Uitspraak 200708245/1

Datum van uitspraak: woensdag 26 november 2008
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Gelderland
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Gelderland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2008:BG5338

200708245/1.
Datum uitspraak: 26 november 2008

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats],
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hooge Veluwe Holding B.V., gevestigd te Arnhem,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Café Restaurant West End B.V., gevestigd te De Bilt, en [appellant sub 4 A], wonend te [woonplaats],
5. [appellant sub 5] en anderen, allen wonend te [woonplaats],
appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2007, kenmerk 2007-006074, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Arnhem (hierna: de raad) bij besluit van 26 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Arnhem Noord 2007".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen (hierna: [appellanten sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2007, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2007, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hooge Veluwe Holding B.V. (hierna: Hooge Veluwe) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2007, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Café Restaurant West End B.V. en [appellant sub 4 A] (hierna: West End en [appellant sub 4 A]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2007, en [appellant sub 5] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2007, beroep ingesteld. Hooge Veluwe heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2008. West End en [appellant sub 4 A] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2008.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht). [appellant sub 2], Hooge Veluwe, West End en [appellant sub 4 A] en J. van Loenen en P. Arkestijn hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2008, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [appellant sub 1], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, Hooge Veluwe, vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta voornoemd en vergezeld door de beheerder J.P. Damen, en West End en [appellant sub 4 A], vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta voornoemd en vergezeld door [appellant sub 4 A], en [appellanten sub 5], vertegenwoordigd door [appellant sub 5], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Pol en P.G.A.L. Evers, beiden ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. A.W. Bekamp, ing. N. Oliemans, mr. A.G.A.M. Meijers en mr. J.W. van der Bij, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, en J. van Loenen en P. Arkestijn, vertegenwoordigd door ir. R.M. Siemens.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

[appellanten sub 5]

2.2. [appellanten sub 5] voeren als formeel bezwaar aan dat een aantal onderzoeksrapporten ten onrechte niet met het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage hebben gelegen.

2.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit navraag is gebleken dat alle benodigde stukken met het vastgestelde plan ter inzage zijn gelegd. In dit verband heeft hij gewezen op een door het gemeentebestuur toegestuurd 'overdrachtsformulier terinzagelegging bestemmingsplan', waaruit volgens hem blijkt dat de stukken ter inzage hebben gelegen.

2.4. [appellanten sub 5] hebben hun stelling dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen niet aannemelijk gemaakt. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat de vertegenwoordiger van de raad ter zitting heeft verzekerd dat alle op het plan betrekking hebbende stukken met het plan ter inzage hebben gelegen. Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die op het tegendeel wijzen. Gelet op het vorenstaande moet het er voor worden gehouden dat het vastgestelde plan en de daarop betrekking hebbende stukken op juiste wijze ter inzage zijn gelegd.

2.5. [appellanten sub 5] stellen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 2.15, tweede lid, sub c en onder 1, van de planvoorschriften en aan de aanduiding "bouwgrens" op het zuidelijke deel van het plandeel met de bestemming "Landgoed" ter plaatse van de Bakenbergseweg 310 te Schaarsbergen (hierna: plandeel Laag Erf). Daartoe voeren zij aan dat de raad ten onrechte geen eigen afweging heeft gemaakt over de aanvaardbaarheid van een landgoed op de onderhavige locatie maar slechts is uitgegaan van het masterplan van de initiatiefnemer. Verder zijn zij van mening dat de raad ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het streekplanbeleid dat voorziet in de mogelijkheid van het stichten van nieuwe landgoederen, nu het te stichten landgoed Laag Erf niet zal bijdragen aan de landschappelijke en ecologische kwaliteit, de toegankelijkheid en de aantrekkelijkheid voor recreanten van het gebied gelet op het in de directe nabijheid van het plandeel Laag Erf gelegen landgoed Warnsborn. Voorts voeren zij aan dat het plan in zoverre in strijd met het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: Streekplan 2005) voorziet in de bouw van drie, zeer forse, nieuwe woningen en dat bij het bepalen van het maximaal toelaatbare aantal wooneenheden ten onrechte geen rekening is gehouden met de bestaande woningen op het plandeel Laag Erf. Zij stellen dat volgens themakaart 19 van het Streekplan 2005 op het plandeel Laag Erf bebouwing behorend bij een nieuw landgoed bovendien ongewenst is. Verder vrezen [appellanten sub 5] aantasting van hun woon- en leefklimaat.

