Uitspraak 201701423/1/V2

Datum van uitspraak: woensdag 21 november 2018
Tegen: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Asiel
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:3735

Bij deze uitspraak is een persbericht en een toelichtende video uitgebracht.

201701423/1/V2.
Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2.    [de moeder], mede voor haar minderjarige kinderen, [meerderjarige zoon] en [meerderjarige dochter], (hierna: de vreemdelingen)
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 18 januari 2017 in zaken nrs. 16/732, 16/733 en 16/735 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluiten van 17 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en geweigerd om hun ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 18 januari 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) in de gelegenheid gesteld aan de procedure deel te nemen.

De staatssecretaris en de vreemdelingen hebben nadere stukken ingediend.

De UNHCR heeft stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met twee vergelijkbare zaken, ECLI:NL:RVS:2018:3736 en ECLI:NL:RVS:2018:3737, ter zitting behandeld op 8 maart 2018. De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A.C. Pool, advocaat te Arnhem, de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser, en de UNHCR, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    De Afdeling beantwoordt in deze uitspraak de vraag of vrouwen die naar Nederland zijn gekomen en een westerse levensstijl hebben aangenomen, kunnen worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn (hierna: de richtlijn). Die vrouwen hebben in Nederland een levenswijze ontwikkeld die afwijkt van de normen die voor hen in het land van herkomst gelden. Zij dragen bijvoorbeeld geen boerka of andere zeer bedekkende kleding, gaan zonder mannelijke begeleiding over straat, maken zelfstandig en onafhankelijk van een man keuzes en volgen onderwijs. Deze uitspraak gaat over de vraag naar de bescherming van het vluchtelingenrecht voor vrouwen die pas na vertrek uit hun land van herkomst vluchteling stellen te zijn geworden, de zogeheten 'refugiées sur place'.

1.1.    De vraag of deze vrouwen door het vluchtelingenrecht worden beschermd is door verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag verschillend beantwoord. Met deze uitspraak brengt de Afdeling op dit gebied rechtseenheid. Deze uitspraak heeft uit oogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin en door de fundamentele aard van de rechtsvragen die worden behandeld een meer algemene, zaaksoverstijgende strekking. Daarom geeft de Afdeling in deze uitspraak ook een uitgebreide en algemeen geformuleerde motivering. Die motivering is ook van belang voor lopende en toekomstige zaken van andere vrouwen die stellen dat zij voor een asielvergunning in aanmerking komen wegens hun westerse levensstijl.

1.2.    Met het oog op de zaaksoverstijgende strekking van deze uitspraak en in lijn met artikel 29 van de Procedurerichtlijn heeft de Afdeling ook de UNHCR in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de procedure en gevraagd een standpunt in te nemen over de vraag naar de asielrechtelijke bescherming van vrouwen met een westerse levensstijl. De Afdeling heeft ook de voor het eerst in hoger beroep door partijen en de UNHCR overgelegde stukken betrokken bij de beoordeling van de hoger beroepen.

1.3.    De toepasselijke regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Relevante feiten

2.    De vreemdelingen vormen een gezin en komen uit de stad Herat, Afghanistan. Aan de moeder en de meerderjarige dochter (hierna: de vreemdeling), is met ingang van 28 oktober 2013 een verblijfsvergunning asiel verleend, omdat zij werden aangemerkt als alleenstaande vrouwen. Verder is aan de minderjarige zoons en de meerderjarige zoon een van de moeder afhankelijke verblijfsvergunning asiel verleend. Op 10 april 2015 heeft de echtgenoot respectievelijk vader van de vreemdelingen een asielaanvraag in Nederland ingediend. Daarom kunnen de moeder en de vreemdeling volgens de staatssecretaris niet meer worden aangemerkt als alleenstaande vrouwen en heeft hij de verblijfsvergunningen van de moeder, haar zoons en de vreemdeling, ingetrokken. De aanvraag van de echtgenoot en vader heeft de staatssecretaris afgewezen. In die procedure doet de Afdeling vandaag ook uitspraak in zaak ECLI:NL:RVS:2018:3745.

2.1.    In deze uitspraak staan de vreemdeling en de intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel centraal. De uitspraak heeft echter ook gevolgen voor de andere leden van het gezin. In de besluiten van 17 december 2015 heeft de staatssecretaris zich namelijk op het standpunt gesteld dat het recht op gezinsleven van de gezinsleden niet is geschonden, omdat geen van hen in Nederland mag blijven. De aanspraken op een verblijfsvergunning van de moeder en de zoons hangen dan ook mede af van de verblijfsrechtelijke status van de vreemdeling. In deze uitspraak zal alleen uitdrukkelijk worden ingegaan op wat de vreemdeling in de procedure over de intrekking van haar asielvergunning heeft aangevoerd. Zij is immers degene die heeft aangevoerd dat zij door haar westerse levensstijl niet naar Afghanistan kan terugkeren. Omdat de echtgenoot en vader pas later naar Nederland is gekomen en hij een andere procedure volgt, wordt zijn zaak in een andere uitspraak van de Afdeling behandeld.

2.2.    De staatssecretaris heeft de asielvergunning van de vreemdeling ingetrokken, omdat zij volgens de staatssecretaris niet aannemelijk heeft gemaakt in Afghanistan een gegronde vrees te hebben voor vervolging of een reëel risico te lopen op een onmenselijke behandeling. De vreemdeling moet zich in Afghanistan gewoon weer aanpassen, net zoals zij zich in Nederland aan de heersende gebruiken heeft aangepast. Als zij dat doet, loopt zij in Afghanistan geen gevaar, aldus de staatssecretaris.

2.3.    De vreemdeling is in februari 2012 Nederland ingereisd. Toen de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel werd ingetrokken, was zij bijna vier jaar in Nederland en was zij 19 jaar oud. Zij heeft in haar procedure tegen het intrekkingsbesluit aangevoerd dat zij nog altijd aanhanger is van de islam, maar dat zij zich in Nederland anders gedraagt dan vrouwen in Afghanistan. Zo draagt zij in Nederland geen boerka, gaat zij zonder mannelijke begeleiding over straat en gaat zij naar school. Verder zou zij in de toekomst graag op zichzelf willen wonen. Zij wil deze westerse levensstijl ook in Afghanistan voortzetten. Zij heeft aangevoerd dat zij door deze levensstijl bij terugkeer naar Afghanistan een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling.

2.4.    De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, heeft in de aangevallen uitspraak, ECLI:NL:RBDHA:2017:484, overwogen dat een westerse levensstijl, zoals door de vreemdeling omschreven, onder de vervolgingsgronden godsdienstige en politieke overtuiging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de richtlijn valt en dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daardoor een gegronde vrees heeft voor vervolging. De staatssecretaris en de vreemdelingen komen tegen dit oordeel van de rechtbank over het Vluchtelingenverdrag en de richtlijn in hoger beroep.

Incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen

3.    De vreemdelingen klagen dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgrond dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging wegens het behoren tot een specifieke sociale groep niet heeft beoordeeld. Ook klagen zij dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun beroepsgrond dat de vreemdeling door haar westerse levensstijl een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling bij terugkeer naar haar land van herkomst.

3.1.    De rechtbank heeft overwogen dat een westerse levensstijl een godsdienstige of politieke overtuiging is en dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daardoor een gegronde vrees heeft voor vervolging. Daarom heeft zij het beroep gegrond verklaard en is zij aan de bespreking van de beroepsgronden van de vreemdelingen over de specifieke sociale groep en onmenselijke behandeling terecht niet meer toegekomen. De grieven falen daarom. Gelet op wat onder 1.1 is overwogen over de zaaksoverstijgende strekking van deze uitspraak en omwille van de leesbaarheid zal de Afdeling die beroepsgronden in deze uitspraak in het kader van het hoger beroep van de staatssecretaris over het Vluchtelingenverdrag en de richtlijn behandelen.

Volgorde van behandeling

4.    De Afdeling gaat eerst in op de algemene vraag of vrouwen die in Nederland een westerse levensstijl hebben ontwikkeld, beschermd worden door artikel 1A, aanhef en onder (2), van het Vluchtelingenverdrag, artikel 10 van de richtlijn en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In dit verband gaat de Afdeling eerst in op de vraag of die levensstijl een godsdienstige of politieke overtuiging is in de zin van die bepalingen. Ook beantwoordt de Afdeling de vraag of vrouwen met een westerse levensstijl een specifieke sociale groep vormen als bedoeld in die bepalingen. Vervolgens gaat zij in op de vraag of van een vreemdeling met een westerse levensstijl kan worden gevraagd dat zij zich bij terugkeer naar haar land van herkomst terug aanpast en op de vraag of zo'n vervolgingsgrond kan worden toegedicht.

4.1.    Daarnaast gaat de Afdeling in deze uitspraak in op de vraag of vrouwen door hun westerse levensstijl een reëel risico lopen op een onmenselijke behandeling, dat wil zeggen een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 15 van de richtlijn.

4.2.    De Afdeling sluit af met een beoordeling van de individuele zaak in het licht van de genoemde normen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM, de richtlijn en hun uitwerking in het nationale recht. Aan het slot van de uitspraak vat de Afdeling de overwegingen samen.

4.3.    De Afdeling spreekt in deze uitspraak over vervolging als het gaat om het vluchtelingschap in de zin van het Vluchtelingenverdrag en artikel 10 van de richtlijn, geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, en over onmenselijke behandeling als het gaat om artikel 3 van het EVRM en artikel 15 van de richtlijn, geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Grieven en standpunten over de godsdienstige en politieke overtuiging

5.    In de grieven klaagt de staatssecretaris dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft wegens een godsdienstige of politieke overtuiging. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling geen godsdienstige en politieke overtuiging. Dat de vreemdeling zich westers gedraagt betekent alleen dat zij zich na aankomst in Nederland heeft aangepast aan de Nederlandse gebruiken.

5.1.    De staatssecretaris heeft ter zitting bij de Afdeling toegelicht dat het begrip 'westerse levensstijl' moeilijk te definiëren is, maar dat dit in elk geval geen godsdienstige- of politieke overtuiging ís of impliceert. Volgens de staatssecretaris komen zaken als deze er op neer dat een vreemdeling in Nederland kennis maakt met de vrijheid die vrouwen hier hebben, dat zij hier van die vrijheid gebruik heeft gemaakt en dat zij deze manier van leven graag wil voortzetten, terwijl dit in haar land van herkomst niet mogelijk is. Daarvoor is het vluchtelingenrecht echter niet bedoeld. Volgens de staatssecretaris is vluchtelingenrechtelijke bescherming niet zo algemeen en uitgebreid dat alle vrouwen daarvoor in aanmerking komen als hun vrijheden in hun land van herkomst beperkter zijn dan die van vrouwen in Nederland.

5.2.    De vreemdeling heeft, samengevat weergegeven, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de stelling van de staatssecretaris dat het begrip 'westerse levensstijl' moeilijk te definiëren is. Het gaat volgens haar niet zozeer om een levensstijl die westers is, maar om een levensstijl die bestaat uit handelingen die de bestaande normen en waarden voor vrouwen in het land van herkomst Afghanistan overschrijden.

5.3.    De UNHCR heeft naar voren gebracht dat in bepaalde landen de opvatting over godsdienst specifieke cultureel voorgeschreven rollen en gedragscodes kent voor vrouwen. Als een vrouw zich daaraan niet houdt, kan zij worden gezien als iemand die er een onaanvaardbare religieuze opvatting op na houdt, ongeacht wat zij werkelijk gelooft. In sommige landen kan het ook zo zijn dat een vrouw ervan wordt verdacht een onacceptabele politieke overtuiging te hebben, als zij zich niet aan de aan vrouwen toegedichte rol houdt. Dit geldt met name in landen waar er weinig of geen onderscheid of verschil is tussen religieuze en staatsinstellingen, tussen opvattingen en wetten, zoals in Afghanistan. Volgens UNHCR mag ervan worden uitgegaan dat een non-conformistische overtuiging van een vrouw onder de aandacht van de autoriteiten of relevante delen van de samenleving komt of zal komen.

Beoordeling van de grieven over godsdienstige en politieke overtuiging in algemene zin

5.4.    Een westerse levensstijl betekent in het kader van deze beoordeling door de Afdeling dat een vreemdeling in Nederland gebruik maakt en ook na terugkeer in het land van herkomst gebruik wil blijven maken van de rechten en vrijheden die aan vrouwen in Nederland worden geboden. Dat wil zeggen dat zij zich in Nederland niet gedraagt overeenkomstig de in het land van herkomst heersende normen en verwachtingen.

5.5.    De Afdeling stelt voorop dat de staatssecretaris terecht betoogt dat het Vluchtelingenverdrag en het EVRM - die beide mede ten grondslag liggen aan de richtlijn (zie het arrest van het Hof van Justitie van 17 februari 2009, Elgafaji, ECLI:EU:C:2009:94, punt 28, en de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:210, onder 6.11) - er niet toe dwingen om een asielvergunning te verlenen aan vrouwen met een in Nederland al dan niet door louter tijdsverloop ontwikkelde westerse levensstijl. Dat zij in het land van herkomst niet kunnen leven zoals of op een vergelijkbare manier als in Nederland, en dat vrouwenrechten in het land van herkomst niet op dezelfde manier zijn verzekerd als in Nederland is voor verlening van een asielvergunning onvoldoende (zie in die zin ook de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474, onder 3.9-3.11). Het asielrecht is niet bedoeld om de verschillen in dit opzicht tussen landen op te lossen.

