks het tijdsverloop de informatie zijn actualiteit heeft behouden en daarom niet openbaar gemaakt mag worden.
5.1. In artikel 5.3 van de Woo staat dat het bestuursorgaan bij een weigering van een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar motiveert waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid. De korpschef heeft zich in de besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023 op het standpunt gesteld dat de relevante documenten door de aard en inhoud daarvan hun actualiteit hebben behouden en daarom niet openbaar gemaakt kunnen worden. Hij verwijst ook naar de besluitvorming bij de eerdere Wob-verzoeken, waarin hij zich op het standpunt stelt dat de afweging van de omschreven belangen niet verder gemotiveerd kunnen worden zonder prijs te geven wat met toepassing van de weigeringsgronden aan de openbaarheid wordt onthouden.
5.2. De korpschef heeft de openbaarmaking van de weggelakte delen in de eerdere besluiten gemotiveerd door te verwijzen naar het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten (thans artikel 5.1, tweede lid, onder b van de Woo) en naar het belang van voorkomen van onevenredige benadeling van de korpschef (thans artikel artikel 5.1, tweede lid, onder c van de Woo). Ter zitting heeft de korpschef dit standpunt nader toegelicht door uit te leggen dat de achterliggende technieken en methodes van de software waarover informatie wordt gevraagd in de loop der jaren in de kern gelijk zijn gebleven waardoor het gevaar van openbaarmaking van de informatie nog steeds actueel is. De Afdeling is na kennisneming van de vertrouwelijke stukken van oordeel dat de korpschef zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de aan de weigering ten grondslag gelegde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het belang van openbaarheid. De weggelakte delen van de documenten bevatten informatie die door de aard daarvan bij openbaarmaking deze belangen zou schaden. Anders dan [appellant] betoogt, is de actualiteit van de informatie dus niet als zelfstandige weigeringsgrond aan de weigering tot openbaarmaking ten grondslag gelegd. Het betoog slaagt niet.
Hoorzitting
6. [appellant] betoogt dat de korpschef ten onrechte heeft nagelaten een hoorzitting te houden ter voorbereiding van de besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023.
6.1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord, zo volgt uit artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. Op 28 juli 2016 heeft [appellant] een bezwaarschrift ingediend en op 21 september 2016 is een hoorzitting gehouden waarin zijn bezwaar is behandeld en hij is gehoord.
In deze zaak is met de besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023 opnieuw op het bezwaar van [appellant] van 28 juli 2016 besloten, nadat de korpschef door de Afdeling in de uitspraak van 28 april 2021 is opgedragen opnieuw op het bezwaar te besluiten. In artikel 7:2 van de Awb is geen algemene verplichting opgenomen voor een bestuursorgaan om een belanghebbende opnieuw te horen bij het nogmaals nemen van een besluit op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de bestuursrechter. Er zijn hier geen nieuwe omstandigheden die vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid de korpschef verplichten bij het nemen van de nieuwe besluiten op bezwaar [appellant] opnieuw te horen. Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
7. [appellant] heeft in zijn beroepschrift van 2 mei 2023 en op de zitting van de Afdeling verzocht om de korpschef te veroordelen tot vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1908), is voor een zaak die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaren redelijk, gerekend vanaf het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt.
7.2. In de uitspraak van 28 april 2021 heeft de Afdeling het verzoek van [appellant] om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De korpschef is in die uitspraak verder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen. Indien een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. De redelijke behandelingsduur in beroep is niet overschreden als deze niet langer dan anderhalf jaar vanaf het instellen van het beroep heeft geduurd. Het beroepschrift van [appellant] tegen het besluit van 27 maart 2023 is van 2 mei 2023. Vanaf 2 mei 2023 tot aan de datum van deze uitspraak van de Afdeling zijn 3 jaar en ruim 2 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met een jaar en ruim 8 maanden is verstreken. De redelijke termijn moet in dit geval volledig aan de Afdeling worden toegerekend. Dat leidt ertoe dat de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet worden veroordeeld tot het betalen van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Aan [appellant] moet daarom een bedrag worden toegekend van 4 x € 500,00 = € 2.000,00 voor de door hem als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade.
7.3. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen. De Staat moet de proceskosten voor behandeling van het verzoek om schadevergoeding vergoeden. De Afdeling past daarbij een wegingsfactor van 0,5 toe.
Slotsom
8. Het beroep tegen de besluiten van 27 maart 2023 en 26 juni 2023 is ongegrond.
9. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen.
10. De Staat moet de proceskosten voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 2000,00 te betalen;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
960