2.6. Het Streekplan 2005 voorziet ter bevordering van de landschappelijke en ecologische kwaliteit, de toegankelijkheid en de aantrekkelijkheid voor recreanten, onder wie met name wandelaars, in de mogelijkheid tot het stichten van nieuwe landgoederen. De raad kan in een concreet geval er voor kiezen om, na afweging van alle relevante belangen, met toepassing van dit beleid voor een bepaald gebied te voorzien in de mogelijkheid van het stichten van een landgoed. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de raad bij de vaststelling van het plan rekening heeft mogen houden met de concrete plannen van particuliere initiatiefnemers voor het stichten van landgoederen. Dat zoals [appellanten sub 5] stellen het plandeel Laag Erf grenst aan het bestaande landgoed Warnsborn betekent niet dat de raad geen gebruik heeft kunnen maken van de in het Streekplan 2005 geboden mogelijkheid tot het stichten van nieuwe landgoederen. Immers met het stichten van het landgoed Laag Erf wordt een openbaar toegankelijk gebied van minstens vijf hectare als landgoed ingericht en wordt in zoverre tegemoet gekomen aan de doelstelling van het streekplanbeleid dat sprake is van het bevorderen van de landschappelijke en ecologische kwaliteit, de toegankelijkheid en de aantrekkelijkheid voor recreanten van het gebied.

De raad heeft de conclusies uit het in opdracht van de initiatiefnemer opgestelde masterplan Laag Erf overgenomen en deze tot de zijne gemaakt. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het masterplan Laag Erf wordt betrokken bij het te voeren beleid in de planperiode. Er is geen rechtsregel die verbiedt dat de raad de conclusies in een masterplan onderschrijft. [appellanten sub 5] hebben de aan het masterplan Laag Erf ten grondslag liggende onderzoeken en de daarin gestelde conclusies niet inhoudelijk bestreden. Dat zij zich niet kunnen vinden in de door de raad gemaakte belangenafweging wil niet zeggen dat de raad geen eigen afweging heeft gemaakt. In hetgeen [appellanten sub 5] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre geen eigen afweging heeft gemaakt over de voorziene landgoedontwikkeling op het plandeel Laag Erf.

2.7. Het plandeel Laag Erf bestaat thans vrijwel geheel uit agrarische gronden die een agrarische enclave vormen tussen het aaneengesloten bosgebied dat behoort tot het landgoed Groot Warnsborn in het westen en noorden en de bebouwde kom van Arnhem in het oosten en het zuiden. De gronden zijn thans in gebruik ten behoeve van een paardenpension, een houthandel en een mini-camping. Bij de vaststelling van het plan is naar aanleiding van een zienswijze van J. van Loenen en P. Arkestijn de bestemming van het plandeel Laag Erf gewijzigd vastgesteld in de bestemming "Landgoed" om het stichten van het landgoed Laag Erf mogelijk te maken.

Gelet op de plankaart en artikel 2.15, tweede lid, sub c en onder 1, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op de gronden met de bestemming "Landgoed" uitsluitend in de gegeven bestemming passende gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd met dien verstande dat op het plandeel Laag Erf drie woningen met een maximale inhoud van 1000 m³ en een bouwhoogte van 10 meter, respectievelijk van 11,5 meter voor de middelste woning mogen worden gebouwd. Op de plankaart is in het zuiden van het plandeel voorzien in één bouwvlak van ongeveer 500 m² voor de nieuwe woningen. [appellanten sub 5] wonen aan Het Lage Erf aan de oostzijde van het plandeel Laag Erf.

2.8. Een nieuw landgoed is volgens het Streekplan 2005 een openbaar toegankelijk bos- en of natuurcomplex (al dan niet met overige gronden) met daarin een woongebouw van allure met in beginsel maximaal drie wooneenheden en een minimale omvang van het nieuwe bos of natuurgebied van vijf hectare. Nieuwe landgoederen kunnen volgens het Streekplan 2005 worden gesticht onder de volgende voorwaarden. De landgoederen worden gesticht in delen van het groenblauwe raamwerk (EHS-verweving en EHS-verbindingszones) en in het multifunctioneel gebied en, voor zover thans van belang, niet in de EHS-natuur. Het is mogelijk om landgoederen te stichten met een veelvoud van minstens vijf hectare openbaar toegankelijk bos en/of natuur, waarbij in een woongebouw een veelvoud van drie wooneenheden wordt geschapen, mits passend bij de kwaliteiten van de plek. De hoofdfunctie van het nieuwe gebouw of de nieuwe gebouwen is wonen. Bij initiatieven voor een nieuw landgoed dient sprake te zijn van een totaalvisie, inclusief inrichtingsplan, beeldkwaliteitsplan en exploitatieopzet. Behalve de bestemmingsplanwijziging dient de gemeente met de initiatiefnemer voor een nieuw landgoed een privaatrechtelijke overeenkomst met kettingbeding af te sluiten over de inrichting en beheer van het nieuwe landgoed. Deze overeenkomst dient bij het bestemmingsplan te worden gevoegd.

2.9. Ter zitting hebben [appellanten sub 5] aangevoerd dat in strijd met het Streekplan 2005 bij de vaststelling van het plan wat betreft het landgoed Laag Erf geen beeldkwaliteitsplan, inrichtingsschets en een exploitatieopzet aanwezig waren. Nu zij dit bezwaar eerst ter zitting hebben aangevoerd, dient het met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Dit zou slechts anders zijn indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van hen redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij dit eerder naar voren hadden gebracht. Van dergelijke omstandigheden is echter niet gebleken.

