Uitspraak 201208908/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3587
- Datum uitspraak
- 6 juni 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 mei 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
201208908/1/V3.
Datum uitspraak: 6 juni 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. [de vreemdeling],
2. de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 augustus 2012 in zaak nr. 12/17080 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2012 heeft de minister de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het inreisverbod vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de minister hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.
De vreemdeling en de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna: de staatssecretaris) hebben een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
Op het hoger beroep van de vreemdeling
2. Het hoger beroep van de vreemdeling is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank over zijn beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit.
De vreemdeling is op 18 mei 2012 naar Marokko uitgezet. Bij brief van 13 juli 2012 heeft zijn gemachtigde de rechtbank te kennen gegeven geen contact meer met hem te onderhouden. Ook in het verweerschrift van 20 september 2012 op het hoger beroep van de staatssecretaris heeft de gemachtigde medegedeeld geen contact meer met de vreemdeling te onderhouden.
3. Onder verwijzing naar de uitspraak van 7 januari 2013 in zaak nr. 201112953/1/V3 (www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling dat de vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van de door hem tegen het besluit van 9 mei 2012 ingestelde rechtsmiddelen, nu hij na zijn uitzetting uit Nederland geen contact met zijn gemachtigde heeft onderhouden. Reeds hierom heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep.
4. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk niet-ontvankelijk.
Op het hoger beroep van de staatssecretaris
5. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
5.1. Het hoger beroep van de staatssecretaris is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het beroep van de vreemdeling voor zover gericht tegen het inreisverbod van 9 mei 2012.
Uit hetgeen onder 3. is overwogen, volgt dat de vreemdeling evenmin een rechtens te beschermen belang had bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte nagelaten het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod van 9 mei 2012 om die reden niet-ontvankelijk te verklaren.
6. Het hoger beroep van de staatssecretaris is reeds hierom kennelijk gegrond. De enige grief van de staatssecretaris behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod van 9 mei 2012 gegrond heeft verklaard en dat inreisverbod heeft vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dat beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
Slotoverweging
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk;
II. verklaart het hoger beroep van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 augustus 2012 in zaak nr. 12/17080, voor zover zij daarbij het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod van 9 mei 2012 gegrond heeft verklaard en dat inreisverbod heeft vernietigd;
IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Van Gemert
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2013
466-714.
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser