Uitspraak 202407989/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3486
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 december 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem [appellant] met ingang van 23 oktober 2020 ambtshalve uitgeschreven uit de Basisregistratie personen (Brp) en ingeschreven in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI). [appellant] heeft op 15 juni 2020 aangifte van adreswijziging gedaan. Daarbij heeft hij met ingang van 9 juni 2020 het briefadres van de doorstroomvoorziening van IrisZorg aan de [locatie] in Arnhem opgegeven. Voorwaarde voor het gebruik van dat briefadres is dat [appellant] ingeschreven blijft als bezoeker van de doorstroomvoorziening. Vervolgens heeft het college na onderzoek vastgesteld dat [appellant] niet langer op de doorstroomvoorziening van IrisZorg verbleef. Het college heeft hem daarom op 9 december 2020 met ingang van 23 oktober 2020 ambtshalve uitgeschreven uit de Brp en ingeschreven in de RNI. Het bezwaar hiertegen heeft het college onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 22 juni 2021 vanwege het ontbreken van proces-belang niet-ontvankelijk verklaard.
- Hoger beroep
- Basisregistratie
Toon inhoud
202407989/1/A2.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 november 2024 in zaak nr. 23/650 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2020 heeft het college [appellant] met ingang van 23 oktober 2020 ambtshalve uitgeschreven uit de Basisregistratie personen (Brp) en ingeschreven in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI).
Bij besluit van 24 juni 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 27 juni 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 juni 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
Bij besluit van 20 december 2022 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 9 december 2020 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit herroepen.
Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben ieder een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 juni 2026, waar [appellant] is verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] heeft op 15 juni 2020 aangifte van adreswijziging gedaan. Daarbij heeft hij met ingang van 9 juni 2020 het briefadres van de doorstroomvoorziening van IrisZorg aan de [locatie] in Arnhem opgegeven. Voorwaarde voor het gebruik van dat briefadres is dat [appellant] ingeschreven blijft als bezoeker van de doorstroomvoorziening.
2. Vervolgens heeft het college na onderzoek vastgesteld dat [appellant] niet langer op de doorstroomvoorziening van IrisZorg verbleef. Het college heeft hem daarom op 9 december 2020 met ingang van 23 oktober 2020 ambtshalve uitgeschreven uit de Brp en ingeschreven in de RNI. Het bezwaar hiertegen heeft het college onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 22 juni 2021 vanwege het ontbreken van proces-belang niet-ontvankelijk verklaard.
3. In de uitspraak van 27 juni 2022 heeft de rechtbank wel procesbelang aangenomen, omdat de inschrijving in de RNI gevolgen kan hebben voor het ouderdomspensioen van [appellant]. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat [appellant] op 23 oktober 2020 niet feitelijk verbleef op de doorstroomvoorziening van IrisZorg. Het college heeft echter niet onderzocht of [appellant] volgens een door het college gehanteerde regeling als dakloze voor een briefadres in aanmerking kwam. Volgens het college is er namelijk ook voor personen die geen bijstandsuitkering krijgen, zoals [appellant], en niet in een opvanglocatie van IrisZorg of elders verblijven een regeling op basis waarvan deze groep personen in aanmerking komt voor een briefadres. Uit de stukken blijkt niet dat het college adequaat heeft onderzocht of [appellant] op grond van deze regeling in aanmerking zou kunnen komen voor een briefadres. De rechtbank heeft daarom het besluit van 23 oktober 2020 vernietigd en het college opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar. Indien het college bij zijn nader onderzoek tot de conclusie komt dat [appellant] ten onrechte is uitgeschreven uit de Brp, moet het college contact opnemen met de gemeente die op dat moment verantwoordelijk is voor de correctie in de Brp. Dat is de gemeente waar [appellant] zich vestigt.
4. Het college heeft op 20 december 2022 geconcludeerd dat het uitschrijvingsbesluit van 9 december 2020 niet in stand kan blijven. Omdat er onvoldoende onderzoek is verricht, kan niet worden vastgesteld dat de uitschrijving uit de Brp gerechtvaardigd is. Dit betekent dat het oorspronkelijk ingediende bezwaar gegrond is en het uitschrijvingsbesluit wordt herroepen. Het college zal contact opnemen met de bijhoudingsgemeente en het betreffende college vragen dit besluit in de Brp te verwerken.
5. [appellant] heeft vervolgens met het doel een schadevergoeding te verkrijgen beroep ingesteld tegen dit besluit.
6. Daarna heeft [appellant] bij brief van 1 maart 2024 het college verzocht om een schadevergoeding. Daarin stelt hij als gevolg van de onrechtmatige uitschrijving per 23 oktober 2020 uit de Brp en inschrijving in de RNI schade te hebben geleden. Volgens hem is de materiële schade ruim € 59.000. Daarnaast heeft hij verzocht om vergoeding van immateriële schade.
7. Het college heeft in zijn brief van 15 maart 2024 aan [appellant] te kennen gegeven dat hij de schade niet heeft onderbouwd en dat hij evenmin het causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade heeft aangetoond. Daarbij wijst het college erop dat [appellant] op 17 december 2020 is ingeschreven in de gemeente [woonplaats] en daardoor voor een beperkte periode uitgeschreven is geweest uit de Brp.
