Uitspraak 202506197/2/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:701
- Datum uitspraak
- 10 februari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij beslissing van 20 augustus 2025 heeft de BSA-commissie namens het instellingsbestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam (het instellingsbestuur) [appellant] een bindend negatief studieadvies (BNSA) gegeven. [appellant] heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van het stuk kennis zal nemen. [appellant] wil met het stuk aantonen dat zijn persoonlijke omstandigheden zwaarwegend van aard zijn en dat het aannemelijk is dat dat die omstandigheden gedurende het gehele studiejaar hebben gespeeld, waardoor het causaal verband tussen die omstandigheden en het niet behalen van de BSA-norm kan worden aangenomen. Volgens [appellant] bevat het stuk gevoelige persoonsgegevens, waarvan hij niet wil dat dit met het CBE en de BSA-commissie wordt gedeeld. De BSA-commissie is, anders dan de studieadviseur, geen orgaan met een vertrouwensfunctie.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Openbaarheid
- Studentenzaken
Toon inhoud
202506197/2/A2.
Datum beslissing: 10 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
College van beroep voor de examens (CBE) van de Vrije Universiteit Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 20 augustus 2025 heeft de BSA-commissie namens het instellingsbestuur van de Vrije Universiteit (het instellingsbestuur) [appellant] een bindend negatief studieadvies (BNSA) gegeven.
Bij beslissing van 27 november 2025 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het CBE van 27 november 2025.
[appellant] heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het betreft een medische verklaring.
Overwegingen
1. [appellant] heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van het stuk kennis zal nemen. [appellant] wil met het stuk aantonen dat zijn persoonlijke omstandigheden zwaarwegend van aard zijn en dat het aannemelijk is dat dat die omstandigheden gedurende het gehele studiejaar hebben gespeeld, waardoor het causaal verband tussen die omstandigheden en het niet behalen van de BSA-norm kan worden aangenomen. Volgens [appellant] bevat het stuk gevoelige persoonsgegevens, waarvan hij niet wil dat dit met het CBE en de BSA-commissie wordt gedeeld. De BSA-commissie is, anders dan de studieadviseur, geen orgaan met een vertrouwensfunctie.
2. Uit artikel 8:29, eerste lid, van de Awb volgt dat alleen partijen die verplicht zijn stukken in te dienen een verzoek om beperkte kennisneming kunnen doen. Een verplichting bestaat bij de op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 van de Awb) en in de in artikel 8:45, tweede en derde lid, van de Awb genoemde gevallen (zie nader: de uitspraak van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, onder 9). Een dergelijk verzoek kan in beginsel alleen betrekking hebben op stukken ten aanzien waarvan het bestuursorgaan om geheimhouding had kunnen verzoeken en dus op stukken die het bestuursorgaan verplicht is over te leggen (vergelijk: de uitspraak van 17 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4222, onder 5). De regeling in artikel 8:29 Awb strekt er daarbij toe te bewerkstelligen dat een partij, die verplicht is een stuk in te dienen of inlichtingen te verstrekken, de rechter kan vragen te bepalen dat alleen hij van het stuk kennis neemt en de andere partij niet (zie ook: de uitspraak van 22 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1621, onder 3).
3. De Afdeling heeft kennisgenomen van het door [appellant] overgelegde stuk. Het betreft geen stuk waarvoor een verplichting geldt om het over te leggen, omdat het een stuk betreft ter onderbouwing van het eigen betoog van [appellant]. Zoals hiervoor is overwogen, is artikel 8:29 Awb alleen van toepassing op inlichtingen of stukken die partijen verplicht zijn over te leggen. De Afdeling ziet in het verzoek van [appellant] geen zeer bijzondere omstandigheden om tot een ander oordeel te komen. Het verzoek om beperkte kennisneming komt reeds hierom niet voor inwilliging in aanmerking.
4. De Afdeling bepaalt dat de stukken waarop het verzoek op grond van artikel 8:29 van de Awb ziet, aan [appellant] worden teruggezonden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026
1014