Uitspraak 201701113/1/R2

Datum van uitspraak: woensdag 5 december 2018
Tegen: de raad van de gemeente Tilburg en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Noord-Brabant
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:3948

201701113/1/R2.
Datum uitspraak: 5 december 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Tilburg,
2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Tilburg,

en

1.    de raad van de gemeente Tilburg,
2.    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,
verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2016 heeft de raad de coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing verklaard op de voorbereiding en de bekendmaking van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 3e herziening (Albionstraat 24)" en op een omgevingsvergunning voor het veranderen en vergroten van een bedrijfshal voor het perceel Albionstraat 24 te Tilburg.

Bij besluit van 14 november 2016 heeft de raad het plan vastgesteld.

Bij besluit van 15 december 2016 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft Strabeko B.V. (hierna: Strabeko) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en de raad en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2018, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. D. Heuker Of Hoek, rechtsbijstandverlener te ’s-Hertogenbosch, en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. X.D. de Boer en ing. P.W.T.M. van Uum en ing. D.W. Kraaij, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Strabeko, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door [persoon], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestemmingsplan is een herziening van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008" voor het perceel Albionstraat 24 te Tilburg. Op dit perceel is staalbedrijf Strabeko B.V. gevestigd. De inrichting houdt zich bezig met oppervlaktebehandelingen van metalen, zoals cabinestralen, metalliseren, poedercoaten, natlakken, glasparelstralen en thermisch reinigen. Het bestemmingsplan maakt uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing met ongeveer 1400 m2 mogelijk. Deze uitbreiding maakt een overkapping van het buitenterrein dan wel uitbreiding van de bedrijfshal mogelijk. Ook wordt binnen deze uitbreiding de activiteit "stralen" toegestaan.

    De omgevingsvergunning die is verleend ziet op het vergroten van de bedrijfshal met ongeveer 1400 m2.

    [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1], ten noorden van het plangebied. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben samen beroep ingesteld. [appellant sub 2A] woont aan de [locatie 2], ten westen van het plangebied. [appellant sub 2B] woont aan de [locatie 3], ten noordoosten van het plangebied.

Toetsingskader bestemmingsplan

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3.    De voor de zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Relativiteit

4.    Strabeko betoogt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan het beoordelen van de beroepsgronden van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], omdat zij volgens Strabeko illegaal wonen op hun percelen. Volgens Strabeko strekt het belang van een goede ruimtelijke ordening niet ter bescherming van de belangen van illegale bewoners.

4.1.    Niet in geschil is dat [appellant sub 2B] eigenaar is van een bedrijfswoning aan de [locatie 3] en dat deze bedrijfswoning bij recht is bestemd. In die hoedanigheid heeft hij een rechtens te beschermen belang bij het behoud van de woonomgeving van zijn perceel. Daarom al kan het relativiteitsvereiste niet aan [appellant sub 2B] worden tegengeworpen.

    Omdat aan [appellant sub 2B], die eigenaar is van een als zodanig bestemde bedrijfswoning, in ieder geval niet het relativiteitsvereiste kan worden tegengeworpen, ziet de Afdeling geen aanleiding hier voor [appellant sub 2A] op in te gaan, vergelijk de uitspraak van 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1234.

Milieucategorie

5.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat het plan ten onrechte een opstap is naar een algemene bestemming tot milieucategorie 4.1 voor het hele perceel Albionstraat 24. Dat was ook zo bij het ter inzage gelegde ontwerpplan. Verder betogen zij dat nu zonder meer op het hele perceel een activiteit in milieucategorie 4.1 wordt toegestaan, namelijk straalactiviteiten. Van enige beperking is geen sprake.

5.1.    In het plan is aan het hele perceel Albionstraat 24 de bestemming "Bedrijventerrein" gegeven. Verder is het perceel in dit plan gesplitst in 3 plandelen met ieder een eigen regeling van toegelaten bedrijfscategorieën. Aan een klein, in het zuidwesten van het perceel gelegen deel is de aanduiding "bedrijf van categorie 3.2" toegekend. Aan het middengedeelte, waar het grootste deel van de bestaande bedrijfsbebouwing ligt, is de aanduiding "bedrijf van categorie 4.1" gegeven. De bij het plan mogelijk gemaakte uitbreiding is voorzien op het noordwestelijke gedeelte van het perceel (hierna: noordelijke deel). Aan dit deel is in het plan de aanduiding "bedrijf van categorie 3.2" gegeven. Tevens is aan dit deel onder meer de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - metaaloppervlaktebehandelingsbedrijf" toegekend. Dat betekent dat op grond van artikel 3, lid 3.1.2, onder b, van de planregels op dit deel de activiteit stralen is toegestaan. Deze activiteit is in de bij de planregels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten aangemerkt als een activiteit in de milieucategorie 4.1.

