Uitspraak 201706904/1/R6

Datum van uitspraak: woensdag 1 november 2017
Tegen: de raad van de gemeente Neerijnen
Proceduresoort: Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Gelderland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2017:2947

201706904/1/R6.
Datum uitspraak: 1 november 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Haaften, gemeente Neerijnen,

en

de raad van de gemeente Neerijnen,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Deil" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2017, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.N. Hagelaar, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord Raedthuys Windenergie B.V., vertegenwoordigd door mr. G.A. Leever, Wind en Co Projectontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft, en [gemachtigde], en Burgerwindcoöperatie Geldermalsen-Neerijnen, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in het windturbinepark Deil voor zover dat binnen de gemeente Neerijnen ligt. Het windturbinepark bestaat uit 11 windturbines. [appellant] woont in de nabijheid van het plangebied en vreest dat het plan leidt tot geluidhinder.

2.    Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. [appellant] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

2.1.    Niet in geschil is dat [appellant] geen zienswijze tegen het ontwerpplan heeft ingediend. [appellant] voert drie redenen aan waarom hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. In de eerste plaats betoogt [appellant] dat hij ten onrechte niet persoonlijk is geïnformeerd over de voortgang van het plan. In zoverre overweegt de Afdeling dat er is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wet ruimtelijke ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp voor een bestemmingsplan. Voor zover [appellant] stelt dat hij destijds op de inloopavond van de initiatiefnemers voor de buurt is geweest, maar dat hij anders dan zijn buren geen uitnodiging voor een keukentafelgesprek heeft ontvangen, is ter zitting gebleken dat het hier om betrokkenen bij het project zelf gaat, met wie de initiatiefnemers contracten hebben en dat de gemeente hier buiten staat. Niet gebleken is van willekeurig handelen dat aan de raad kan worden toegerekend. Het betoog faalt.

2.2.    In de tweede plaats betoogt [appellant] dat het Nieuwsblad Geldermalsen niet bij hem wordt bezorgd.

    Met betrekking hiertoe stelt de raad dat hij op 26 september 2013 de Verordening elektronische publicatie 2013 (hierna: de Verordening) heeft vastgesteld. Op grond van de Verordening wordt de voorgeschreven kennisgeving van terinzagelegging van een ontwerpplan gepubliceerd in het elektronisch gemeenteblad.

    Artikel 2:14, tweede lid, van de Awb luidt: "Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, geschiedt de verzending van berichten die niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht, niet uitsluitend elektronisch."

    Artikel 3, eerste lid, van de Verordening luidt: "Publicatie van de ontvangst van meldingen, de ontvangst van aanvragen, ontwerpbesluiten en besluiten vindt elektronisch plaats, tenzij wettelijk een andere wijze van publicatie is voorgeschreven."

    Wat betreft het betoog van [appellant] dat de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan onvolledig heeft plaatsgevonden doordat het Nieuwsblad Geldermalsen bij hem en andere woningen in het buitengebied niet wordt bezorgd, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:355) kan een kennisgeving via het internet een geschikte wijze van kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb zijn. Ingevolge artikel 2:14, tweede lid, en artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, gelezen in onderlinge samenhang, dient van een ontwerpbesluit echter op ten minste één niet-elektronische, geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, kennis te worden gegeven, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

    In dit geval is in de Verordening, en daarmee bij wettelijk voorschrift, bepaald dat het mogelijk is dat de publicatie van ontwerpbesluiten en besluiten elektronisch plaatsvindt, tenzij wettelijk een andere wijze van publicatie is voorgeschreven. In de toelichting bij de verordening staat dat de publicatie van onder meer ontwerpbesluiten uitsluitend elektronisch plaatsvindt. Deze Verordening is op 26 september 2013 en daarmee voor de datum van kennisgeving van terinzagelegging van het desbetreffende ontwerpbesluit bekendgemaakt en dus hierop van toepassing. De kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan in het elektronisch gemeenteblad van 23 februari 2017 heeft de in artikel 3:12 van de Awb bedoelde inhoud. Gelet hierop bestaat, daargelaten de door [appellant] gestelde problematiek rond de bezorging van het Nieuwsblad Geldermalsen, geen aanleiding voor het oordeel dat de kennisgeving van terinzagelegging van het ontwerpplan onvolledig heeft plaatsgevonden. Het betoog faalt.

2.3.    Ten slotte betoogt [appellant] dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan de positie van een aantal windmolens ten opzichte van het ontwerpplan is gewijzigd. Zo is windturbine 5 met 100 m verplaatst. In dit verband verwijst hij naar de bijlage 'Aanvulling MER WP Deil' van 10 mei 2017.

    De raad heeft toegelicht dat in de door [appellant] aangehaalde bijlage is ingegaan op een eerste voorkeursalternatief in het kader van het voorontwerp. Het gewijzigde voorkeursalternatief, inclusief de verschuiving 100 m, waarvoor een nieuw akoestisch onderzoek is uitgevoerd, is opgenomen in het ontwerpplan en deze locatie is in het vastgestelde plan niet gewijzigd. Het vastgestelde plan verschilt in zoverre niet van het ontwerpplan. De Afdeling heeft vastgesteld dat dit juist is. Niet gebleken is dat het plan ten opzichte van het ontwerpplan in zoverre gewijzigd is vastgesteld. Het betoog faalt.

2.4.    Gelet op het hiervoor overwogene doen zich geen omstandigheden voor die leiden tot het oordeel dat [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren te hebben ingebracht. Het beroep is niet-ontvankelijk.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Hupkes
lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017

635.