Uitspraak 200604413/1

Datum van uitspraak: woensdag 21 maart 2007
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Uden
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Milieu - Overige
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2007:BA1186

200604413/1.
Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Odiliapeel, gemeente Uden,
2. [appellant sub 2], wonend te Odiliapeel, gemeente Uden,
3. [appellant sub 3], wonend te Odiliapeel, gemeente Uden,
4. [appellante sub 4], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Uden,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een aardappel- en groenteverwerkend bedrijf op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te [plaats]. Dit besluit is op 11 mei 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 26 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2006, appellant sub 2 bij brief van 27 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2006, appellant sub 3 bij brief van 19 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2006, en appellante sub 4 bij brief van 19 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2006, beroep ingesteld. Appellant sub 3 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 17 juli 2006.

Bij brief van 15 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 november 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2007, waar appellant sub 1 en 2, vertegenwoordigd door H.J. Schut, appellant sub 3, in persoon en bijgestaan door mr. I.J. Verbaan, en verweerder, vertegenwoordigd door A.A.S.A.M. Zwaans en A.G. Verhoeven, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. M.A.A. Soppe en mr. J. Gundelach, advocaten te Enschede, [gemachtigde], C.J.F. van Asten en A.J.M. van Vonderen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant sub 1 tot en met 3 niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, nu hun woningen op geruime afstand van de inrichting zijn gelegen.

Voorts is appellante sub 4 volgens verweerder evenmin belanghebbende, nu de woningen op de percelen [locatie 4] en [locatie 5] niet worden bewoond door de vennoten maar door derden en de maatschap door de vergunningverlening niet zal worden beperkt in haar mogelijkheden om op die percelen in de toekomst een agrarisch bedrijf uit te oefenen.

2.1.2. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.3. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden. Uit de stukken blijkt dat de woningen van appellant sub 1 tot en met 3 aan de Beukenlaan niet verder dan 400 meter van de inrichting zijn gelegen. Gezien de aard en de grootte van de inrichting is de Afdeling van oordeel dat milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden op de percelen waarop deze woningen zijn gelegen. Nu appellant sub 1 tot en met 3 daarom als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, is er geen reden de door hen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk te verklaren.

Met betrekking tot het beroep van appellante sub 4, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de percelen en opstallen, plaatselijk bekend als [locatie 4] en [locatie 5], zijn ingebracht in de gemeenschap van appellante sub 4. Voorts moet worden aangenomen dat, nu deze percelen zich blijkens de stukken op een afstand van 20 meter van de inrichtingsgrens en ongeveer 90 meter van de aangevraagde fabriekshal 3 bevinden, milieugevolgen van de inrichting op deze percelen kunnen worden ondervonden. Het beroep van appellante sub 4 is daarom eveneens ontvankelijk.

Bevoegdheid verweerder

2.2. Appellant sub 1 en 2 hebben betoogd dat verweerder niet bevoegd is om op de aanvraag te beslissen maar het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant. Daartoe voeren zij aan dat het afval dat in de aangevraagde vergistingsinstallatie wordt verwerkt en opgeslagen, moet worden aangemerkt als afval afkomstig van buiten de inrichting, nu de percelen [locatie 2] en [locatie 3] zijn gescheiden door een openbare weg, en het afval via een leidingenbrug van het ene perceel naar het andere wordt getransporteerd.

Appellant sub 1 en 2 zijn voorts van oordeel dat verweerder niet bevoegd is, nu hij onvoldoende kennis heeft om de aanvraag te kunnen beoordelen.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor zover van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Ingevolge categorie 28.4, aanhef en onder a, onder 6o, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van de inrichtingen, behorend tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het opslaan van de volgende afvalstoffen: andere dan de onder 1o tot en met 5o genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.103 m3 of meer.

Ingevolge categorie 28.4, onder c, onder 1o, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van de inrichtingen, behorend tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor: het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.106 kg per jaar of meer.

2.2.2. Appellanten hebben met hun beroepsgrond kennelijk het oog op categorie 28.4, aanhef en onder a, onder 6o, en categorie 28.4, onder c, onder 1o, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Voor de toepasselijkheid van deze categorieën is evenwel vereist dat de in die categorieën bedoelde handelingen worden verricht met afvalstoffen die afkomstig zijn van buiten de inrichting. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt evenwel dat daarvan in dit geval geen sprake is. De afvalstoffen die in de biogasinstallatie worden omgezet betreffen uitsluitend afvalstoffen die binnen de inrichting vrijkomen. Het betoog van appellanten dat de biogasinstallatie geen deel uitmaakt van de onderhavige inrichting en als een aparte inrichting moet worden beschouwd, omdat een openbare weg is gelegen tussen deze installatie en de rest van de inrichting, kan niet slagen. Die enkele omstandigheid is immers onvoldoende om te kunnen concluderen dat de biogasinstallatie op het perceel [locatie 3] en de rest van de inrichting op het perceel [locatie 2] niet in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer.