Uitspraak van de rechtbank
8. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, omdat het beroep van [appellant] inhoudelijk niet is gericht tegen het besluit van 20 december 2022 en daartegen geen concrete beroepsgronden zijn aangevoerd. Daarbij wijst de rechtbank erop dat [appellant] in het beroepschrift heeft vermeld dat het beroep voor de zekerheid is ingesteld, omdat hij aanspraak wil maken op vergoeding van schade die hij door het besluit van 9 december 2020 heeft geleden.
9. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] op 1 maart 2024 een conceptvoorstel schadevergoeding heeft ingediend bij het college en dat het college daarop bij brief van 15 maart 2024 heeft gereageerd. Daarmee is voldaan aan artikel 8:90, tweede lid, van de Awb, zodat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding kan beoordelen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] gestelde schade niet is onderbouwd. Ook heeft hij het causaal verband tussen het herroepen besluit van 9 december 2020 en de gestelde schade niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding daarom afgewezen.
Bevoegdheid van de rechtbank
10. De Afdeling ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de rechtbank bevoegd was het verzoek om schadevergoeding te beoordelen.
11. Buiten de gevallen genoemd in artikel 8:89, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter op grond van het tweede lid slechts bevoegd een verzoek om schadevergoeding te beoordelen voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.
12. Verder heeft de Afdeling in haar uitspraak van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2081, overwogen dat, in een geval als bedoeld in artikel 8:89, tweede lid, van de Awb, de bestuursrechter ook bevoegd is een verzoek om schadevergoeding te behandelen, als de schade hoger is dan € 25.000, maar de belanghebbende zijn aanspraak op schadevergoeding bij de bestuursrechter beperkt tot € 25.000 en voor het bedrag boven de € 25.000 zich het recht voorbehoudt om een vordering strekkende tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter in te stellen.
13. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank de in de brief van 1 maart 2024 opgesomde schadeposten als uitgangspunt heeft genomen voor haar beoordeling. In die brief heeft [appellant] gevraagd om een schadevergoeding van ruim € 59.000. Daarnaast heeft hij verzocht om een vergoeding voor immateriële schade. De Afdeling is niet gebleken dat de rechtbank [appellant] heeft gevraagd om zijn vordering te beperken tot € 25.000 zonder afstand te doen van zijn gepretendeerde aanspraak op het bedrag dat daarboven ligt. Daarmee heeft de rechtbank ten onrechte (ook) een oordeel gegeven over het bedrag van de vordering dat meer dan € 25.000 bedraagt in plaats van zich onbevoegd te verklaren.
14. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] alsnog te kennen gegeven zijn vordering bij de bestuursrechter te beperken tot € 25.000 zonder afstand te doen van het deel van zijn gepretendeerde aanspraak dat het bedrag van € 25.000 te boven gaat.
15. Het hoger beroep is gegrond. Nu [appellant] zijn vordering bij de bestuursrechter alsnog beperkt heeft tot een bedrag van € 25.000, zal de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover zij een oordeel heeft gegeven over het deel van de schade dat de € 25.000 te boven gaat. De Afdeling zal in zoverre het hoger beroep tegen de afwijzing van het gedeelte van de vordering tot € 25.000 hieronder alsnog beoordelen.
Oordeel van de Afdeling
16. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer uitspraak van 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:758) is het aan de verzoeker om schadevergoeding om de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken. De bewijslast van het bestaan van schade en de omvang daarvan ligt in beginsel bij degene die stelt dat hij schade heeft geleden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1367).
17. [appellant] heeft in zijn verzoek om schadevergoeding een aantal schadeposten opgesomd. In een door de Afdeling op 4 mei 2026 ontvangen aanvullende brief heeft hij dat nogmaals gedaan. Het gaat onder meer om (toekomstige) verhuiskosten, kosten voor een geschikte (sport)rolstoel, kosten voor aanpassing van de woning, kosten voor een aangepaste auto en immateriële schade. Hij heeft daarbij geen bewijsstukken, zoals facturen of bonnen, overgelegd. [appellant] heeft ook niet inzichtelijk gemaakt waarom deze kosten zijn gemaakt of moeten worden gemaakt, en waarom en hoe deze samenhangen met het onrechtmatige besluit van 9 december 2020, mede in aanmerking genomen dat [appellant] per 17 december 2020 in de gemeente [woonplaats] werd ingeschreven. Dat [appellant] een fysieke beperking heeft, maakt op zichzelf niet dat van hem niet verlangd kan worden dat hij de gestelde schade deugdelijk onderbouwt. Zonder deugdelijke onderbouwing kan de bestuursrechter de opgevoerde kosten niet controleren en daarmee evenmin controleren of deze kosten in een voldoende causaal verband staan tot het onrechtmatige besluit van 9 december 2020. [appellant] heeft ook de gestelde immateriële schade niet onderbouwd. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld dat hij als gevolg van het onrechtmatige besluit van 9 december 2020 nadeel als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft ondervonden.
18. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
19. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van rechtbank wordt vernietigd voor zover zij daarin een oordeel heeft gegeven over het gedeelte van de vordering dat hoger is dan € 25.000, en wordt voor het overige bevestigd.
20. Het college moet de proceskosten, bestaand uit reiskosten, vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 november 2024 in zaak nr. 23/650, voor zover de rechtbank daarin een oordeel heeft gegeven over het gedeelte van de vordering dat hoger is dan € 25.000;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Arnhem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten van € 76,72;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Arnhem aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
1120