5.2.    Op grond van de planregels worden op het noordelijke deel van het perceel niet alle activiteiten uit milieucategorie 4.1 mogelijk gemaakt, maar alleen een specifieke activiteit die in milieucategorie 4.1 valt, namelijk het stralen. Voor het overige zijn op het noordelijke deel alleen activiteiten uit milieucategorie 3.2 toegestaan. Het plan voorziet daarom niet in een algehele verhoging naar milieucategorie 4.1. Voor uitbreiding naar andere milieuactiviteiten in de milieucategorie 4.1 is een planwijziging nodig, waarbij de belangen opnieuw afgewogen moeten worden.

    Op grond van het voorgaande bestemmingsplan "Vossenberg 2008" was het noordelijke deel alleen bestemd voor bedrijfsactiviteiten in de milieucategorie 3.2. De onder milieucategorie 4.1 vallende activiteit stralen vond, zoals Strabeko ter zitting heeft bevestigd, al wel op het noordelijke deel in daar aanwezige straalcabines plaats. De raad heeft, zo is ter zitting gebleken, met name beoogd de bestaande straalactiviteiten in het plan op te nemen maar tegelijk het woon- en leefklimaat van omwonenden niet te laten verslechteren.

    Ter zitting is gebleken dat de raad er bij de vaststelling van het plan ten onrechte van is uitgegaan dat aan de plaatsing van de straalcabines medewerking was verleend door middel van een binnenplanse afwijking. Dit betekent dat in zoverre geen sprake is van bestaande rechten van Strabeko. Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat Strabeko niet meer overlast kan gaan veroorzaken dan nu het geval is. De raad heeft echter bij de vaststelling van het plan op het hele noordelijke deel van het perceel Albionstraat 24 de plaatsing van straalcabines mogelijk gemaakt en ook het aantal daarvan niet beperkt. Daarnaast is niet vastgelegd dat de tot milieucategorie 4.1 behorende straalactiviteiten slechts inpandig worden verricht, terwijl het akoestisch onderzoek daar wel van uitgaat. Gelet hierop is het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

    Het betoog slaagt.

6.    De Afdeling ziet voorts uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting aanleiding ten aanzien van de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] aangevoerde gronden het navolgende te overwegen.

Woon- en leefklimaat

Toepassing richtafstanden en Activiteitenbesluit Milieubeheer

7.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de raad ten onrechte de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: VNG-brochure) niet heeft toegepast. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen subsidiair dat, als de VNG-brochure niet voorziet in een richtafstand voor woningen op een bedrijventerrein, de raad daarmee wel in het kader van een goede ruimtelijke ordening en de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat rekening had moeten houden.

7.1.    In paragraaf 5.2 van de plantoelichting staat dat de raad de richtafstanden uit de VNG-brochure voor de bedrijfswoningen op het bedrijventerrein niet heeft toegepast. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, gezien de ligging van de woningen op een bedrijventerrein, een lager beschermingsniveau aanvaardbaar acht. Hij heeft daarom aansluiting gezocht bij de geluidnormen uit tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit). Als aan de geluidnormen voor gevoelige gebouwen op een bedrijventerrein uit het Activiteitenbesluit kan worden voldaan, acht de raad het plan, voor wat betreft de omliggende bedrijfswoningen, ruimtelijk aanvaardbaar.