Tot slot is het betoog dat verweerder onvoldoende kennis heeft om de aanvraag te kunnen beoordelen, niet bepalend voor de vraag of verweerder al dan niet bevoegd is om op de aanvraag te beslissen.

De beroepen kunnen in zoverre niet slagen.

Milieu-effectrapport

2.3. Appellant sub 1 stelt dat een milieu-effectrapport had moeten worden gemaakt, nu op basis van de aanmeldingsnotitie MER de gevolgen van de inrichting voor het milieu niet zijn in te schatten.

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de aanmeldingsnotitie MER van 12 december 2005 en de beoordeling daarvan door het Samenwerkingsverband Eindhoven is gebleken dat geen sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer die nopen tot het oordeel dat een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

2.3.2. Ingevolge artikel 7.8a, tweede lid, van de Wet milieubeheer wordt bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, in elk geval aandacht besteed aan de in artikel 7.8b, eerste lid, bedoelde bijzondere omstandigheden waaronder de activiteiten worden ondernomen.

Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover van belang, neemt het bevoegd gezag een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven omstandigheden.

2.3.3. Appellant sub 1 heeft niet gesteld welke omstandigheden als bedoeld in artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer zouden nopen tot het maken van een milieu-effectrapport. Nu de stukken en het verhandelde ter zitting evenmin aanleiding geven voor het oordeel dat zich hier zodanige omstandigheden voordoen dat verweerder had moeten besluiten dat een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, ziet de Afdeling in het door appellant sub 1 gestelde geen aanleiding het besluit te vernietigen.

Het beroep treft in zoverre geen doel.

Richtlijn 96/61/EG

2.4. Voor zover appellant sub 2 betoogt dat de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (Pb. 1996, L257/26, hierna: de Richtlijn) niet op juiste wijze is toegepast, overweegt de Afdeling dat een rechtstreeks beroep op bepalingen van de Richtlijn niet mogelijk is, voor zover de Richtlijn bij wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), is geïmplementeerd in onder meer de Wet milieubeheer.

Het beroep treft in zoverre geen doel.

Toetsingskader

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Financiële zekerheid

2.6. Appellant sub 2 stelt dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat financiële zekerheid moet worden gesteld in verband met het vergiste product, dat volgens hem een afvalstof is met een negatieve waarde. Hij stelt dat alleen al in de vergistingsinstallatie 9.200 ton aan afvalstoffen aanwezig is. Volgens appellant moet er van worden uitgegaan dat het afvoeren van het vergiste product ongeveer € 20,00 per ton zal kosten. Dit zal daarom ongeveer € 200.000,00 gaan kosten, hetgeen veel meer is dan in de aanvraag is vermeld.

2.6.1. Verweerder stelt dat op basis van de gegevens uit de aanvraag, de aanwezige hoeveelheid en soort afvalstoffen, de afzetmogelijkheden van de afvalstoffen en de solvabiliteit van het bedrijf is afgezien van het aan de vergunning verbinden van voorschriften over het stellen van financiële zekerheid.

2.6.2. Niet in geschil is dat het hier een geval betreft waarin verweerder krachtens artikel 3, eerste lid, van het Besluit financiële zekerheid milieubeheer aan de vergunning voorschriften kan verbinden, die voor degene die de inrichting drijft, de verplichting inhouden tot het stellen van financiële zekerheid voor het nakomen van krachtens de vergunning voor hem geldende verplichtingen ten aanzien van het opslaan van in de vergunning aangegeven afvalstoffen of ten aanzien van het beheer van afvalstoffen na het beëindigen van de activiteiten in de inrichting.

