Uitspraak 201704575/1/V2

Datum van uitspraak: woensdag 21 november 2018
Tegen: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Asiel
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:3736

201704575/1/V2.
Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juni 2017 in zaak nr. 16/23224 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 1 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) in de gelegenheid gesteld aan de procedure deel te nemen.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

De UNHCR heeft stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met twee vergelijkbare zaken, ECLI:NL:RVS:2018:3735 en ECLI:NL:RVS:2018:3737, ter zitting behandeld op 8 maart 2018. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G. van Reemst, advocaat te Den Haag, de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser, en de UNHCR, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De vreemdeling komt uit de stad Herat, Afghanistan. Zij is op 29 december 2010 Nederland ingereisd en was toen 14 jaar oud.

1.1.    Gelet op de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2018:3735, klaagt de vreemdeling tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat vrouwen die naar Nederland zijn gekomen en een westerse levensstijl hebben aangenomen, om die enkele reden niet kunnen worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn. Zoals in de uitspraak van vandaag is overwogen, is een westerse levensstijl geen godsdienstige of politieke overtuiging. Evenmin vormen vrouwen met een westerse levensstijl een specifieke sociale groep. Een westerse levensstijl kan op zichzelf dus niet tot vluchtelingschap leiden. Uitzondering hierop is de situatie waarin een vreemdeling aannemelijk maakt dat haar westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging.

1.2.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de staatssecretaris de gestelde afvalligheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hij heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de verklaringen dat zij zich geen moslim meer voelt sinds zij in Nederland is, dat zij afstand heeft gedaan van de islam, omdat zij daarin geen interesse meer had en zich altijd buitengesloten voelde en dat moslims haat zaaien, haar afvalligheid niet inzichtelijk heeft gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1911, onder 6-6.3). Hoewel zij reeds op veertienjarige leeftijd naar Nederland is gekomen, heeft de staatssecretaris daarover minder summiere en minder algemene verklaringen van haar mogen verwachten. Aan de verklaring van de vreemdeling dat zij nooit bewust en overtuigd moslim was heeft de staatssecretaris niet ten onrechte geen waarde gehecht, mede gelet op de verklaring van de vreemdeling tijdens haar vorige asielprocedure dat zij praktiserend moslim is. Omdat de staatssecretaris de gestelde afvalligheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gedacht, heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van die afvalligheid.

1.3.    Daarnaast heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van haar politieke overtuiging. De vreemdeling heeft wel aangevoerd dat zij actief lid is van de jongerenraad van het AZC Leersum, waaruit volgens haar blijkt dat zij voorstander is van democratie en inspraak. Die enkele verklaring is echter onvoldoende om aan te nemen dat zij een innerlijke politieke overtuiging heeft ontwikkeld, waaraan zij in Nederland uiting geeft en bij terugkeer naar haar land van herkomst zal willen geven.

1.4.    Omdat geen van de vervolgingsgronden zich voordoet, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat zij zich bij terugkeer naar haar land van herkomst aanpast aan de daar geldende normen om vervolging en een onmenselijke behandeling te voorkomen.

1.5.    De vreemdeling heeft echter ook aangevoerd dat zelfs als zij zich inspant om zich aan te passen aan de in Afghanistan geldende normen, zij zal opvallen bijvoorbeeld door haar manier van spreken. De staatssecretaris heeft ten onrechte niet op de in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2018:3735, beschreven manier aan de hand van deze verklaring van de vreemdeling onderzocht of haar daardoor vervolgingsgronden zullen worden toegedicht en of zij daardoor een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft hij dan ook niet voldoende zorgvuldig onderzocht en onvoldoende gemotiveerd of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling.

2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep gegrond verklaard en het besluit van 10 oktober 2016 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb vernietigd. Dit betekent dat de staatssecretaris met inachtneming van wat onder 1.5 is overwogen opnieuw op de aanvraag van de vreemdeling moet beslissen.

3.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. De Afdeling merkt de zaak als zwaar aan en past de wegingsfactor 2 toe bij het toekennen van de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juni 2017 in zaak nr. 16/23224;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 oktober 2016, V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.008,00 (zegge: vierduizend acht euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Sanchit-Premchand
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018

691.