5.6.    Verder is de Afdeling van oordeel dat, anders dan besloten ligt in wat de rechtbank heeft overwogen, een westerse levensstijl geen godsdienstige of politieke overtuiging is. Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen in het arrest van 5 september 2012, in de gevoegde zaken C-71/11 en C-99/11, Bondsrepubliek Duitsland tegen Y en Z, ECLI:EU:C:2012:518, punten 70-71, omvat de bescherming die onder het Unierecht op basis van de vervolgingsgrond godsdienstige overtuiging wordt geboden, slechts gedrag dat betrokkene noodzakelijk voor zichzelf acht. Het moet gaan om gedrag dat op een godsdienstige overtuiging is gebaseerd en dat bijzonder belangrijk is voor betrokkene om zijn godsdienstige identiteit te behouden.

5.7.    Gezien de aard van de vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag en de richtlijn is de Afdeling van oordeel dat op dezelfde manier moet worden geoordeeld over het beroep op bescherming op grond van een politieke overtuiging. Deze vervolgingsgrond en de godsdienstige overtuiging gaan derhalve allebei over kenmerken die zo fundamenteel zijn voor de identiteit of morele integriteit van een vreemdeling, dat niet mag worden gevraagd dat zij dit opgeeft. In dit verband verwijst de Afdeling, naast het arrest Y en Z, ook naar de tekst van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de richtlijn, waarin in de vereisten voor het aannemen van een specifieke sociale groep het belang van de identiteit en morele integriteit besloten ligt. Voor het slagen van een beroep op de vervolgingsgrond politieke overtuiging is dus vereist dat het verwesterde gedrag op een politieke overtuiging is gebaseerd en bijzonder belangrijk is voor de betrokkene om haar identiteit of morele integriteit te behouden.

5.8.    De hoofdregel is dus dat een enkele in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl niet tot vluchtelingschap kan leiden. De uitzondering hierop is de situatie waarin een vreemdeling aannemelijk maakt dat de westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging. Een voorbeeld hiervan is een vreemdeling die aannemelijk maakt dat zij zich heeft afgewend van haar godsdienst en zich juist daarom westers gedraagt. Die westerse gedragingen vallen in dat geval wél onder de bescherming die door het vluchtelingenrecht wordt geboden op basis van de vervolgingsgronden godsdienstige en politieke overtuiging.

5.9.    Een vreemdeling zal die uitzondering tegenover de staatssecretaris aannemelijk moeten maken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het immers in de eerste plaats aan een vreemdeling om de door haar aan haar aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden in haar asielrelaas tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken (zie onder meer het arrest van het Hof van Justitie van 9 februari 2017, M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2017:101, punt 36-37 en de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1201, onder 1.6). Een vreemdeling moet dus aannemelijk maken dat zij een godsdienstige overtuiging heeft, waarvan haar westerse gedragingen een uiting zijn. Zij wordt ook door het vluchtelingenrecht beschermd als zij aannemelijk maakt dat zij een innerlijke politieke overtuiging heeft ontwikkeld waaraan zij in Nederland uiting geeft en ook bij terugkeer naar haar land van herkomst zal willen blijven geven en waarvan zij alleen door zichzelf geweld aan te doen zou kunnen afzien. Het beleid van de staatssecretaris in paragraaf C2/3 van de Vc 2000 over situaties waarin hij aanneemt dat een vreemdeling een politieke overtuiging heeft, is, anders dan de vreemdeling heeft betoogd, hiermee in overeenstemming.

5.10.    De staatssecretaris moet, mede in het licht van zijn integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, bij de voorbereiding van zijn besluit de nodige kennis over de relevante feiten vergaren (uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3652). Dit betekent dat hij een vreemdeling in de gelegenheid moet stellen om haar asielmotieven naar voren te brengen en dat hij haar daarover moet horen (zie in die zin ook voormeld arrest M. tegen Ierland en voormelde uitspraak van 9 april 2015 en de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1630, onder 2.8). Hij moet haar verder in de gelegenheid stellen een zienswijze in te dienen als hij het voornemen heeft de aanvraag af te wijzen (zie ook het arrest van het Hof van Justitie van 26 juli 2017, Moussa Sacko, ECLI:EU:C:2017:591, punt 34 en 35).

5.11.    Daarnaast moet de staatssecretaris de geloofwaardigheid van de verklaringen van een vreemdeling over haar godsdienstige of politieke overtuiging beoordelen op een manier zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3263, onder 3-3.4. Als de staatssecretaris die verklaringen geloofwaardig heeft geacht, moet hij beoordelen of de vreemdeling naar haar land van herkomst kan terugkeren. Dit is de beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas. Daarbij geldt voor de staatssecretaris het door de Afdeling in de uitspraak van 20 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2420, onder 2.3, uiteengezette kader (zie ook het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2018, Bahtiyar Fathi, ECLI:EU:C:2018:803, punten 87 en 88).

5.12.    Als de staatssecretaris dusdoende in zijn besluitvorming een kenbare en deugdelijke motivering geeft over zijn onderzoek en hoe hij daaruit de conclusie heeft getrokken dat een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een te beschermen godsdienstige of politieke overtuiging heeft, is gewaarborgd dat een vreemdeling daartegen volledig in rechte kan opkomen. Daarmee is ook gewaarborgd dat de bestuursrechter het besluit daadwerkelijk en effectief kan toetsen (zie in gelijke zin de uitspraken van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474, onder 3.5, en 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890).

Beroepsgrond en standpunten over de specifieke sociale groep in algemene zin

6.    De vreemdeling heeft aangevoerd dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging, omdat zij in Afghanistan als vrouw met een westerse levensstijl behoort tot een specifieke sociale groep. De vreemdeling heeft onder meer verwezen naar de door haar overgelegde notitie "Afghaanse vrouwen die de heersende normen overtreden" van de Commissie Strategisch Procederen van VluchtelingenWerk Nederland en de daarin genoemde rechtspraak in andere landen.

6.1.    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat vrouwen met een in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl geen specifieke sociale groep vormen, omdat zij niet zonder meer een kenmerk of geloof delen dat voor hun identiteit of morele integriteit dermate fundamenteel is dat niet mag worden geëist dat zij dat kenmerk of geloof opgeven. Zo valt niet vast te stellen of de westerse levensstijl voornamelijk met het uiterlijk te maken heeft of eerder met de levenshouding

of -overtuiging van een vreemdeling, aldus de staatssecretaris.

