Uitspraak 202501167/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2511
- Datum uitspraak
- 4 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202501167/1/V3.
Datum uitspraak: 4 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 februari 2025 in zaak nr. NL25.2861 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 21 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.R. Weegenaar, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 20 januari 2025 heeft ingetrokken en dat hij opnieuw een besluit zal nemen op de aanvraag van appellant. Dat betekent in dit geval dat appellant geen belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3476, onder 2.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3. Wel moet worden bezien of de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1.
4. Uit de brief van de minister van 17 februari 2026 blijkt dat hij het besluit van 20 januari 2025 heeft ingetrokken vanwege de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3350, waarin zij heeft overwogen dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België mag worden uitgegaan. Dit betekent dat de minister aan appellant is tegemoetgekomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in dit geval in de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen kosten tot een bedrag van € 2802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026
981