2.10. De stelling van [appellanten sub 5] dat het plandeel Laag Erf op themakaart 19 is aangeduid als gebied waar bebouwing behorend bij een nieuw landgoed ongewenst is, treft geen doel. Op themakaart 19 (landgoederen) van het Streekplan 2005 is globaal aangegeven op welke gronden bebouwing behorend bij een nieuw landgoed in principe mogelijk is, respectievelijk ongewenst is. Gelet op het globale karakter van deze kaart, door de schaalgrootte en het ontbreken van een topografische ondergrond, is in het onderhavige geval niet met zekerheid vast te stellen of het plandeel Laag Erf daarop is aangeduid als een gebied waar bebouwing in principe is toegestaan of niet gewenst is. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat op themakaart 19 vrijwel de gehele Veluwe is aangemerkt als gebied waar nieuwe bebouwing ongewenst is, omdat volgens het landgoederenbeleid geen bebouwing in de EHS-natuur mag worden gerealiseerd. Niet in geschil is dat het plandeel Laag Erf op de streekplankaart "Beleidskaart ruimtelijke structuur" niet is aangeduid als EHS-natuur. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat themakaart 19 slechts indicatief is en dat, nu het plandeel Laag Erf geen EHS-natuur is, bebouwing behorend bij een landgoed aldaar in beginsel mogelijk is.

2.11. Voorts volgt uit het Streekplan 2005 niet dat de bestaande woningen in een gebied waarin een nieuw landgoed wordt gesticht betrokken moeten worden bij het bepalen van het maximaal toelaatbare aantal nieuwe wooneenheden. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de bestaande woningen niet moeten worden meegenomen bij het bepalen van het maximaal toelaatbare aantal nieuwe wooneenheden.

2.12. Wat betreft het betoog van [appellanten sub 5] dat het plan ten onrechte de bouw van drie woningen mogelijk maakt, overweegt de Afdeling als volgt. Daargelaten dat het Streekplan 2005 in beginsel bij het stichten van een nieuw landgoed slechts voorziet in de bouw van één woongebouw met meerdere wooneenheden en het college in het onderhavige geval geen afwijkingsprocedure heeft gevolgd, is van de zijde van de raad ter zitting verklaard dat de bouw van drie woningen ter plaatse van het zuidelijke bouwvlak ongewenst is. Volgens hem moet, mede gelet op het bouwplan, wat betreft de invulling van het bouwvlak worden uitgegaan van de bouw van één woongebouw met drie wooneenheden. Dat in het door de initiatiefnemer opgestelde bouwplan wordt uitgegaan van de bouw van één woongebouw, doet echter niet aan af aan de mogelijkheid die het plan biedt dat ter plaatse drie afzonderlijke woningen worden opgericht, zodat op enig moment gebruik kan worden gemaakt van deze bouwmogelijkheid. In zoverre is het plan niet in overeenstemming met hetgeen door de raad is beoogd. Gelet hierop is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het college heeft dit niet onderkend.

De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 5] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan wat betreft artikel 2.15, tweede lid, sub c en onder 1, van de planvoorschriften en de aanduiding "bouwgrens" op het zuidelijke deel van het plandeel met de bestemming "Landgoed" ter plaatse van de Bakenbergseweg 310 te Schaarsbergen is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 2.15, tweede lid, sub c en onder 1, van de planvoorschriften en aan de aanduiding "bouwgrens" op het zuidelijke deel van het plandeel met de bestemming "Landgoed" ter plaatse van de Bakenbergseweg 310 te Schaarsbergen. Gelet hierop wordt aan de overige bezwaren van [appellanten sub 5] tegen het voorziene landgoed Laag Erf niet toegekomen.

[appellanten sub 1]

2.13. [appellanten sub 1] stellen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "hondensport" ter plaatse van het zogenoemde gebied Galgenberg aan de Schelmseweg te Arnhem (hierna: het terrein). Ter zitting hebben zij aangegeven dat zij zich met name richten tegen het op dit plandeel aangegeven bouwvlak, nu dit bebouwing mogelijk maakt ter hoogte van de bestaande barakken. [appellanten sub 1] wensen het huidige gebruik dat zij van de barakken maken voort te zetten en zijn van mening dat in het plan onvoldoende rekening wordt gehouden met het feit dat zij in de barakken wonen. In dit verband voeren zij aan dat het plan het ten onrechte mogelijk maakt dat het gehele terrein wordt gebruikt voor de hondensport. Zij stellen dat geen behoefte bestaat aan een dergelijke uitbreiding en vrezen dat zij daarvan hinder zullen ondervinden. Volgens [appellanten sub 1] gaat het gecombineerde gebruik van het terrein voor wandelen en hondensport bovendien niet samen. Verder stellen zij dat onvoldoende rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden van het terrein en de aanwezige flora en fauna.