6.2.    De UNHCR heeft naar voren gebracht dat de voorwaarden van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de richtlijn alternatief zijn en niet cumulatief. Als aan één van de voorwaarden is voldaan, is dat dus al voldoende. Een specifieke sociale groep is volgens de UNHCR een groep van personen die een gedeelde karakteristiek hebben of een groep van personen die door de maatschappij gezien wordt als een groep met een bepaalde karakteristiek. Die karakteristiek is vaak een aangeboren of onveranderlijke eigenschap, of is fundamenteel voor iemands identiteit, morele integriteit, of de uitoefening van zijn mensenrechten. Vrouwen die hun rechten uitoefenen en die zich daardoor niet houden aan de heersende culturele en religieuze normen, omdat zij bijvoorbeeld een westerse levensstijl hebben aangenomen, zijn volgens de UNHCR een specifieke sociale groep, omdat zij in bepaalde samenlevingen, zoals de Afghaanse, in negatieve zin als 'anders' worden gezien, namelijk als een afwijkende specifieke sociale groep met een eigen identiteit.

Beoordeling beroepsgrond over de specifieke sociale groep in algemene zin

6.3.    In het arrest van 7 november 2013, in de gevoegde zaken C-199/12 tot en met C-201/12, X, Y en Z tegen de minister voor Immigratie en Asiel, ECLI:EU:C:2013:720, punt 45, heeft het Hof van Justitie uitdrukkelijk overwogen dat een groep als een specifieke sociale groep aangemerkt wordt als voldaan is aan de twee cumulatieve voorwaarden van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de richtlijn. Dit betekent dat aan beide voorwaarden moet zijn voldaan. Anders dan de UNHCR heeft bepleit, dwingt het Vluchtelingenverdrag niet tot een andere benadering. De Afdeling gaat daarom ook uit van cumulatieve voorwaarden bij de beoordeling of een groep als een specifieke sociale groep moet worden aangemerkt, temeer nu het Hof van Justitie in het arrest van 4 oktober 2018, Ahmedbekova en Ahmedbekov, ECLI:EU:C:2018:801, punt 89 over de richtlijn zijn eerdere oordeel heeft herhaald.

6.4.    Dit betekent dat een groep een specifieke sociale groep is in vluchtelingenrechtelijke zin als leden van die groep een aangeboren kenmerk hebben of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of morele integriteit dermate fundamenteel is dat niet mag worden geëist dat zij dit opgeven (eerste voorwaarde). Ook moet de groep in het land van herkomst een eigen identiteit hebben, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd (tweede voorwaarde). Bij de beoordeling of een groep een specifieke sociale groep is in vluchtelingenrechtelijke zin, speelt dus noodzakelijkerwijs ook de in de tijd veranderende situatie in het land van herkomst een belangrijke rol. De tweede voorwaarde voor het zijn van een specifieke sociale groep staat overigens los van de mogelijkheid dat aan een vreemdeling een vervolgingsgrond kan worden toegedicht als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn. De Afdeling zal hierop onder 8 ingaan.

6.5.    Het gegeven dat vrouwen, afkomstig uit een niet westers land, in Nederland een westerse levensstijl hebben aangenomen is niet aan te merken als een aangeboren kenmerk. De vraag is daarom of die vrouwen een gemeenschappelijk achtergrond hebben die niet kan worden gewijzigd of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of morele integriteit dermate fundamenteel is dat niet mag worden geëist dat zij dit opgeven.

6.6.    De vreemdelingen en de UNHCR gaan er zonder meer van uit dat iedere vrouw uit een niet westers land met een westerse levensstijl een overtuiging heeft ontwikkeld die aan die levensstijl ten grondslag ligt en dat zij wenst op te komen voor haar rechten. Met de overgelegde informatie, zoals de notitie van de Commissie Strategisch Procederen, is dit echter niet aannemelijk geworden. Zoals hiervoor in 5.6 en 5.7 is overwogen is het niet zo dat een westerse levensstijl een godsdienstige of politieke overtuiging ís. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat vrouwen met een westerse levensstijl zich allemaal op dezelfde manier uiten en gedragen, waardoor zij evenmin een kenmerk delen. De groep is zeer divers, zowel wat betreft de achterliggende motieven en oorzaken van de verwestersing, de mate en intensiteit waarmee deze deel van de persoonlijkheid is gaan uitmaken als de manier waarop de verwestersing zich manifesteert. Anders dan de vreemdeling en de UNHCR stellen is het ook niet zo dat het hebben van een westerse levensstijl al een godsdienstige of politieke overtuiging impliceert.

    Zelfs als bepaalde leden van de hier bedoelde groep wel een in Nederland ontwikkelde godsdienstige of politieke overtuiging hebben, is niet zonder meer aannemelijk dat die vrouwen steeds dezelfde godsdienstige of politieke overtuiging delen. De vraag is in dat geval bovendien of het behoren tot een specifieke sociale groep die laatste categorie vrouwen aanvullende bescherming zal bieden boven de andere in deze uitspraak besproken vervolgingsgronden. Het ligt in de rede dat zij vaak al op individuele basis beschermd worden, omdat hun godsdienstige of politieke overtuiging afwijkt van wat in het land van herkomst gebruikelijk en aanvaard is. Zie ook Ahmedbekova en Ahmedbekov, punt 87-90. De vraag of een subgroep van vrouwen met een westerse levensstijl onder omstandigheden als specifieke sociale groep kan worden beschouwd, behoeft in het kader van deze zaken geen bespreking.

6.7.    Dat vrouwen met een westerse levensstijl zich in Nederland anders gedragen dan van hen wordt verwacht in Afghanistan is wel een gemeenschappelijk kenmerk, maar niet één dat voor de identiteit of morele integriteit van die vrouwen zonder meer dermate fundamenteel kan worden geacht dat van hen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven.

6.8.    De vreemdelingen hebben hun betoog dat vrouwen met een westerse levensstijl een specifieke sociale groep vormen, onderbouwd met uitspraken van verschillende buitenlandse rechters. Uit die uitspraken blijkt dat deze rechtscolleges vergelijkbare maatstaven hanteren bij de beoordeling of sprake is van een specifieke sociale groep. Zij komen echter door de specifieke feiten, de procesrechtelijke context en de asielrelazen van de vreemdelingen in die zaken tegen de achtergrond van de situatie in de landen van herkomst tot een andere uitkomst over de te bieden asielrechtelijke bescherming. Die uitspraken brengen de Afdeling wat betreft de beantwoording van de vragen die in deze zaken spelen dan ook niet tot een ander oordeel, omdat de context waarbinnen zij zijn gedaan te veel afwijkt van die in deze zaken.