    Rondom de percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en het perceel waar Strabeko is gevestigd ligt een cluster van aaneengesloten percelen met overwegend de bestemming "Bedrijventerrein". Gelet op het voor die percelen geldende bestemmingsplan en de bedrijfsbestemmingen die in dat bestemmingsplan aan die en omliggende percelen zijn gegeven, voldoen deze percelen aan de definitie van bedrijventerrein zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit. Op grond van artikel 2.17, eerste en derde lid, van het Activiteitenbesluit gelden voor gevoelige objecten op een bedrijventerrein de geluidnormen die zijn opgenomen in tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit. De Afdeling acht de keuze van de raad om, gelet op de ligging van de bedrijfswoningen op een bedrijventerrein, voor wat betreft het beschermingsniveau van de woningen, aansluiting te zoeken bij de geluidnormen van tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit, niet onredelijk. Indien vaststaat dat aan deze geluidnormen wordt voldaan, mag de raad ervan uitgaan dat in beginsel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit laat onverlet dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvullend dient te worden bezien of ter plaatse van de woningen van betrokkenen wat betreft de geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Er bestaat echter geen grond voor het oordeel dat de raad daartoe de VNG-brochure had moeten toepassen. Overigens is in de VNG-brochure aangegeven dat de daarin opgenomen richtafstanden niet zonder meer kunnen worden toegepast op een bedrijventerrein.

    Het betoog faalt.

Bescherming woning [appellant sub 2A]

8.    [appellant sub 2A] betoogt dat zijn woning ten onrechte niet is meegenomen in het akoestisch onderzoek. De raad heeft volgens hem ten onrechte aangenomen dat deze woning ter plaatse illegaal aanwezig is dan wel dat hij daar illegaal woont. Derhalve is het door de raad ingenomen standpunt onjuist dat daarom niet wordt voldaan aan de definitie van "woning" als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) en dat om die reden aan de woning akoestisch gezien geen bescherming toekomt. [appellant sub 2A] betoogt dat voor zijn woning wel degelijk een bouwvergunning is verleend. Maar in het geval geen sprake is van een vergunde situatie, dan valt de woning, dan wel het gebruik daarvan onder het overgangsrecht. Hij heeft in 1996 het perceel van de gemeente gekocht mede met de bedoeling om er te wonen. Hiermee heeft het gemeentebestuur ook altijd ingestemd. In de koopovereenkomst was de verplichting opgenomen om een loods met woning of standplaats tot stand te brengen, een en ander onder borgstelling. Deze borg is hem ook na oprichting van de bedrijfsloods en de woning teruggegeven. Gegeven alle omstandigheden had de raad volgens hem ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn woning in het akoestisch onderzoek moeten betrekken.

8.1.    Voor het perceel [locatie 2], waar [appellant sub 2A] woont, geldt het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008".

    In dat plan is aan dit perceel geen woonbestemming, ook niet voor een bedrijfswoning, toegekend. Noch de woning van [appellant sub 2A] noch het gebruik daarvan is daarom als zodanig bestemd.

8.2.    Over de door [appellant sub 2A] overgelegde bouwvergunning overweegt de Afdeling als volgt. Die bouwvergunning van 19 maart 1997 ziet, blijkens de tekst van het besluit en de bij het besluit behorende situatietekeningen, op de bouw van een loods op het betreffende perceel, en niet op de bouw van een woning.

    Voor zover [appellant sub 2A] heeft beoogd te stellen dat zijn woning destijds is geplaatst als een woonwagen waar volgens hem toentertijd geen bouwvergunning voor was vereist, overweegt de Afdeling dat met de herziening van de Woningwet 1991, die in werking is getreden op 1 oktober 1992, ook woonwagens in de zin van de Woonwagenwet bouwvergunningplichtig zijn geworden. [appellant sub 2A] heeft ter zitting verklaard dat hij zijn woning in 1997 heeft gebouwd. Daarom zou, ook als de woning van [appellant sub 2A] zou kunnen worden aangemerkt als woonwagen in de zin van de Woonwagenwet, deze bouwvergunningplichtig zijn geweest. De Afdeling stelt vast dat de voor de woning van [appellant sub 2A] vereiste bouwvergunning niet is verleend.

8.3.    Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 2A] dat hij ter plaatse legaal woont omdat deze bebouwing onder het overgangsrecht van het voor dat perceel geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008" valt, overweegt de Afdeling als volgt.

    Ter zitting heeft [appellant sub 2A] toegelicht dat zijn gebruik van het perceel [locatie 2] voor wonen is aangevangen in dan wel na 1997.