2.14. Het terrein is ongeveer 10 hectare groot en is in eigendom van de gemeente Arnhem. Tot 1989 werd het terrein door het Ministerie van Defensie gebruikt als militair oefenterrein. Na de beëindiging van dat gebruik zijn de nog op het terrein aanwezige barakken van het Ministerie van Defensie gekraakt. Deze barakken worden sindsdien bewoond. [appellanten sub 1] wonen in de barakken ten noorden van de Schelmseweg. Tegen dit gebruik is tot op heden niet opgetreden. Verder wordt een gedeelte van het terrein thans gebruikt ten behoeve van de hondensport. In het ontwerpplan is aan het terrein de bestemming "Bos" toegekend. Bij de vaststelling is deze bestemming gewijzigd in de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "hondensport".

2.15. Voor zover het betoog van [appellanten sub 1] ziet op het zogenoemde "Ontwikkelingsplan Galgenberg" overweegt de Afdeling dat dit plan niet ter beoordeling voorligt, zodat aan het betoog in zoverre voorbij wordt gegaan.

2.16. De raad heeft ervoor gekozen om de verschillende hondensportactiviteiten in het plangebied te concentreren op het terrein, omdat de overige locaties in het plangebied waar thans hondensportactiviteiten plaatsvinden in waardevol natuurgebied gesitueerd zijn en het terrein een minder natuurgevoelige plek is. [appellanten sub 1] hebben geen gegevens overgelegd en ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die erop wijzen dat ten gevolge van het gebruik van het terrein voor de hondensport, dat overigens thans, zij het in een kleinere omvang, reeds plaatsvindt, de op het terrein aanwezige natuurwaarden zullen worden aangetast. Evenmin is aannemelijk geworden dat aan het terrein zodanige cultuurhistorische waarden toekomen dat het college daarin in redelijkheid aanleiding had moeten zien in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden. Niet is gebleken dat een gebied met een omvang van ongeveer 10 hectare niet voor zowel wandelen als de hondensport kan worden gebruikt. Verder heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de wens van de raad om de hondensportactiviteiten te concentreren op één terrein. Nu het uitgangspunt is dat de verschillende hondensportverenigingen gebruik zullen maken van één terrein is het evenmin onredelijk dat daarvoor een ruimer gebied wordt aangewezen dan het gedeelte dat thans daarvoor op het terrein in gebruik is. Gelet op het vorenstaande heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad om het terrein te laten gebruiken voor de hondensport.

2.16.1. Niet in geschil is dat het gebruik door [appellanten sub 1] van de barakken als woonruimte onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan viel en dat, gelet op de overgangsbepalingen van het onderhavige plan, dit gebruik thans opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Het college dient derhalve in zoverre rekening te houden met de rechten en belangen die [appellanten sub 1] hebben op grond van het overgangsrecht. De raad acht de beëindiging van het gebruik van de barakken op het terrein wenselijk met het oog op de voorgenomen herinrichting van het terrein voor de hondensport. Van de zijde van de raad is in dit verband ter zitting onweersproken gesteld dat met het Ministerie van Defensie is afgesproken dat voor 2014, derhalve binnen de planperiode, voor [appellanten sub 1] alternatieve huisvesting wordt geregeld en het terrein leeg zal worden opgeleverd. Gelet hierop heeft het college aannemelijk kunnen achten dat het bestaande gebruik dat door [appellanten sub 1] van de barakken wordt gemaakt binnen de planperiode zal worden beëindigd. Verder heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de periode dat [appellanten sub 1] op grond van het overgangsrecht nog gebruik mogen maken van de barakken ter plaatse geen onaanvaardbare situatie zal ontstaan als gevolg van het gebruik van het terrein voor de hondensport. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het terrein reeds vele jaren mede in gebruik is voor de hondensport. Voor zover [appellanten sub 1] ter zitting hebben gewezen op de mogelijke negatieve gevolgen gedurende de planperiode van het op het plandeel aangegeven bouwvlak dat is voorzien voor de bouw van een accommodatie ten behoeve van de hondensportverenigingen, wordt nog overwogen dat, anders dan ter zitting werd gesteld, het bouwvlak naast de bestaande barakken ligt, zodat gebruik van de geboden bouwmogelijkheden niet noopt tot sloop van één van de barakken.

De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Hooge Veluwe

2.17. Hooge Veluwe stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 2.8.3., onder a en onder 5, van de planvoorschriften, omdat de verwijzing in dit artikel naar artikel 2.8.2., onder c, van de planvoorschriften niet juist is. Volgens haar heeft de raad, nadat hij bij de vaststelling van het plan een extra onderdeel aan artikel 2.8.2. van de planvoorschriften heeft toegevoegd, nagelaten voormelde verwijzing te veranderen in artikel 2.8.2., onder d, van de planvoorschriften.