6.9.    Gelet op het voorgaande zijn vrouwen die in Nederland een westerse levensstijl hebben aangenomen niet aan te merken als een specifieke sociale groep. Zij hebben geen aangeboren kenmerk of een gemeenschappelijk achtergrond die niet kan worden gewijzigd. Zij delen evenmin een kenmerk of geloof dat voor de identiteit of morele integriteit dermate fundamenteel is dat niet mag worden geëist dat zij dit opgeven. Zij voldoen dus niet aan de eerste van de twee cumulatieve voorwaarden van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de richtlijn.

Afsluitende opmerkingen over de vervolgingsgronden en terughoudendheid

7.    De Afdeling heeft hiervoor overwogen dat een westerse levensstijl van een vrouw geen godsdienstige of politieke overtuiging is. Evenmin vormen vrouwen met een westerse levensstijl een specifieke sociale groep. Van een vreemdeling met een westerse levensstijl mag daarom worden gevraagd dat zij zich bij terugkeer naar haar land van herkomst aanpast aan de daar geldende normen en waarden. Daarmee wordt niet de met de rechtspraak van het Hof en de Afdeling strijdige eis gesteld dat een vreemdeling terughoudendheid betracht bij de uitoefening van een fundamentele godsdienstige of politieke overtuiging in de zin van het arrest Y en Z (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1802, onder 6.2), want die overtuiging is er niet.

Toegedichte vervolgingsgronden en onmenselijke behandeling in algemene zin

8.    Het oordeel van de Afdeling in de voorgaande overwegingen betekent niet dat in Nederland verwesterde vrouwen nooit voor een asielvergunning in aanmerking kunnen komen als aan hun westerse levensstijl en daarbij behorend gedrag geen godsdienstige of politieke overtuiging ten grondslag ligt. Niet ondenkbaar is immers - zoals ook de UNHCR heeft aangevoerd - dat een vreemdeling die zich inspant om zich aan te passen toch een godsdienstige of politieke overtuiging wordt toegedicht, waardoor zij toch een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling.

Standpunten van partijen

8.1.    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat hij nooit een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleent aan een Afghaanse vrouw op de enkele grond dat zij na het vertrek uit Afghanistan in Nederland een westerse levensstijl heeft aangenomen. Volgens de staatssecretaris mag worden aangenomen dat zij zich bij terugkeer zal kunnen aanpassen aan de traditionele Afghaanse normen en waarden. Uit de beschikbare landeninformatie kan immers worden afgeleid dat niet aannemelijk is dat een vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging wegens een toegedichte vervolgingsgrond of een risico loopt op onmenselijke behandeling, als zij zich bij terugkeer aanpast aan de in Afghanistan heersende gebruiken. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris naar voren gebracht dat er geen berichten zijn over kenmerken die niet te veranderen of te verbergen zijn of over Afghaanse vrouwen die alleen al door hun verblijf in het westen in heel Afghanistan in de problemen komen.

8.2.    Volgens de vreemdeling en de UNHCR is het standpunt van de staatssecretaris over de mogelijkheid tot aanpassing en de situatie in Afghanistan onjuist. Volgens de vreemdeling en de UNHCR is het voor een vreemdeling met een buiten Afghanistan ontwikkelde westerse levensstijl niet in alle gevallen en niet altijd mogelijk om zich bij terugkeer naar het land van herkomst volledig aan te passen. Volgens hen zijn er daadwerkelijk berichten over kenmerken die niet te veranderen of te verbergen zijn. Zij wijzen op pagina 8 van het thematisch ambtsbericht schoolgaande kinderen (in het bijzonder meisjes) in Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2011. Daarom kan een vreemdeling in Afghanistan toch een gegronde vrees hebben voor vervolging of een risico lopen op onmenselijke behandeling.

Beoordeling toegedichte vervolgingsgronden en risico van onmenselijke behandeling in algemene zin

8.3.    De Afdeling heeft in het eerste deel van deze uitspraak overwogen dat een westerse levensstijl op zichzelf geen godsdienstige of politieke overtuiging is en een westerse levensstijl daarom als regel niet tot vergunningverlening leidt. Bij wijze van uitzondering kan een westerse levensstijl tot vergunningverlening leiden, namelijk als een vreemdeling aannemelijk maakt dat die levensstijl een uitingsvorm is van een godsdienstige of politieke overtuiging. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat vrouwen met een westerse levensstijl geen specifieke sociale groep vormen. Van een vreemdeling die een westerse levensstijl heeft, zonder dat daaraan een godsdienstige of politieke overtuiging ten grondslag ligt, kan volgens de Afdeling in beginsel worden verwacht dat zij zich na terugkeer in het land van herkomst weer aanpast aan de in dat land geldende normen en waarden en gebruiken, net zoals zij zich aan Nederland heeft aangepast. Als een vreemdeling zich na terugkeer in het land van herkomst weer volledig aanpast aan de daar geldende normen en waarden en gebruiken, zal haar geen vervolgingsgrond worden toegedicht door een actor van vervolging, en zal zij ook geen risico lopen op een onmenselijke behandeling.

8.4.    Dit betekent echter - anders dan besloten ligt in het betoog van de staatssecretaris - nog niet dat van een vreemdeling met een in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl, ook al is die niet in verband te brengen met één van de in deze uitspraak behandelde vervolgingsgronden, in alle gevallen zonder meer kan worden verwacht dat zij terugkeert naar het land van herkomst. Uit het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en de richtlijn volgt dat er situaties zijn waarin van een vreemdeling met een in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl toch niet kan worden gevergd dat zij terugkeert naar het land van herkomst.

8.5.    Het gaat dan om de situatie waarin een vreemdeling aannemelijk maakt dat haar een van de vervolgingsgronden wordt toegedicht door een actor van vervolging in verband met haar persoonlijke uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken, of waarin een vreemdeling aannemelijk maakt dat zij daardoor in het land van herkomst een risico loopt op een onmenselijke behandeling. In dit verband wijst de Afdeling op het arrest van het EHRM van 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, par. 275 en wat het EHRM daarin heeft overwogen over de mogelijkheid 'to play the game'.