    Op basis van het toen geldende bestemmingsplan, "Vossenberg en Dongenseweg", was ten tijde van de plaatsing van de woning en de aanvang van bewoning aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B1 tot en met B4" toegekend. Op grond van artikel 4, lid 2, onder A, sub 7, van de planregels van het bestemmingsplan "Vossenberg en Dongenseweg" waren oprichting van een bedrijfswoning dan wel de plaatsing van een woonwagen met bijbehorende sanitaire voorzieningen alleen toegestaan voor zover het de aan kermisexploitanten uit te geven percelen betrof en bovendien een vrijstelling op grond van artikel 13 van de planregels van het bestemmingsplan "Vossenberg en Dongenseweg" was verleend. [appellant sub 2A] heeft geen vrijstelling overgelegd en niet gebleken is dat hem een vrijstelling is verleend. Daarom was het gebruik van het perceel voor wonen naar oordeel van de Afdeling in strijd met het voorgaande bestemmingsplan "Vossenberg en Dongenseweg".

    Omdat de woning zonder vergunning en in strijd met het voorgaande bestemmingsplan "Vossenberg en Dongenseweg" was gebouwd en in gebruik genomen, komt op grond van artikel 27 van de planregels van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008" aan de woning en het gebruik daarvan evenmin bescherming toe op grond van het overgangsrecht.

8.4.    De raad heeft bij het bestreden besluit gesteld dat aan de woning aan de [locatie 2] in akoestisch opzicht geen bescherming toekomt. Ter zitting heeft hij echter gesteld dat, gelet op de medewerking die destijds van gemeentewege is verleend aan [appellant sub 2A], nader zal moeten worden bezien welke oplossing er voor de woning van [appellant sub 2A] zou kunnen komen. De in het verleden verleende medewerking heeft, zoals ter zitting door de raad toegelicht, bestaan uit de verkoop van grond door de gemeente ten behoeve van zowel een loods alsook wonen. Het feitelijk en langjarig gebruik van het perceel ten behoeve van wonen is echter niet planologisch verankerd. Omdat de raad echter niet heeft uitgesloten dat [appellant sub 2A] op deze plek kan blijven wonen had de raad naar het oordeel van de Afdeling niet bij de vaststelling van het plan voorbij kunnen gaan aan het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor [appellant sub 2A]. Er dient ook in zoverre een belangenafweging ten aanzien van het aspect geluid plaats te vinden. De Afdeling is van oordeel dat gelet op het voorgaande de raad met het oog op die in het kader van een goede ruimtelijke ordening te verrichten belangenafweging ook de woning van [appellant sub 2A] in het akoestisch onderzoek mee had moeten nemen.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

    Het betoog slaagt.

8.5.    Nu het akoestisch onderzoek reeds hierom niet aan het plan ten grondslag had mogen worden gelegd, behoeven de overige beroepsgronden die met het onderwerp geluid te maken hebben geen bespreking.

Stof

9.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] vrezen dat de bij het plan mogelijk gemaakte straalactiviteiten zullen leiden tot stofhinder. Ten onrechte is in de planregels niet vastgelegd dat geen enkel emissiepunt naar buiten zal bestaan.

9.1.    In de plantoelichting staat dat de straalcabines geen emissiepunten naar buiten hebben en dat het gebruik van straalcabines geen negatieve gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van omwonenden.

    Zoals de Afdeling hiervoor, onder 5.2., heeft overwogen, heeft de raad echter niet vastgelegd dat de straalactiviteiten inpandig moeten worden verricht. Het aantal straalcabines noch de locaties daarvan zijn in het plan vastgelegd. Daardoor zijn planologisch meer en andere straalactiviteiten mogelijk gemaakt dan feitelijk plaatsvinden. De inrichting van Strabeko valt weliswaar onder het Activiteitenbesluit. Daarin, in het bijzonder in paragraaf 4.5.4, zijn regels opgenomen ter voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder bij het stralen van metalen. De raad heeft echter bij de afweging tussen het bedrijfsbelang en het belang van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen niet afgewogen of de noodzaak bestond dat het bestemmingsplan om planologische redenen verdergaande regelingen ter voorkoming van stofhinder zou moeten inhouden dan de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Aan mogelijke negatieve gevolgen van de planologische mogelijkheden als het gaat om stofhinder is de raad voorbijgegaan. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich niet op het standpunt mogen stellen dat de mogelijk gemaakte straalactiviteiten geen negatieve gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat van omwonenden.

    Gelet hierop is het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

    De betogen slagen.