2.18. Ingevolge artikel 2.8.2. van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden" uitsluitend in de gegeven bestemming passende gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat:

[…]

c. op de gronden bestemd als "RC (gt)", de oppervlakte van een slaghut ten hoogste 50 m³ mag bedragen;

d. op de gronden bestemd als "RC (cp)" en "RC (mn)"maximaal één bedrijfswoning is toegestaan per bestemmingsvlak;

Ingevolge artikel 2.8.3., onder a en onder 5, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 2.8.2., onder c, van de planvoorschriften, voor zover het gronden betreft met de bestemming "RC (cp)", ten behoeve van het oprichten van een extra bedrijfswoning indien dit noodzakelijk is uit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering.

2.19. Hooge Veluwe heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de verwijzing in artikel 2.8.3., onder a en onder 5, van de planvoorschriften naar artikel 2.8.2., onder c, niet correct is, aangezien dit artikel 2.8.2., onder d, van de planvoorschriften moet zijn. Het college heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Er bestaat geen twijfel over de bedoeling van de raad om aan het college van burgemeester en wethouders voor de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "camping (cp)" een vrijstellingsbevoegdheid te verlenen voor het oprichten van een extra bedrijfswoning indien dit noodzakelijk is uit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering. De verschrijving kan aldus in dit geval niet tot verwarring of rechtsonzekerheid leiden en staat er niet aan in de weg dat een beroep wordt gedaan op de vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van het oprichten van een extra bedrijfswoning op de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "camping (cp)".

De conclusie is dat hetgeen Hooge Veluwe heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.20. Verder stelt Hooge Veluwe dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 2.28. van de planvoorschriften, voor zover dit artikel een aanlegvergunning voorschrijft voor het aanbrengen van beplanting op haar gronden. Daartoe voert zij aan dat niet is gebleken van de noodzaak om een dergelijk aanlegvergunningstelsel in het plan op te nemen. Zij stelt dat zij onevenredig in haar bedrijfsuitoefening zal worden belemmerd doordat de aanlegvergunningplicht in zeer algemene bewoordingen is geformuleerd. Het college verwijst volgens haar in dit verband ten onrechte naar de uitzondering dat het normale onderhoud en beheer van de vergunningplicht zijn uitgezonderd, nu uit de voorschriften niet blijkt wat hieronder moet worden verstaan. Zij stelt dat de in het derde lid van artikel 2.28. van de planvoorschriften opgenomen criteria waaraan een aanvraag voor een aanlegvergunning zal moeten worden getoetst, onvoldoende duidelijk zijn.

2.21. In het in zoverre onbestreden deskundigenbericht staat het volgende. Hooge Veluwe exploiteert sinds 2006 de camping Buitengoed Hooge Veluwe (hierna: de camping) aan de Koningsweg te Arnhem. De camping is sinds de jaren 50 van de vorige eeuw op de onderhavige locatie gevestigd en ligt binnen de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) en het toekomstige Natura 2000-gebied Veluwe. Aan de gronden van de camping is de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "camping (cp)" en de bestemming "Grondwaterbeschermingsgebied" toegekend. Deze gronden zijn verdeeld in twee plandelen, waarvan het westelijke plandeel tevens is bestemd als "Landschappelijke waarden".

2.22. Ingevolge artikel 2.25.1. van de planvoorschriften zijn de gronden voor zover op de plankaart de bestemming "Landschappelijke waarden" is aangegeven naast de in hoofdstuk 2 gegeven andere bestemmingen tevens bestemd voor het behoud of herstel van de op deze gronden voorkomende dan wel daaraan eigen cultuurhistorische- en landschapswaarden.

Ingevolge artikel 2.28.1. van de planvoorschriften en Tabel 2 die van dit artikel deel uitmaakt, voor zover thans van belang, is het op gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "camping (cp)" en de medebestemming "Landschappelijke waarden" verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders beplantingen aan te brengen.

Dit verbod geldt blijkens het tweede lid en onder a van dit artikel niet voor het uitvoeren van werken en of werkzaamheden die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de werken en of werkzaamheden slechts toelaatbaar zijn, indien deze verband houden met de doeleinden die aan de desbetreffende bestemmingen zijn toegekend en hierdoor dan wel door daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke waarden, cultuurhistorische, natuurwaarden en kwaliteiten van de gronden […] niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.23. Ingevolge artikel 14 van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voor zover zulks noodzakelijk is:

a. om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming;

b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a.

2.24. Hooge Veluwe heeft ter zitting gesteld dat behoudens de aanlegvergunningplicht voor het aanbrengen van beplanting het aanlegvergunningstelsel ook voor het overige onevenredig belemmerend is voor haar bedrijfsuitoefening. Nu zij dit eerst ter zitting heeft aangevoerd, dient dit in zoverre met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Dit zou slechts anders zijn indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van Hooge Veluwe redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij dit eerder naar voren had gebracht. Van dergelijke omstandigheden is echter niet gebleken.

