Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202504779/1/A2

Uitspraak 202504779/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3650
Datum uitspraak
24 juni 2026
Inhoudsindicatie
De Nederlandsche Bank (DNB) mocht een verzoek afwijzen om beschadigde eurobankbiljetten te vergoeden. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak had DNB voldoende redenen om te vermoeden dat de bankbiljetten moedwillig zijn beschadigd. De man heeft er bewust voor gekozen om deze bankbiljetten aan te schaffen, terwijl hij wist dat deze zwaar beschadigd waren, en dat hij deze biljetten heeft gekocht voor 70% van de nominale waarde, omdat hij dacht daar geld mee te kunnen verdienen. Hierin heeft DNB volgens de Afdeling bestuursrechtspraak terecht aanleiding gezien om aan te nemen dat de man niet te goeder trouw is. DNB heeft daarom de waarde van de beschadigde bankbiljetten niet hoeven te vergoeden.
  • Hoger beroep
  • Geld

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202504779/1/A2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2025 in zaak nr. 25/64 in het geding tussen:

[appellant]

en

De Nederlandsche Bank N.V. (hierna: DNB).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2024 heeft DNB een aanvraag van [appellant] om vergoeding van de waarde (€ 4.700) van beschadigde bankbiljetten afgewezen en de biljetten ingehouden.

Bij besluit van 27 november 2024 heeft DNB het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

DNB heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 juni 2026, waar [appellant] en DNB, vertegenwoordigd door mr. W.J. Poot, advocaat in Den Haag, en [gemachtigde], werkzaam bij DNB, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Op 7 september 2022 heeft [appellant] DNB verzocht om een vergoeding voor 43 beschadigde eurobankbiljetten met een waarde van € 100 en twee beschadigde eurobankbiljetten met een waarde van € 200 (in totaal € 4.700). DNB had deze bankbiljetten eind 2020 ontvangen van de politie. [appellant] heeft bij het verzoek vermeld dat de eurobankbiljetten uit een zakelijke transactie afkomstig zijn. Daarbij zou de verkoper niet hebben toegelicht hoe de bankbiljetten beschadigd zijn geraakt, maar hem wel hebben verzekerd dat de herkomst niet crimineel is. DNB heeft daarop verzocht om een factuur van de zakelijke transactie. [appellant] heeft geen factuur overgelegd. Wel heeft hij verklaard de bankbiljetten te hebben gekocht voor 70% van de nominale waarde van [persoon] met de gedachte om hier geld mee te verdienen.

Besluitvorming

2.       Het Nationaal Analyse Centrum (NAC) van DNB heeft onderzoek gedaan naar de beschadigde bankbiljetten. Uit het onderzoek is gebleken dat de biljetten afkomstig zijn uit een grote partij bankbiljetten die zijn ontvreemd uit een kluis van een vestiging van de Centrale Bank van Libië in Benghazi. Deze bankbiljetten zijn bevuild geraakt met rioolwater en daarna is geprobeerd deze chemisch te reinigen. De biljetten waarvoor [appellant] een vergoeding wenst, hebben identieke beschadigingen (gerafelde randen) als de beschadigde bankbiljetten uit de Centrale Bank van Libië en zijn ook aan de serienummers te herkennen.

3.       DNB komt op basis van dit onderzoek tot de conclusie dat de bankbiljetten moedwillig zijn beschadigd door de chemische reiniging. Voor de kwalificatie als moedwillig beschadigde bankbiljetten maakt het niet uit of de bankbiljetten zijn beschadigd door degene die ze voor verwisseling aanbiedt. Omdat er geen documentatie is waaruit de herkomst van de bankbiljetten blijkt en de bankbiljetten bewust in zeer beschadigde vorm zijn aangekocht, ziet DNB geen aanleiding om aan te nemen dat [appellant] te goede trouw is. DNB heeft daarom [appellant]s verzoek om vervanging van de (waarde van de) bankbiljetten afgewezen en de (door de politie) ingeleverde eurobankbiljetten ingehouden. DNB heeft hiervoor gewezen op artikel 3, eerste en derde lid, van het Besluit 2013/211/EU van de Europese Centrale Bank van 19 april 2013 betreffende de denominaties, specificaties, reproductie, vervanging en het uit circulatie nemen van eurobiljetten (PB 2013, L 118) (hierna: het Besluit 2013/211/EU), laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2020/2090 van de Europese Centrale Bank van 4 december 2020.

Uitspraak van de rechtbank

4.       [appellant] heeft op de zitting gesteld dat hij het rapport van NAC niet heeft ontvangen, maar niet twijfelt aan de uitkomsten van het onderzoek. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat het niet toesturen van het rapport aan [appellant] tot schending van hoor en wederhoor heeft geleid.