In de aanvraag is vermeld dat, gelet op de omstandigheid dat de vergistingsinstallatie de komende 10 jaar onder een subsidieregeling valt en de inkomsten van electriciteitsopwekking hoger zijn dan de kosten van de afvoer van reststromen die als gevolg van die opwekking ontstaan, het streven bij een eventueel faillissement gericht zal zijn op het heropstarten van de vergistingsinstallatie. Voor een heropstart moet volgens de aanvraag de installatie niet worden leeggemaakt, omdat vergistingstanks die reeds zijn gevuld met anaerobe slib sneller zijn op te starten dan lege vergistingstanks. Gelet hierop zou volgens de aanvraag maximaal 750 m3 aan reststromen moeten worden afgevoerd, hetgeen in de aanvraag wordt begroot op € 16.000,00. Appellant heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan moet worden aangenomen dat hetgeen in de aanvraag is vermeld omtrent de herstart van de vergistingsinstallatie en het gevuld laten van de vergistingstanks, onjuist zou zijn. Mede gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aan de vergunning verbinden van voorschriften met betrekking tot het stellen van financiële zekerheid niet nodig is. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

Veiligheid

2.7. Appellant sub 1 en 2 stellen dat de vergunning onvoldoende voorschriften bevat die de veiligheid van de biogasinstallatie waarborgen.

2.7.1. Aan de vergunning zijn geen voorschriften verbonden met betrekking tot de veiligheid van de biogasinstallatie. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet nodig is, nu in de aanvraag is vermeld dat de installatie zal voldoen aan de ATEX-richtlijnen en rondom de installaties en leidingen veiligheidszones worden vastgesteld op basis van NPR-7910.

2.7.2. Met de verwijzing naar de ATEX-richtlijnen in de aanvraag om vergunning wordt kennelijk met name gedoeld op de Richtlijn 1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (vijftiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG). In het deskundigenbericht is vermeld dat de gevarenzone-indeling uit deze richtlijn gelijk is aan de methode uit de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 7910-1.

De Afdeling overweegt dat met de enkele verwijzing naar de richtlijn en de NPR-7910 in de aanvraag niet vaststaat welke maatregelen in dit geval moeten worden getroffen en welke gedragsvoorschriften in dit geval in acht moeten worden genomen om explosiegevaar te voorkomen. Uit de genoemde documenten vloeit zulks immers niet rechtstreeks voort. Dat bij de aanvraag een tekening is gevoegd waarin, zoals uit het deskundigenbericht blijkt, op basis van een voorlopig ontwerp van de installatie een zone-indeling is gemaakt, maakt dat niet anders. Gezien het vorenstaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het niet nodig is om aan de vergunning voorschriften te verbinden ten aanzien van de veiligheid van de biogasinstallatie. Het besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. De beroepen treffen in zoverre doel.

2.8. Appellant sub 2 stelt dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met het risico dat de aanwezigheid van 8.000 kilo ammoniak met zich brengt.

2.8.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met betrekking tot de ammoniakinstallaties is getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Voorts zijn volgens hem aan de vergunning voorschriften verbonden die zijn gebaseerd op de richtlijn PGS 13 over de toepassing van ammoniak als koudemiddel voor koelinstallaties en warmtepompen.

2.8.2. Gelet op de stukken, waaronder de aanvraag en het deskundigenbericht, moet worden aangenomen dat de afstand van 70 meter vanaf de machinekamer tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten, die in dit geval op grond van artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling externe veiligheid inrichtingen en tabel 6 van Bijlage I bij de Regeling, door het bevoegd gezag in acht moet worden genomen, zich niet buiten de grenzen van de inrichting uitstrekt. Nu derhalve aan deze afstandseis wordt voldaan, heeft verweerder de vergunning terecht niet vanwege dit punt geweigerd.

Aangezien de aan de vergunning verbonden voorschriften met betrekking tot de ammoniakinstallaties voortkomen uit de richtlijn PGS 13 over de toepassing van ammoniak als koudemiddel voor koelinstallaties en warmtepompen, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften op dit punt toereikend zijn.

Het beroep treft in zoverre geen doel.

Voorschriften over tanks en leidingen

2.9. Appellant sub 1 en 2 stellen dat de voorschriften 165, 173, 184 en 185 uit het ontwerp van het bestreden besluit ten onrechte zodanig zijn gewijzigd dat ze enkel nog zien op nieuwe tanks en leidingen.

2.9.1. Voorschrift 173 uit het ontwerp van het bestreden besluit is in het bestreden besluit vervangen door voorschrift 177. In dit voorschrift is bepaald dat gevaarlijke stoffen in tanks die met elkaar kunnen reageren, een eigen lekbak dienen te hebben. Nu dit voorschrift niet enkel ziet op nieuwe tanks, mist het beroep in zoverre feitelijke grondslag.

2.9.2. De door appellanten bedoelde voorschriften 165, 184 en 185 uit het ontwerp van het bestreden besluit zijn in het bestreden besluit vervangen door onderscheidenlijk de voorschriften 169, 188 en 190.