2.25. Ter zitting is van de zijde van de raad gesteld dat het aanlegvergunningstelsel in zoverre noodzakelijk is ter bescherming van de natuur- en landschapswaarden van de gronden die grenzen aan het westelijke plandeel voor de camping. Het is niet onaannemelijk dat activiteiten op het westelijke plandeel gevolgen kunnen hebben voor de landschappelijke waarden van het naastgelegen gebied en dat een aanlegvergunningstelsel kan bijdragen aan de bescherming van die waarden, nu de camping en de daaraan grenzende gronden in de EHS liggen en onderdeel uitmaken van het gebied de Veluwe, dat onder de Vogelrichtlijn is aangewezen als Speciale Beschermingszone (hierna: sbz) en onder de Habitatrichtlijn is aangemeld als sbz en geplaatst is op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 14 van de WRO volgt echter dat - voor zover het betreft het in het artikel onder b bedoelde oogmerk - er een uitsluitend en rechtstreeks verband dient te bestaan tussen het aanlegvergunningstelsel en de te beschermen bestemming. Hoewel een aanlegvergunningstelsel aldus alleen mag worden opgenomen ter bescherming van de bestemming van het plandeel waarvoor het geldt, kunnen daarmee belangen worden beschermd gelegen buiten dat plandeel, zolang in de doeleindenomschrijving van de eerstbedoelde bestemming de bescherming van die belangen expliciet tot uitdrukking is gebracht. Nu blijkens de doeleindenomschrijving van de bestemming "Landschappelijke waarden" van het westelijke plandeel deze bestemming slechts is gegeven met het oog op het behoud of herstel van de op deze gronden voorkomende dan wel daaraan eigen cultuurhistorische- en landschapswaarden, is niet tot uitdrukking gebracht dat met het aanlegvergunningstelsel in zoverre wordt beoogd de natuur- en landschapswaarden van de daarnaast gelegen gronden te beschermen en is in zoverre geen sprake van een rechtstreeks verband tussen het aanlegvergunningstelsel en de te beschermen bestemming. In dit verband overweegt de Afdeling voorts dat gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting vooralsnog niet duidelijk is geworden op welke wijze een aanlegvergunningplicht voor het aanbrengen van beplanting op het westelijke plandeel kan bijdragen aan het behoud of herstel van de op de gronden naast dat plandeel voorkomende natuur- en landschapswaarden.

De conclusie is dat hetgeen Hooge Veluwe heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 2.28.1. van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de zinsnede "aanbrengen beplantingen" in Tabel 2 die van dit artikel deel uitmaakt, voor zover dit artikel betrekking heeft op de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "camping (cp)" en de medebestemming "Landschappelijke waarden", is vastgesteld in strijd met artikel 14 van de WRO. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om op de overige bezwaren van Hooge Veluwe gericht tegen het aanlegvergunningstelsel in te gaan. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de woorden "aanbrengen beplantingen" in Tabel 2 die van artikel 2.28.1. van de planvoorschriften deel uitmaakt, voor zover dit artikel betrekking heeft op de gronden met de aanduiding "camping (cp)" binnen de bestemming "Recreatieve doeleinden" en de medebestemming "Landschappelijke waarden". Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan.

[appellant sub 2]

2.26. [appellant sub 2] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.4., vierde lid, van de planvoorschriften die het mogelijk maakt om ter plaatse van Kemperbergerweg 263 te Arnhem het landgoed 't Heidehuis te stichten. Hij stelt dat de ontwikkeling van het landgoed 't Heidehuis past in het provinciale beleid dat is gericht op behoud en versterking van de landschappelijke en ecologische waarden van het buitengebied. Voor de ontwikkeling van het landgoed is volgens [appellant sub 2] in nauw overleg met het gemeentebestuur een masterplan opgesteld. Hij vindt dat hij, gelet op het overleg dat is gevoerd met het gemeente- en het provinciebestuur bij het opstellen van het masterplan, er op mocht vertrouwen dat aan de wijzigingsbevoegdheid in zoverre goedkeuring zou worden verleend. De enkele verwijzing naar strijd met het provinciale beleid acht hij dan ook onvoldoende als motivering voor de onthouding van goedkeuring.

2.27. Het college heeft ambtshalve goedkeuring onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.4., vierde lid, van de planvoorschriften. Het college stelt zich op het standpunt dat de ontwikkeling van het landgoed 't Heidehuis niet past binnen het streekplanbeleid omdat 13 hectare van de 15 hectare van het te stichten landgoed reeds EHS-natuur is en de resterende 2 hectare te klein is voor het ontwikkelen van een nieuw landgoed. Bovendien zijn volgens het college ten onrechte niet alle criteria voor het ontwikkelen van een nieuw landgoed uit het Streekplan 2005 als wijzigingsvoorwaarden in het plan overgenomen.

2.28. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 2] aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat de onthouding van goedkeuring aan artikel 3.4., vierde lid, van de planvoorschriften in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Ter zitting is van de zijde van de raad gesteld dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan door de raad overleg is gevoerd met een ambtenaar in dienst van de provincie, die aanvankelijk een positief standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de ontwikkeling van het landgoed 't Heidehuis. Daarna heeft, gelet op het verhandelde ter zitting, naar aanleiding van een aantal ongewenste ontwikkelingen elders in de provincie in zoverre een aanscherping van het provinciale beleid plaats gevonden. In het algemeen kunnen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het goedkeuren van een bestemmingsplan berust niet bij een ambtenaar, maar bij het college. Het college heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten.

2.29. Het landgoed 't Heidehuis aan de Kemperbergerweg 263 is een bestaand landgoed in de zin van de Natuurschoonwet en heeft een omvang van ongeveer 15 hectare.

Het betoog van [appellant sub 2] dat het college heeft miskend dat het een bestaand landgoed betreft, faalt. Het streekplanbeleid over nieuwe landgoederen voorziet in de mogelijkheid dat met het stichten van een nieuw landgoed tevens nieuwe bebouwing mag worden opgericht. Nu voormelde wijzigingsbevoegdheid voorziet in de mogelijkheid van het stichten van het landgoed 't Heidehuis en het oprichten van nieuwe bebouwing, heeft het college terecht het streekplanbeleid over nieuwe landgoederen van toepassing geacht.

Volgens het deskundigenbericht is in het Streekplan 2005 minder dan vijf hectare van de gronden van het landgoed aangeduid als EHS-verweving en de rest als EHS-natuur. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd is geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte is uitgegaan van deze aanduidingen in het Streekplan 2005. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het kader van de streekplanherziening "Herbegrenzing EHS", waarin de begrenzing van de EHS opnieuw is vastgesteld, geen aanpassing van de begrenzing van de EHS is voorzien voor de gronden van het landgoed 't Heidehuis. Nu minder dan vijf hectare van het landgoed is aangeduid als EHS-verweving, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de wijzigingsbevoegdheid in strijd met het Streekplan 2005 voorziet in de mogelijkheid een landgoed te stichten van minder dan vijf hectare nieuw bos of natuurgebied. Voorts leidt hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij geen aanleiding ziet om in zoverre van het Streekplan 2005 af te wijken.

De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

West End en [appellant sub 4 A]

2.30. West End en [appellant sub 4 A] stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.4., derde lid, van de planvoorschriften die het mogelijk maakt om op hun gronden tussen de Wekeromseweg en de Amsterdamseweg te Arnhem (hierna: het perceel Reijersheide) het landgoed Reijersheide te stichten. Daartoe voeren zij aan dat het college ten onrechte heeft getoetst of de ontwikkeling van het landgoed Reijersheide, zoals die is uitgewerkt in het masterplan Reijersheide, in overeenstemming is met het provinciale beleid. Het college had zich volgens West End en [appellant sub 4 A] moeten beperken tot de vraag of het planologisch aanvaardbaar is dat voor het perceel Reijersheide in een wijzigingsbevoegdheid wordt voorzien die de ontwikkeling van een landgoed mogelijk maakt. Zij stellen zich verder op het standpunt dat het niet noodzakelijk is dat de criteria uit het Streekplan 2005 in de wijzigingsbevoegdheid worden overgenomen, nu bij de vaststelling van het wijzigingsplan het provinciale beleid in acht moet worden genomen en derhalve aan die criteria moet worden voldaan.

2.31. Het college heeft ambtshalve goedkeuring onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.4., derde lid, van de planvoorschriften. Het college stelt zich op het standpunt dat de ontwikkeling van het landgoed Reijersheide niet past binnen het streekplanbeleid, omdat in het voorschrift niet is vastgelegd dat het landgoed een minimale omvang moet hebben van vijf hectare en moet worden gesticht op het gedeelte van het plandeel Reijersheide dat in het Streekplan 2005 is aangeduid als EHS-verweving. Hierbij heeft het college tevens in aanmerking genomen dat volgens het masterplan dat is opgesteld voor de ontwikkeling van het landgoed Reijersheide de nieuwe natuur ook op een andere locatie wordt aangelegd dan op het perceel Reijersheide zelf. Verder zijn volgens het college ten onrechte ook de overige criteria voor het ontwikkelen van een nieuw landgoed uit het Streekplan 2005 niet als wijzigingsvoorwaarden in de wijzigingsbevoegdheid overgenomen.

2.32. Het perceel Reijersheide is gelegen tussen de Amsterdamseweg en de Wekeromseweg, ter hoogte van Amsterdamseweg [nummer] te Arnhem. West End en [appellant sub 4 A] wensen op het perceel Reijersheide een landgoed te stichten. Voor de ontwikkeling van dit landgoed is het masterplan Reijersheide opgesteld. Volgens dit masterplan zullen op het perceel Reijersheide drie wooneenheden worden gerealiseerd en zal compensatie en natuurontwikkeling plaatsvinden op zowel het perceel Reijersheide als op de gronden van West End en [appellant sub 4 A] ten zuiden van de Johannahoeveweg.

Het perceel Reijersheide is ongeveer 16 hectare groot. Aan het perceel zijn de bestemmingen "Agrarische doeleinden" en "Bos" toegekend. Om stichting van het landgoed Reijersheide mogelijk te maken heeft de raad in artikel 3.4., derde lid, van de planvoorschriften een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op grond waarvan ter plaatse van het perceel Reijersheide de plandelen met de bestemmingen "Agrarische doeleinden" en "Bos" kunnen worden gewijzigd in de bestemming "Landgoed" (Reijersheide). In het in zoverre niet bestreden deskundigenbericht staat dat het aannemelijk is dat ongeveer zes hectare van het perceel Reijersheide in het Streekplan 2005 is aangeduid als EHS-verweving en de rest van het perceel EHS-natuur betreft.

2.33. West End en [appellant sub 4 A] merken terecht op dat het masterplan, waarin onder meer de aanleg van nieuwe natuur wordt voorzien op een andere locatie dan waar het landgoed Reijersheide is voorzien, niet bindend is en dat daarin derhalve geen reden voor onthouding van goedkeuring aan voormelde wijzigingsbevoegdheid kan zijn gelegen. Gelet op het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting heeft het college zich echter op het standpunt gesteld dat het mogelijk is dat in overeenstemming met de vereisten in het Streekplan 2005 op het perceel Reijersheide een landgoed wordt gesticht met een minimale omvang van vijf hectare nieuw bos of natuurgebied op gronden die zijn aangeduid als EHS-verweving, maar het college heeft zich tevens nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat hij niet kan instemmen met de wijzigingsbevoegdheid voor het landgoed Reijersheide, nu niet zeker is dat bij het opstellen van het wijzigingsplan aan eerdergenoemde vereisten en de overige voorwaarden in het Streekplan 2005 zal worden voldaan. De criteria in het Streekplan 2005 voor het stichten van een nieuw landgoed zijn niet terug te vinden in de voorwaarden die de wijzigingsbevoegdheid begrenzen. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onvoldoende is gewaarborgd dat die criteria bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht worden genomen en dat aldus toereikende criteria ontbreken om te kunnen bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, gelet op artikel 9.1.5, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, indien een ontwerp van een wijzigingsplan na 1 juli 2009 ter inzage wordt gelegd een dergelijk wijzigingsplan geen goedkeuring meer behoeft van het college. Voor zover West End en [appellant sub 4 A] verder stellen dat wat betreft het landgoed Laag Erf evenmin in zoverre aan alle criteria in het Streekplan 2005 is voldaan, wordt overwogen dat geen sprake is van gelijke gevallen nu in tegenstelling tot het onderhavige landgoed in dat geval sprake is van het bij recht voorzien in het stichten van een landgoed. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft artikel 3.4., derde lid, van de planvoorschriften is vastgesteld in strijd met het Streekplan 2005.

De conclusie is dat hetgeen West End en [appellant sub 4 A] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft artikel 3.4., derde lid, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.34. Het college dient ten aanzien van Hooge Veluwe en [appellanten sub 5] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en West End en [appellant sub 4 A] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hooge Veluwe Holding B.V. gedeeltelijk en het beroep van [appellant sub 5] en anderen geheel gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 2 oktober 2007, kenmerk 2007-006074, voor zover daarbij goedkeuring is verleend:

a. aan de woorden "aanbrengen beplantingen" in Tabel 2 die van artikel 2.28.1. van de planvoorschriften deel uitmaakt, voor zover dit artikel betrekking heeft op de gronden met de aanduiding "camping (cp)" binnen de bestemming "Recreatieve doeleinden" en de medebestemming "Landschappelijke waarden";

b. aan artikel 2.15, tweede lid, sub c en onder 1, van de planvoorschriften en aan de aanduiding "bouwgrens" op het zuidelijke deel van het plandeel met de bestemming "Landgoed" ter plaatse van de Bakenbergseweg 310 te Schaarsbergen;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II genoemde planonderdelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 2 oktober 2007;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Café Restaurant West End B.V. en [appellant sub 4 A] geheel en het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hooge Veluwe Holding B.V. voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 838,38 (zegge: achthonderdachtendertig euro en achtendertig cent); dit bedrag dient door de provincie Gelderland onder vermelding van het zaaknummer als volgt te worden betaald:

a. aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hooge Veluwe Holding B.V. een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellant sub 5] en anderen een bedrag van € 33,38 (zegge: drieëndertig euro en achtendertig cent); met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de provincie Gelderland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hooge Veluwe Holding B.V. en aan [appellant sub 5] en anderen het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hooge Veluwe Holding B.V. en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 5] en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Dorst
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2008

357-432.