5.       De rechtbank volgt niet het betoog van [appellant] dat de bankbiljetten niet moedwillig zijn beschadigd, omdat de intentie is geweest de biljetten te reinigen. De rechtbank is van oordeel dat het moet gaan om een moedwillige handeling, als gevolg waarvan de bankbiljetten zijn beschadigd. In dit geval is moedwillig geprobeerd de bankbiljetten chemisch te reinigen en dat heeft tot (ernstige) beschadiging van de bankbiljetten geleid.

6.       De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat moedwillig beschadigde bankbiljetten wel voor vervanging in aanmerking komen als DNB weet dat de aanvrager te goeder trouw is, of voldoende redenen heeft te vermoeden dat dat zo is, of als de aanvrager dit kan bewijzen.

7.       De rechtbank is van oordeel dat DNB terecht heeft geconcludeerd dat [appellant] niet te goeder trouw is en dat [appellant] ook niet heeft bewezen dat hij te goeder trouw is. De vraag of iemand te goeder trouw is, moet worden beantwoord in het licht van het vermoeden van moedwillige beschadiging. [appellant] heeft bewust de zeer beschadigde bankbiljetten voor 70% van de nominale waarde gekocht. Het enkele feit dat de verkoper gezegd zou hebben dat de herkomst van de bankbiljetten niet crimineel is, is onvoldoende om de goede trouw van [appellant] aan te nemen. Het lag op de weg van [appellant] om nadere vragen over, bijvoorbeeld, de beschadigingen te stellen.

Hoger beroep

8.       Volgens [appellant] heeft de rechtbank miskend dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden en dat hij in zijn verdediging is geschaad. De DNB had het waarnemingsformulier van NAC aan hem moeten overleggen, zodat hij een contra-expertise kon laten verrichten.

9.       [appellant] bestrijdt de vaststelling van het NAC dat de biljetten zijn aangetast door schimmel en voorzien zijn van plakband. Uit foto’s gemaakt door de politie volgt dat dit onjuist is. De rechtbank miskent dat DNB in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door het rapport ten grondslag te leggen aan de besluitvorming. [appellant] verzoekt de Afdeling het Openbaar Ministerie of de politie te gelasten de originele foto’s van de biljetten in te brengen.

10.     Volgens [appellant] legt de rechtbank het begrip ‘moedwillige beschadiging’ verkeerd uit. Het begrip ‘moedwillig’ ziet op het oogmerk om schade toe te brengen en niet op een handeling die bewust is verricht en achteraf schadelijk blijkt te zijn. De chemische behandeling had als doel de biljetten te behouden, niet te beschadigen. Dit valt buiten de reikwijdte van moedwillige beschadiging. Zelfs als daarvan wel sprake zou zijn, staat vast dat hij deze handeling niet heeft verricht en dat dit handelen hem ook niet kan worden toegerekend.

11.     [appellant] betoogt dat de rechtbank een onjuist oordeel geeft over de goede trouw. Hij heeft de biljetten gekocht van [persoon], een relatie met wie hij al 25 jaar zaken doet en die heeft verklaard dat de biljetten niet van criminele herkomst zijn. [appellant] stelt dat hij de contactgegevens van de verkoper aan DNB heeft verstrekt, maar dat DNB geen contact heeft gezocht en heeft nagelaten onderzoek te verrichten. De enkele omstandigheid dat hij de biljetten voor 70% van de nominale waarde heeft gekocht, kan zonder nadere context geen bewijs van kwade trouw opleveren. In de valutahandel is het aankopen tegen een afwijkende waarde niet ongebruikelijk of per definitie verdacht. Hij heeft juist gehandeld in lijn met het officiële vervangingsbeleid: biljetten die niet meer geschikt zijn voor circulatie, kunnen bij DNB worden ingeleverd. Omdat DNB stelt dat hij niet te goeder trouw is, moet DNB dit standpunt onderbouwen. De rechtbank heeft ten onrechte de bewijslast bij hem gelegd, aldus [appellant].

Beoordeling door de Afdeling

Verdedigingsbeginsel

12.     De Afdeling volgt niet het betoog van [appellant] dat DNB in strijd heeft gehandeld met artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beginsel van equality of arms of artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. [appellant] heeft afgezien van een hoorzitting in de bezwaarfase en heeft niet verzocht om afschrift van de stukken als bedoeld in artikel 7:4, vierde lid, van de Awb. Daarbij komt dat het besluit van 25 juli 2024 de bevindingen van het onderzoek van het NAC weergeeft, en de serienummers van de beschadigde bankbiljetten (bijlage 2) en een overzichtsfoto van de biljetten (bijlage 3) bevat. Ook heeft DNB op grond van artikel 8:42 van de Awb alle op de zaak betrekking hebbende stukken met [appellant] en de rechtbank gedeeld, waaronder het waarnemingsformulier, dat dezelfde conclusie en onderbouwing als het besluit van 25 juli 2024 bevat. Dat betekent dat [appellant] desgewenst in de gelegenheid is geweest om in bezwaar of beroep een contra-expertise te overleggen, dan wel feiten aan te dragen waaruit bleek dat de conclusie van het NAC - dat de beschadigde biljetten behoren tot de partij gestolen Benghazi-biljetten - onjuist is, maar dat niet heeft gedaan. Er is dus geen grond voor het oordeel dat [appellant] in zijn verdediging is geschaad. Bovendien heeft [appellant] ook in hoger beroep bevestigd dat hij niet twijfelt aan het onderzoek door het NAC.