Ingevolge voorschrift 169 voldoen bij het vervangen of renoveren van bestaande tanks of bij het plaatsen van nieuwe tanks de verbindingen van leidingen en flexibele verbindingsstukken aan de fitverbindingsvoorschriften in de BRL-K 903 (REITregeling).

Ingevolge voorschrift 188, voor zover van belang, is, indien een tank wordt gevuld via een vulleiding, deze aansluiting in de tank voorzien van een overvulbeveiliging, die zodanig is uitgevoerd dat de tank voor ten hoogste 95% kan worden gevuld. De overvulbeveiliging is voorzien van een KIWA-keur conform BRL-K 636. De KIWA-keur voor de overvulbeveiliging is niet van toepassing op bestaande tanks tenzij deze worden vervangen of gerenoveerd.

Ingevolge voorschrift 190 voldoet de ligging van een reservoir ten opzichte van de erfafscheiding en een tot de inrichting behorend gebouw, wanneer de tanks worden gerenoveerd of vervangen, aan de in dat voorschrift genoemde afstanden.

2.9.3. Met betrekking tot voorschrift 169 overweegt de Afdeling dat de in dat voorschrift bedoelde fitverbindingsvoorschriften in het BRL-K 903, "Regeling erkenning installateurs tanks en leidingen voor drukloze opslag van vloeibare aardolieproducten (REIT)", slechts eisen stellen aan het aanleggen van leidingverbindingen maar niet voorzien in een keuringsverplichting of controle van reeds bestaande leidingverbindingen. Gezien het vorenstaande heeft verweerder het voorschrift terecht niet van toepassing laten zijn op dergelijke leidingverbindingen. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.9.4. Ingevolge voorschrift 188 hoeven bestaande tanks weliswaar niet te zijn voorzien van een overvulbeveiliging met KIWA-keur conform BRL-K 636, "Overvulbeveiligers voor vloeibare aardolieproducten", maar ingevolge voorschrift 201, voor zover hier van belang, dienen die tanks en derhalve ook hun overvulbeveiligers, ten minste één maal per 15 jaar in- en uitwendig geheel te worden geïnspecteerd door of namens het KIWA. Mede gelet op het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 201 toereikend is voor bestaande tanks en dat overvulbeveiligers op dergelijke tanks niet hoeven te zijn voorzien van een KIWA-keur conform BRL-K 636. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.9.5. Ten aanzien van voorschrift 190 is gebleken dat de bestaande tanks voor natronloog en ijzersulfaat niet kunnen voldoen aan de in dit voorschrift genoemde afstanden. Nu dat blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, in dit geval niet in de weg staat aan de mogelijkheid om de tanks te inspecteren, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toepasselijkheid van dit voorschrift beperkt kan blijven tot de gevallen waarin een tank wordt gerenoveerd of vervangen. Het beroep treft in zoverre geen doel.

Zwavelgehalte biogas

2.10. Appellant sub 1 en sub 2 stellen dat voorschrift 64 uit het ontwerp van het bestreden besluit ten onrechte zodanig is aangepast dat er niet langer een eis geldt voor het zwavelgehalte van het biogas dat naar de warmtekrachtkoppeling wordt gevoerd.

2.10.1. Voorschrift 64 uit het ontwerp van het bestreden besluit is in het bestreden besluit vervangen door voorschrift 66. In dat voorschrift heeft de eis met betrekking tot het zwavelgehalte van het biogas niet langer betrekking op al het biogas dat uit de ontzwavelingsinstallatie komt, maar enkel nog op het biogas dat van de ontzwavelingsinstallatie naar de fakkel wordt gevoerd. Evenwel geldt op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen voor het in de warmtekrachtkoppeling te gebruiken biogas de eis dat het zwavelgehalte niet meer dan 1,2% bedraagt. Appellanten stellen derhalve ten onrechte dat na aanpassing van het voorschrift geen eis meer geldt voor het zwavelgehalte van dit biogas. De beroepen treffen in zoverre geen doel.

Geurhinder

2.11. Appellant sub 1 en 2 stellen dat de te verwachten geurbelasting te laag wordt ingeschat. Volgens hen heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de geurhinder die zal ontstaan door de opslag in de buitenlucht van reststromen die wachten op verwerking in de vergistingsinstallatie. Appellanten wijzen erop dat deze afvalstoffen tijdens de opslag kunnen gaan rotten.