8.6.    Het is aan een vreemdeling om aannemelijk te maken dat zij die uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken heeft. Daarbij spelen met name het gedrag van de vreemdeling in het land van herkomst, de leeftijd die zij had op het moment van haar vertrek, hoe zij zich in Nederland heeft ontwikkeld en haar verblijfsduur in Nederland een belangrijke rol. Als een vreemdeling stelt uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken te hebben, dan moet zij aannemelijk maken dat zij die niet kan veranderen of dat dat redelijkerwijs niet van haar mag worden verwacht, dan wel dat zij die niet duurzaam kan verbergen. Daarnaast moet zij, mede door algemene informatie over het land van herkomst te verstrekken, aannemelijk maken dat haar door die kenmerken een vervolgingsgrond wordt toegedicht door een actor van vervolging of dat zij daardoor in haar land van herkomst een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling.

8.7.    De staatssecretaris moet naar aanleiding van wat een vreemdeling heeft aangevoerd en met inachtneming van de regel dat een vreemdeling aannemelijk moet maken dat zich een rechtsgrond voor vergunningverlening voordoet, tegen de achtergrond van de situatie van vrouwen in het land van herkomst en met inachtneming van wat in 5.10 tot en met 5.12 is overwogen onderzoeken of die vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich niet volledig zal kunnen aanpassen. Als die vreemdeling aannemelijk maakt dat aanpassing van bepaalde kenmerken uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk is, dan moet de staatssecretaris onderzoeken en beoordelen of die vreemdeling hierdoor bij terugkeer naar haar land van herkomst gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling. Als hij zich op het standpunt stelt dat een vreemdeling bepaalde kenmerken uiterst moeilijk of nagenoeg niet kan aanpassen, maar wel duurzaam kan verbergen, moet hij dit uiteraard toelichten en zo nodig onderbouwen (zie de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1802 en ECLI:NL:RVS:2018:1803).

Beoordeling van het individuele geval

9.    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar huidige westerse levensstijl is gebaseerd op een godsdienstige of politieke overtuiging. Zij heeft volgens de staatssecretaris dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij daardoor een gegronde vrees heeft voor vervolging. Omdat zij evenmin behoort tot een specifieke sociale groep, mag van haar worden verwacht dat zij zich bij terugkeer naar haar land van herkomst aanpast aan de daar geldende normen en waarden, volgens de staatssecretaris.

9.1.    Uit het verslag van het gehoor van 19 november 2015 blijkt dat de vreemdeling op de vraag waarom zij van mening is dat zij in Nederland verwesterd is heeft geantwoord dat zij in Afghanistan niets zelf kon doen en dat zij altijd afhankelijk was van haar vader en broer. Ook heeft zij verklaard dat zij al wat ouder was toen zij naar Nederland kwam, dat zij nog wel haar moedertaal spreekt, maar dat zij hier in Nederland liever contact heeft met Nederlandse mensen, liever Nederlandse boeken leest, graag naar Nederlandse televisieprogramma's kijkt en dat zij zo de taal het beste kan leren. Op de vraag of zij problemen verwacht in het geval van terugkeer heeft zij geantwoord dat alle mensen in Afghanistan moslim moeten zijn, dat vrouwen zich altijd goed moeten bedekken, dat ze daar niet in het openbaar kunnen leven zoals zij dat hier doet en dat zij problemen zal krijgen met de Taliban en de mensen in Afghanistan als zij horen wat haar mening is over het geloof en vrouwen. Hierna is gevraagd of het een optie zou zijn om terughoudend te leven in Afghanistan. Hierop heeft de vreemdeling geantwoord dat het voor haar moeilijk zal zijn om te vergeten hoe zij in Nederland de afgelopen vier jaar heeft geleefd en dat van haar niet kan worden gevraagd om alles wat zij in Nederland heeft geleerd weer te vergeten.

9.2.    Ter zitting bij de Afdeling heeft de vreemdeling nader toegelicht dat zij nog steeds de islam aanhangt, maar dat zij ook een goede moslima kan zijn op de manier waarop zij nu invulling geeft aan haar leven. Ook heeft zij  aangevoerd dat zelfs als zij zich aanpast het risico bestaat dat zij de aandacht op zich zal vestigen alleen al door haar houding en manier van gaan en staan. Ook de manier waarop zij communiceert met mannen en andere vrouwen en hoe zij zich beweegt in de samenleving zal de aandacht op haar vestigen, ook als zij haar best doet om zich aan te passen. Volgens de vreemdeling zal haar dan ook een vervolgingsgrond worden toegedicht en loopt zij een reëel risico op onmenselijke behandeling.

9.3.    De staatssecretaris heeft zich, anders dan de rechtbank heeft overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar huidige levensstijl is gebaseerd op een godsdienstige en politieke overtuiging. De vreemdeling heeft zich in haar verklaringen slechts op globale manier geuit over de wijziging in haar standpuntbepaling over de islam, maar heeft niet aangegeven dat en hoe die gewijzigde standpuntbepaling zich thans uit in een godsdienstige of politieke overtuiging op grond waarvan zij haar westerse levensstijl wil blijven behouden. De staatssecretaris heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat een westerse levensstijl op zichzelf geen aangeboren kenmerk of gemeenschappelijke achtergrond vormt die niet gewijzigd kan worden, en geen kenmerk of geloof is dat voor de identiteit of morele integriteit van betrokkene dermate fundamenteel is dat niet mag worden geëist dat dit opgegeven wordt, en dus niet gerelateerd is aan de vervolgingsgrond sociale groep. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat van de vreemdeling kan worden verwacht dat zij zich bij terugkeer naar haar land van herkomst aanpast aan de daar geldende normen en waarden.

9.4.    De staatssecretaris heeft echter ten onrechte niet op de hiervoor in 8.7 beschreven manier de verklaringen van de vreemdeling onderzocht over haar onmogelijkheid om zich weer volledig aan de Afghaanse maatschappij aan te passen, de vervolgingsgronden die haar daardoor zullen worden toegedicht en waardoor zij stelt een reëel risico te lopen op een onmenselijke behandeling. Hij heeft dan ook niet zorgvuldig onderzocht en onvoldoende gemotiveerd of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling.

9.5.    Gelet hierop heeft de rechtbank weliswaar ten onrechte overwogen dat een westerse levensstijl valt onder de vervolgingsgronden godsdienst en politieke overtuiging, maar is zij terecht tot de conclusie gekomen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling in deze zaak niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging. Zij heeft de beroepen van de vreemdelingen om die reden terecht gegrond verklaard en de besluiten van 17 december 2015 terecht vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Omdat de besluiten van 17 december 2015 over de overige vreemdelingen onlosmakelijk zijn verbonden met het besluit van de vreemdeling, zijn ook deze besluiten onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

Prejudiciële vragen

10.    Gelet op de systematiek van de richtlijn moeten alle vervolgingsgronden volgens de Afdeling op dezelfde manier worden uitgelegd en behandeld. Wat het Hof van Justitie in het arrest Y en Z heeft overwogen over een godsdienstige overtuiging geldt daarom ook voor een politieke overtuiging. Daarnaast heeft het Hof van Justitie in het arrest X, Y en Z en in het arrest Ahmedbekova en Ahmedbekov al uitgelegd dat de in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de richtlijn vermelde voorwaarden cumulatief zijn. Gelet op bovenstaande biedt de rechtspraak van het Hof van Justitie voldoende aanknopingspunten om te concluderen dat een westerse levensstijl van een vrouw geen godsdienstige en politieke overtuiging is. Dit geldt ook voor de conclusie dat vrouwen met een westerse levensstijl in zaken als deze niet zijn aan te merken als een specifieke sociale groep. Daarom bestaat er volgens de Afdeling geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. (zie de punten 13, 14 en 16 van het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335).