13.     De stelling van [appellant] dat DNB ten onrechte niet de foto’s van de bankbiljetten heeft overgelegd die door de politie zijn genomen, leidt niet tot een ander oordeel. DNB heeft toegelicht niet bekend te zijn met foto’s die door de politie zijn genomen. Daarbij komt dat de besluitvorming van DNB is gebaseerd op eigen onderzoeksbevindingen, waaronder de door DNB gemaakte foto's op het waarnemingsformulier. Het NAC heeft op basis van de serienummers en overeenkomstige beschadigingen van de bankbiljetten (gerafelde randen) vastgesteld dat de bankbiljetten behoren tot de gestolen bankbiljetten uit Benghazi. De aanwezigheid van plakband, wat daar ook van zij, speelde geen rol in de afwijzing van de aanvraag van [appellant].

14.     Het betoog slaagt niet.

Vermoedelijk moedwillige beschadiging

15.     De Afdeling volgt niet het betoog van [appellant] dat DNB onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bankbiljetten vermoedelijk moedwillig zijn beschadigd. De vermoedelijk moedwillige beschadiging ziet op de oorzaak van de beschadiging van de bankbiljetten. In dit geval is dat de toegepaste chemische reiniging, een bewuste handeling om te trachten de ontvreemde bankbiljetten wederom voor het betalingsverkeer bruikbaar te maken, nadat deze in rioolwater hadden gelegen. Door de bankbiljetten moedwillig aan een chemisch reinigingsproces bloot te stellen, zijn zij moedwillig beschadigd. Dat, zoals [appellant] stelt, de intentie ontbrak om de bankbiljetten te beschadigen, doet niet ter zake. Dat geldt ook voor de stelling van [appellant] dat hij de bankbiljetten niet zelf heeft beschadigd. DNB had dus voldoende redenen om te vermoeden dat de bankbiljetten moedwillig zijn beschadigd.

16.     Het betoog slaagt niet.

Goede trouw

17.     Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat DNB niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet te goeder trouw is en een onjuiste bewijslastverdeling heeft gehanteerd, treft geen doel.

18.     Uit artikel 3, derde lid, onder a, van het Besluit 2013/211/EU volgt dat DNB de bankbiljetten, ondanks de vermoedelijk moedwillige beschadiging ervan, vervangt als zij weet, of voldoende redenen heeft om te vermoeden, dat [appellant] , te goeder trouw is, of [appellant] kan bewijzen dat hij te goeder trouw is.

18.1.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft DNB in de omstandigheden dat [appellant] bewust ervoor heeft gekozen om deze bankbiljetten aan te schaffen, terwijl hij wist dat deze zwaar beschadigd waren, en dat hij deze biljetten heeft gekocht voor 70% van de nominale waarde, omdat hij dacht daar geld mee te kunnen verdienen, terecht aanleiding gezien om geen wetenschap van goede trouw en geen voldoende reden voor vermoeden van goede trouw bij [appellant] aan te nemen. Dezelfde omstandigheden dragen eraan bij dat DNB de goede trouw van [appellant] niet bewezen heeft hoeven achten. Dat [appellant] van de verkoper van de bankbiljetten heeft vernomen dat deze niet zouden zijn gestolen, maakt dat, wat daarvan ook zij, niet anders. Uit deze verklaring volgt immers nog niet dat [appellant] zich bij de aankoop heeft vergewist van de toedracht van de zware beschadiging van de bankbiljetten. De Afdeling volgt evenmin het betoog van [appellant] dat de beschadigde bankbiljetten in de praktijk handelswaar zijn en dat daarin een indicatie voor goede trouw ligt. DNB heeft er terecht op gewezen dat de aankoop van eurobankbiljetten met andere eurobankbiljetten geen valutahandel is, waarbij het gaat om het kopen en verkopen van verschillende munteenheden. Ook de door [appellant] gemaakte vergelijking met het verhandelen van bijzondere munten en biljetten gaat niet op, omdat eurobankbiljetten geen bijzondere kenmerken hebben en een regulier betaalmiddel zijn. Anders dan [appellant] betoogt, lag het daarbij niet op de weg van DNB om onderzoek te verrichten naar de verkoper of om contact met hem op te nemen. Het is immers aan [appellant] zelf om zijn goede trouw aannemelijk te maken.

18.2.  De slotsom is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat DNB niet voldoende redenen heeft om te vermoeden dat [appellant] te goeder trouw is. [appellant] heeft ook niet bewezen dat hij te goeder trouw is.

19.     Het betoog slaagt niet.

Conclusie

20.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

21.     DNB hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Planken
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026

299


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon