Uitspraak 201603424/1/V3

Datum van uitspraak: woensdag 13 juli 2016
Tegen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Bewaring
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:2066

201603424/1/V3.
Datum uitspraak: 13 juli 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 mei 2016 in zaak nr. 16/8065 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2016 is de vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 27 april 2016 is de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 mei 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 15 april 2016, gegrond verklaard en de vreemdeling over de periode 15 april 2016 tot 27 april 2016 schadevergoeding toegekend en dat beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 27 april 2016, ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door
mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring worden gesteld.

Ingevolge artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 kan een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, in bewaring worden gesteld, indien bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling of bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking.

2. De vreemdeling heeft op 15 april 2016 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft de vreemdeling vervolgens krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft de vreemdeling op 19 april 2016 beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft op 27 april 2016 zijn aanvraag ingetrokken. De staatssecretaris heeft vervolgens de maatregel van bewaring van 15 april 2016 opgeheven en de vreemdeling aansluitend krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Op 28 april 2016 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep ter zitting behandeld.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in overweging 3 overwogen dat zij de maatregel van 27 april 2016 met toepassing van artikel 6:19 van de Awb zal betrekken bij de beoordeling van het bij haar aanhangige beroep, omdat het zich niet met de vereiste rechtsbescherming van de vreemdeling zou verdragen om niet tegelijkertijd te oordelen over deze nieuwe maatregel van bewaring.

3. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank het beroep tegen de maatregel van 27 april 2016 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De vreemdeling voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat tussen de opheffing van de maatregel van bewaring van 15 april 2016 en de daarop aansluitende maatregel van bewaring van 27 april 2016 een zodanige samenhang bestaat, dat deze laatste maatregel is aan te merken als een nieuw besluit dat in de plaats treedt van de voorgaande maatregel, zodat zij ook het beroep tegen de maatregel van 27 april 2016 gegrond had moeten verklaren.

3.1. Uit hetgeen de rechtbank in overweging 3 van de aangevallen uitspraak over artikel 6:19 van de Awb heeft overwogen, kan worden afgeleid dat zij deze bepaling heeft toegepast op grond van hetgeen de Afdeling daarover in overweging 2.1.3. in de uitspraak van 9 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6972, heeft overwogen.

3.2. Ten tijde van de uitspraak van 9 maart 2009 kon een vreemdeling louter krachtens artikel 59, eerste lid, onder a of b, van de Vw 2000 of krachtens artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in bewaring worden gesteld. Voor een bewaring krachtens deze bepalingen gold hetzelfde vereiste van het belang van de openbare orde, zij het dat dit vereiste bij een bewaring krachtens het tweede lid van artikel 59 een rechtsvermoeden behelst (zie de uitspraak van 16 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX6473).

Uit de uitspraken van 14 maart 2003, ECLI:NL:RVS:2003:197 en van 27 januari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS4939, volgt dat louter het wijzigen van de wettelijke grondslag van een maatregel van bewaring van het eerste lid, onder a of b, naar het tweede lid van artikel 59 van de Vw 2000 of omgekeerd tot gevolg heeft dat een nieuwe maatregel van bewaring is opgelegd.

Na de uitspraak van 9 maart 2009 zijn met ingang van 1 januari 2014 (Stb. 2013, 586) en 20 juli 2015 (Stb. 2015, 293) artikel 59a onderscheidenlijk artikel 59b ingevoegd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:949, volgt dat thans elke wijziging van de wettelijke grondslag van een maatregel van bewaring tot gevolg heeft dat sprake is van een nieuwe maatregel van bewaring, omdat voor elke maatregel van bewaring andere vereisten gelden.

Anders dan ten tijde van de uitspraak van 9 maart 2009 is niet alleen het aantal mogelijke wijzigingen van de wettelijke grondslag van een maatregel van bewaring aanzienlijk toegenomen, maar is ook de omvang van de toetsing aanzienlijk uitgebreider. Gelet hierop is ook de kans groter dat de rechtbank een nieuwe maatregel van bewaring, al dan niet opgelegd na sluiting van het onderzoek ter zitting, niet tezamen met de aan deze nieuwe maatregel van bewaring voorafgaande maatregel van bewaring kan behandelen.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat uit een oogpunt van eenvoud en overzichtelijkheid van het recht tegen elke nieuwe maatregel van bewaring apart een beroep, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, moet worden ingesteld. De Afdeling komt dan ook terug van hetgeen in de uitspraak van 9 maart 2009 is overwogen. Het voorgaande laat onverlet dat de rechtbank, voor zover dat organisatorisch mogelijk is, apart ingestelde beroepen gezamenlijk ter zitting kan behandelen.

3.3. In de grief wordt niet geklaagd dat de rechtbank de uitspraak van 9 maart 2009 ten onrechte heeft toegepast, maar in wezen geklaagd dat zij deze uitspraak door een te beperkte lezing verkeerd heeft toegepast, gelet op hetgeen in overweging 2.1.3. van die uitspraak over de samenhang tussen beide maatregelen is overwogen.

3.4. De maatregel van bewaring van 27 april 2016 is een nieuwe maatregel ten opzichte van de maatregel van 15 april 2016. Het volgens de rechtbank aan de maatregel van bewaring van 15 april 2016 klevende gebrek geeft daarom geen aanleiding de toepassing van de maatregel van bewaring van 27 april 2016 reeds hierom van meet af aan onrechtmatig te achten. Dat tussen de eerdere maatregel van bewaring van 15 april 2016 en de daarop aansluitende maatregel van bewaring van 27 april 2016 een samenhang bestaat in die zin dat met deze laatste maatregel de bewaring van de vreemdeling feitelijk voortduurt is daartoe onvoldoende.

De grief faalt.

4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016

347.