Verkeer

10.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben ter zitting betoogd dat Strabeko op de openbare weg laadt en lost, dat deze straat druk is en dat daarom verkeersonderzoek had moeten plaatsvinden naar de gevolgen van het plan voor verkeer.

10.1.    Blijkens de stukken, waaronder de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in het akoestisch onderzoek van 5 november 2015 en het verhandelde ter zitting, zal het laden en lossen op de openbare weg beperkt zijn. Ook anderszins ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat, gelet op hetgeen door [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] is gesteld, de verkeerssituatie zodanig is dat de raad om die redenen ten onrechte aanvullend verkeersonderzoek achterwege heeft gelaten.

    Het betoog faalt.

Conclusie

11.    In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gegrond, zodat het besluit dient te worden vernietigd.

    Gelet hierop kon het besluit van 15 december 2016 tot verlening van de omgevingsvergunning niet op dat plan worden gebaseerd. De beroepen zijn gegrond, zodat dit besluit dient te worden vernietigd.

12.    Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskostenveroordeling

13.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Tilburg 14 november 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 3e herziening (Albionstraat 24)", gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tilburg 14 november 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 3e herziening (Albionstraat 24)";

III.    draagt de raad van de gemeente Tilburg op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg van 15 december 2016 tot verlening van een omgevingsvergunning voor het veranderen en vergroten van een bedrijfshal voor het perceel Albionstraat 24 te Tilburg, gegrond;

V.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg van 15 december 2016 tot verlening van een omgevingsvergunning voor het veranderen en vergroten van een bedrijfshal voor het perceel Albionstraat 24 te Tilburg;

VI.    veroordeelt de raad van de gemeente Tilburg tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.    gelast dat de raad van de gemeente Tilburg aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt;

VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Tilburg aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

w.g. Helder    w.g. Matulewicz
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2018

45-865.


BIJLAGE

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 1.1

bedrijventerrein: cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein;

Artikel 2:17

1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:

[…]

3. In afwijking van het eerste lid geldt voor een inrichting die is gelegen op een bedrijventerrein, dat:

a. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) op de in tabel 2.17c genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

b. de in de periode tussen 07:00 uur en 19:00 uur in tabel 2.17c opgenomen maximale geluidsniveaus (LAmax) niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;

c. de in tabel 2.17c aangeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet van toepassing zijn, indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

d. de in tabel 2.17c aangegeven waarden op de gevel ook van toepassing zijn bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

e. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, en

f. de in tabel 2.17c aangegeven waarden gelden niet op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.

[…]

Tabel 2.17c
Tabel uitspraak 201701113/1

Planregels bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 3e herziening (Albionstraat 24)"

Artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels luidt:

"De voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven en kantoorachtige bedrijvigheid genoemd in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 3.2 tot en met 4.1, met dien verstande dat:

1. de maximaal toegestane categorie per bestemmingsvlak is weergegeven; 2. risicovolle inrichtingen alleen zijn toegestaan, die bestaan op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan;

[…]

    Artikel 3, lid 3.1.2, van de planregels luidt:

a. Ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden mede bestemd voor de daarbij weergegeven functie;

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - metaaloppervlaktebehandelingsbedrijf (sb - meb)" zijn de voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden mede bestemd voor de functie stralen met SBI-code 2561,3311.10."

Planregels bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008"

Artikel 27

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;

[…]

c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.

27.2 Overgangsrecht gebruik

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

[…]

d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.

Planregels bestemmingsplan "Vossenberg en Dongenseweg"

Artikel 4, lid 2, onder A, sub 7

Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan binnen de bestemming met uitzondering van de plankaart met B3 aangeduide deelvlak, daarbij echter verwijzend naar het gestelde in punt 3. Binnen het met B3 aangeduide dat deelvlak is de oprichting van een bedrijfswoning dan wel de plaatsing van een woonwagen met bijbehorende sanitaire voorzieningen slechts toegestaan voor zover het de aan kermisexploitanten uit te geven percelen betreft en voorts slechts met een vrijstelling op grond van artikel 13 van de voorschriften. De op de plankaart binnen het deelvlak B3 aangegeven bestaande bedrijfswoningen mogen worden gehandhaafd. Vernieuwing of uitbreiding van die woningen mag alleen plaatsvinden op de aangegeven locaties.