Conclusie

11.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen is eveneens ongegrond, gelet op wat de Afdeling in het begin van deze uitspraak onder 3.1 heeft overwogen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

11.1.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. De Afdeling merkt de zaak als zwaar aan en past de wegingsfactor 2 toe bij het toekennen van de proceskosten in hoger beroep.

11.2.    Het voorgaande betekent dat de staatssecretaris ten onrechte de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingetrokken en in de besluiten van 17 december 2015 over de overige vreemdelingen ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat zij niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Na deze uitspraak kan de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw intrekken, maar dan moet hij wél dat wat de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen in acht nemen. Als de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning niet intrekt, moet hij zijn standpunt dat de overige vreemdelingen niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd opnieuw en deugdelijk motiveren.

Samenvatting

12.    Deze uitspraak gaat over de vraag of vrouwen die in Nederland een westerse levensstijl hebben ontwikkeld door het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en de Europese asielrichtlijnen worden beschermd.

12.1.    Volgens de Afdeling is het feit dat een vrouwelijke vreemdeling in Nederland gebruik maakt van de rechten en vrijheden die zij hier heeft door zich op een bepaalde manier te gedragen op zichzelf geen godsdienstige of politieke overtuiging die door het vluchtelingenrecht wordt beschermd. Dat kan namelijk ook gebeuren doordat vrouwen gewoon gewend raken aan het verblijf hier in Nederland, zelfs als zij geen verblijfsvergunning hebben. Ook zijn vrouwen met een in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl geen specifieke sociale groep waarvan alle leden beschermd moeten worden. Dat vrouwen in Nederland in meer vrijheid kunnen leven dan in landen van herkomst is geen reden hun een asielvergunning te verlenen. Daarvoor is het vluchtelingenrecht niet bedoeld. In grote delen van de wereld kijkt men immers anders aan tegen vrouwenrechten en de vraag of vrouwen gelijkwaardig zijn aan mannen.

12.2.    Volgens de Afdeling kunnen vrouwen wél in aanmerking komen voor een asielvergunning als zij aannemelijk maken dat aan hun westerse levensstijl een godsdienstige of politieke overtuiging ten grondslag ligt. Die gronden worden in het Vluchtelingenverdrag en de Europese asielrichtlijn genoemd als redenen waarom iemand vervolgd kan worden en waarom iemand beschermd moet worden. Een vreemdeling moet aannemelijk maken dat zij zo'n overtuiging heeft. Daarna moet de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid - degene die namens de regering asielaanvragen onderzoekt en  beoordeelt - de verklaringen van een vreemdeling bij een asielaanvraag goed onderzoeken.

12.3.    Als blijkt dat een vreemdeling alleen een westerse levensstijl heeft, zonder een godsdienstige of een politieke overtuiging, dan mag volgens de Afdeling van die vreemdeling worden verwacht dat zij terugkeert naar het land van herkomst. Daar moet die vreemdeling zich aanpassen aan de daar voor haar geldende normen en waarden, net zoals die vreemdeling zich eerder heeft aangepast aan Nederland. Als die vreemdeling zich volledig aanpast, dan zal zij in het land van herkomst ook niet worden gezien als iemand die zich niet aan de plaatselijke wetten houdt, een ander geloof heeft aangenomen, opeens een afwijkende politieke overtuiging heeft of deel uitmaakt van een groep met afwijkende gebruiken. Er zal haar kortom geen vervolgingsgrond worden toegedicht. In dat geval loopt zij ook geen risico op onmenselijke behandeling.

12.4.    Maar er zijn volgens de Afdeling ook situaties denkbaar waarin een vreemdeling zich na terugkeer niet volledig kan aanpassen. Er zijn dan uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken, die een vreemdeling ook niet duurzaam kan verbergen. Volgens de Afdeling is niet uitgesloten dat een vreemdeling om die kenmerken toch een vervolgingsgrond wordt toegedicht. Maar een vreemdeling kan dat niet alleen aanvoeren, zij moet dat aannemelijk maken. Zij moet aannemelijk maken dat zij die kenmerken heeft en dat haar om die reden een vervolgingsgrond zal worden toegedicht (bijvoorbeeld een afwijkende geloofsovertuiging). De staatssecretaris moet zo'n claim van een vreemdeling dan onderzoeken en beoordelen. Hij moet beoordelen of aanpassing echt niet mogelijk is, en wat er gebeurt als een vreemdeling toch terug moet keren en zij zich bij terugkeer niet - volledig - kan aanpassen.

12.5.    Volgens de Afdeling hoeft over de vragen die in deze uitspraak worden behandeld geen advies te worden gevraagd aan het Europese Hof van Justitie dat uitleg geeft over Europese wetgeving.

12.6.    Bij de Afdeling zijn andere zaken aanhangig waarin dezelfde vragen spelen als in deze zaak. Daarom heeft de Afdeling in deze uitspraak een uitgebreidere, algemene motivering opgenomen. Die kan ook worden toegepast in andere zaken. In veel gevallen zal met een verwijzing naar deze uitspraak worden beslist, al dan niet met toepassing van artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000. Dat kan omdat na deze uitspraak in die andere zaken geen vragen meer spelen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Deze uitspraak bevat die beantwoording al.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.006,00 (zegge: drieduizendenzes euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Sanchit-Premchand
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018

691/284/572.


BIJLAGE - Wettelijk kader

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 3

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Vluchtelingenverdrag

Artikel 1

A    Voor de toepassing van dit Verdrag geldt als „vluchteling" elke persoon:

(…)

2. Die (…) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen (…).

Kwalificatierichtlijn (herschikking; PB 2011 L 337)

Artikel 6

Actoren van vervolging of ernstige schade kunnen onder meer zijn:

a) de staat;

b) partijen of organisaties die de staat op een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen;

c) niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld in de punten a) en b), inclusief internationale organisaties, geen bescherming als bedoeld in artikel 7 kunnen of willen bieden tegen vervolging of ernstige schade.