2.11.1. Verweerder stelt dat op het terrein alleen uitgegist product wordt opgeslagen in containers, afgedekt met een zeil, maar dat de door appellanten bedoelde reststromen niet in de buitenlucht worden opgeslagen.

2.11.2. Uit zowel de aanmeldingsnotitie MER van 12 december 2005 als de aanvraag valt af te leiden dat de organische reststromen die vrijkomen in de inrichting, zullen worden opgeslagen in achtereenvolgens de voorverzuringstank en twee mengtanks, alvorens zij naar de vergistingsinstallatie worden gevoerd. Voorts blijkt uit deze stukken dat deze tanks alle zodanig zijn afgedekt dat daaruit geen emissie naar de buitenlucht kan plaatsvinden; de vrijkomende dampen worden afgezogen en behandeld in een aerobe zuiveringsinstallatie. Nu de door appellanten bedoelde reststromen derhalve niet in de buitenlucht worden opgeslagen, heeft verweerder, zoals ook uit het deskundigenbericht blijkt, op grond van het geurrapport van AV-Consulting B.V. mogen aannemen dat kan worden voldaan aan de in voorschrift 65 opgenomen geurnorm van 1 geureenheid per m3 als 98-percentiel. De beroepen kunnen in zoverre geen doel treffen.

Lichthinder

2.12. Appellant sub 1 en 3 stellen dat de vergunning onvoldoende bescherming biedt tegen lichthinder. Appellant sub 3 wijst daarbij met name op het licht dat afkomstig is van de op het perceel [locatie 3] op te richten vergistingsinstallatie.

2.12.1. Verweerder stelt dat de lichtbronnen zodanig zijn opgesteld en afgeschermd dat buiten de inrichting geen hinderlijke lichtstraling wordt veroorzaakt. De verlichting in de nachtperiode is beperkt. Voorts wijst hij erop dat de woningen van appellanten op ruime afstand van de inrichting zijn gelegen. De omstandigheid dat het gebouw op het perceel [locatie 3] een U-vorm zal hebben, zal de lichtuitstraling van dit deel van de inrichting beperken.

2.12.2. Ingevolge voorschrift 3 is de in de inrichting aangebrachte of gebezigde verlichting zodanig afgesteld dan wel afgeschermd dat de lichtbron buiten de inrichting niet direct waarneembaar is.

2.12.3. Gelet op de afstand van de woningen van derden tot de inrichting en hetgeen is bepaald in voorschrift 3, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat lichthinder wordt voorkomen dan wel in voldoende mate wordt beperkt. De beroepen kunnen in zoverre niet slagen.

Soortenbescherming

2.13. Appellant sub 1 stelt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gevolgen die de uitbreiding van de inrichting heeft voor beschermde planten- en diersoorten, met name voor diverse vleermuissoorten die zich in de omgeving van de inrichting bevinden.

2.13.1. Verweerder stelt dat bij de beoordeling van de bij de aanvraag gevoegde "Quick-scan soortgroepen" van oktober 2005 van Staro Bos- en natuurbeheer (hierna: de quick-scan) niet is gebleken dat naast de soortenbescherming door de Flora- en faunawet nog nadere voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden dan wel dat de vergunning moet worden geweigerd.

2.13.2. De Afdeling overweegt dat bescherming van planten- en diersoorten primair aan de orde komt in het kader van de beoordeling of een ontheffing krachtens de Flora- en faunawet is vereist en kan worden verleend. Voor zover het de aanvullende beoordeling in het kader van de

Wet milieubeheer betreft, heeft verweerder zich, gelet op de aanvraag en de daarvan deel uitmakende quick-scan, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich niet zodanig nadelige gevolgen voordoen voor de door appellanten naar voren gebrachte planten- en diersoorten dat daarom de vergunning moet worden geweigerd of nadere voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden. Het beroep treft in zoverre geen doel.

Geluidhinder

2.14. Appellant sub 3 stelt dat het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting over met name de Beukenlaan zal toenemen door de sluiting van het filiaal van vergunninghoudster in Asten en de gelijktijdige overplaatsing van de medewerkers uit dat filiaal naar de onderhavige inrichting.

Volgens appellant sub 1 stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat de vrachtwagens van en naar de inrichting ter hoogte van de woningen aan de Beukenlaan in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen, nu het verkeersbeeld op de Beukenlaan voor het grootste deel wordt bepaald door de verkeersbewegingen van en naar de inrichting.