Artikel 10

1. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:

(…)

b) het begrip „godsdienst" omdat met name theïstische, niet theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging gebaseerd zijn of daardoor worden bepaald;

(…)

d) een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:

- leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en

- de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.

Afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst kan een specifieke sociale groep een groep zijn die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het nationale recht van de lidstaten als strafbaar worden beschouwd. Er wordt terdege rekening gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd;

e) het begrip „politieke overtuiging" houdt met name in dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.

2. Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.

Artikel 15

Ernstige schade bestaat uit:

a) de doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands conflict.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 29

1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is (…)

b. b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1º. doodstraf of executie;

2º. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3º. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

[…]

Voorschrift Vreemdelingen 2000

Artikel 3.37a

Actoren van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel van ernstige schade kunnen onder meer zijn:

a) de staat;

b) partijen of organisaties die de staat op een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen;

c) niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld onder a) en b), inclusief internationale organisaties, geen bescherming als bedoeld in artikel 3.37c kunnen of willen bieden tegen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel tegen ernstige schade.

Artikel 3.37

1. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag wordt rekening gehouden met de volgende elementen:

(…)

b. het begrip «godsdienst» omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald;

(…)

d. een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:

1º. leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en

2º. de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd;

Afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst kan een specifieke sociale groep een groep zijn die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het nationale recht van de lidstaten als strafbaar worden beschouwd. Wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd, wordt er terdege rekening gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit;

e. het begrip «politieke overtuiging» houdt met name in dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 3.37a genoemde potentiële actoren en hun beleid of methoden, ongeacht of de vreemdeling zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.

2. Bij de beoordeling of de vrees van de vreemdeling voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag gegrond is, doet het niet ter zake of de vreemdeling in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.

Vreemdelingencirculaire 2000

B8 Humanitair tijdelijk

(…)

10. Verwesterde schoolgaande minderjarige vrouwen

10.1. Beleidsregels voor de hoofdpersoon

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb, aan een verwesterde minderjarige vrouw als de minderjarige vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk.

De IND beoordeelt of sprake is een onevenredige psychosociale druk aan de hand van in ieder geval de volgende omstandigheden:

a. de mate van verwestering van de minderjarige vrouw;

b. individuele humanitaire omstandigheden, waaronder in ieder geval wordt betrokken de medische omstandigheden (bij de minderjarige vrouw of bij een gezinslid) en het overlijden in Nederland van een gezinslid van de minderjarige vrouw; en

c. de mogelijkheden tot deelname in de Afghaanse samenleving, waarbij in ieder geval wordt betrokken de samenstelling van het gezin en de aanwezigheid van machtige actoren (stamoudsten, krijgsheren) om de minderjarige vrouw te beschermen.

ad a

De IND beoordeelt de mate van verwestering aan de hand van de volgende omstandigheden:

•    de minderjarige vrouw is tenminste tien jaar oud;

•    de verblijfsduur in Nederland bedraagt tenminste acht jaar, gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot aan de aanvraag tot een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zoals in deze paragraaf is omschreven; en

•    het volgen van onderwijs in Nederland.

Indien de minderjarige vrouw niet voldoet aan één of meer van de onder ad a genoemde omstandigheden, dan rust op de vreemdeling een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat zij in het bezit gesteld moet worden van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van dit beleid.

De IND betrekt ook aspecten die er op duiden dat er geen sprake is een verwesterde schoolgaande minderjarige vrouw, waaronder in ieder geval:

-    gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal;

-    ongeoorloofd schooluitval; of

-    (uitingen van) gedrag conform de sociale Afghaanse islamitische normen.

De IND kan besluiten om geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb, te verlenen, als sprake is van één van de volgende omstandigheden:

•    de minderjarige vrouw of een van haar gezinsleden de terugkeer naar Afghanistan frustreert (waaronder het voeren van procedures die enkel zijn gericht op het bemoeilijken van de terugkeer);

•    de minderjarige vrouw tussentijds is teruggekeerd naar Afghanistan;

•    het gestelde in paragraaf B1/4.4 Vc van toepassing is (openbare orde beleid).

De IND merkt de groep vreemdelingen die in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor verwesterde minderjarige vrouwen aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb vrijstelling van het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf kan worden verleend.

De IND wijst de aanvraag niet af wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding.

Het uitgangspunt dat verwesterde vrouwen zich kunnen aanpassen (zie C7/3.2.2) blijft voor minderjarige vrouwen bestaan.

C2 De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

(…)

3.2. Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap

(…)

Godsdienst

De omstandigheid dat de vreemdeling zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uitoefenen als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid zal dan ook een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag vormen. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging vormt, moet de IND, gelet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is, onderzoeken of deze om redenen van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd.

De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in ieder geval mee dat:

•    de vreemdeling, die een godsdienst aanhangt, de uitingen van zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn geloof verborgen heeft gehouden;

•    van de vreemdeling niet wordt verwacht dat hij afziet van godsdienstige handelingen, die voor hem persoonlijk bijzonder belangrijk zijn om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, om vervolging te voorkomen.

De IND beoordeelt of de maatregelen en sancties die tegen de vreemdeling zullen worden genomen indien hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst bepaalde - voor zijn godsdienstige identiteit bijzondere belangrijke - handelingen verricht voldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging.

Ook indien de vreemdeling verklaart dat hij bij terugkeer zich gedwongen voelt om zijn geloof terughoudend uit te oefenen vanwege de risico’s die betrokkene anders loopt kan sprake zijn van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Sociale groep - vrouwen

De IND merkt vrouwen niet enkel op basis van de sekse aan als sociale groep, zoals bedoeld in artikel 3.37 eerste lid, aanhef en onder d, VV, omdat vrouwen als sociale groep te divers van samenstelling zijn.

(…)

Politieke overtuiging

De IND merkt in ieder geval de volgende situaties aan als politieke overtuiging, als de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend een vrouw is en de vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag in het land van herkomst plaatsvindt:

•    vanwege overtreding door de vrouw van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen;

(…)

C7. Landgebonden beleid

(…)

2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan

2.8. Bijzonderheden

Verwesterde vrouwen

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan een Afghaanse vrouw uitsluitend omdat zij na het vertrek uit Afghanistan een westerse levensstijl heeft aangenomen. De IND neemt namelijk aan dat de vrouw zich bij terugkeer zal kunnen aanpassen aan de traditionele Afghaanse normen. De omstandigheid dat een Afghaanse vrouw zich in Afghanistan niet op gelijke wijze kan uiten of ontplooien, vormt voor de IND onvoldoende grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.