2.14.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling worden de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdende verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Hiervan is sprake indien het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Anders dan appellant sub 1 meent, is derhalve niet van belang hoe groot het aandeel is van het verkeer van en naar de inrichting in het totale verkeersaanbod op een bepaalde weg. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de woningen van derden aan de Beukenlaan op zodanig grote afstand van de inrichting liggen dat zowel vrachtwagens als personenauto's van en naar de inrichting ter plaatse van die woningen nog of weer in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen. Gelet daarop is ook de door appellant sub 3 bedoelde omstandigheid dat het aantal bewegingen van en naar de inrichting door personenauto's zal toenemen, niet relevant voor wat de woningen van derden aan de Beukenlaan betreft. Gezien het vorenstaande kunnen de beroepen in zoverre geen doel treffen.

2.15. Appellante sub 4 stelt dat het uit de voorschriften 13 tot en met 25 blijkende stappenplan, waarbij maatregelen ter beperking van geluidhinder stapsgewijs worden doorgevoerd, in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer niet een hoog niveau van bescherming van het milieu biedt.

Voorts stellen appellant sub 1, appellant sub 2 en appellante sub 4 dat de geluidgrenswaarden die verweerder heeft gesteld, te hoog zijn. Volgens appellant sub 1 en 2 heeft verweerder onvoldoende onderzocht of er geen maatregelen zijn te treffen waardoor de geluidbelasting verder kan worden teruggebracht. Voorts stellen ze, evenals appellante sub 4, dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom afwijkingen worden toegestaan van de richtwaarden die in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening worden aanbevolen voor een landelijke omgeving.

2.15.1. Verweerder stelt dat de veranderingen in de inrichting, die met name bestaan uit een uitbreiding van de productiecapaciteit en het vergisten van eigen organisch afval, in fasen zullen worden doorgevoerd. In de voorschriften is de geluidbelasting per fase opgenomen. Volgens verweerder is daarbij per fase afgewogen welke maatregelen redelijkerwijs te vergen zijn. Hiermee wordt volgens hem een hoog niveau van bescherming van het milieu bereikt.

2.15.2. In de periode tot en met 2009 zal de inrichting in fasen aanzienlijk worden gewijzigd en uitgebreid met onder meer een nieuwe fabriekshal en een vergistingsinstallatie. In de bij de aanvraag gevoegde akoestische rapporten van AV-Consulting B.V. van 13 februari 2006, kenmerk PEKA.04002i.6, en van 23 februari 2006, kenmerk PEKA.04002i, is per fase weergegeven wat de optredende geluidbelasting op de woningen van derden zal zijn. Verweerder heeft de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), zoals die zijn opgenomen in de vergunningvoorschriften 13, 16, 19 en 22, op deze gegevens per fase gebaseerd. In paragraaf 7.10 van het akoestisch rapport van 13 februari 2006 is weliswaar een opsomming gegeven van alle maatregelen die tot en met het jaar 2009 in de inrichting zullen worden getroffen, doch uit de akoestische rapporten blijkt, behoudens enkele in het rapport van 23 februari 2006 genoemde maatregelen die reeds bij het in werking treden van de vergunning zullen zijn doorgevoerd, niet met welke te treffen maatregelen rekening is gehouden bij de berekeningen van de geluidbelasting in een bepaalde fase. Hierdoor is onduidelijk of er bij deze berekeningen vanuit is gegaan dat bij de ingebruikname van een wijziging of uitbreiding de maatregelen zijn getroffen die met die wijziging of uitbreiding samenhangen. Nu verweerder dit evenmin inzichtelijk heeft gemaakt, is onvoldoende gemotiveerd dat de in de voorschriften 13, 16, 19 en 22 opgenomen geluidgrenswaarden impliceren dat bij het in gebruik nemen van een wijziging of uitbreiding van de inrichting, in overeenstemming met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, ten minste de beste beschikbare technieken worden toegepast. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.16. Aangezien het bestreden besluit niet in stand kan blijven op een punt dat bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de vergunning zoals deze is aangevraagd kan worden verleend, zijn de beroepen gegrond en dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.17. Van proceskosten van appellant sub 1 en 2 die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellant sub 3 en appellante sub 4 te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Uden van 9 mei 2006, kenmerk 2005/57;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Uden tot vergoeding van bij appellant sub 3 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Uden aan appellant sub 3 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Uden tot vergoeding van bij appellante sub 4 in verband met de behandeling van opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Uden aan appellante sub 4 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Uden aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellant sub 1, € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellant sub 2, € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellant sub 3 en € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor appellante sub 4 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Lap
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

288