Uitspraak 201408365/1/R2

Datum van uitspraak: woensdag 29 juni 2016
Tegen: de raad van de gemeente Utrecht
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Utrecht
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:1814

201408365/1/R2.
Datum uitspraak: 29 juni 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Milieugroep Zuilen, gevestigd te Utrecht,
2. [appellante sub 2], gevestigd te Utrecht,
3. [appellante sub 3] e.a., gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],
4. [appellante sub 4], gevestigd te [plaats],
5. [appellante sub 5] en anderen, gevestigd te Utrecht,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatiemaatschappij Uithoek B.V., gevestigd te Rotterdam,
7. [appellante sub 7], gevestigd te [plaats],
8. [appellante sub 8], gevestigd te [plaats],
9. [appellante sub 9], gevestigd te Utrecht,
10. de naamloze vennootschap Strukton Groep N.V. e.a., gevestigd te Maarssen,
11. [appellante sub 11], gevestigd te Utrecht,
12. [appellante sub 12], wonend te Utrecht,

en

de raad van de gemeente Utrecht,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Lage Weide" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad van de gemeente Utrecht heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.
Een aantal appellanten en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Stichting, [appellante sub 11], [appellante sub 12] en de raad hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 en 29 september 2015, waar een aantal appellanten is verschenen en/of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

Toetsingskader en planbeschrijving

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het bedrijventerrein Lage Weide in Utrecht. Het bedrijventerrein Lage Weide is ontstaan in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw en is volledig uitgegeven. Binnen het plangebied gold een groot aantal bestemmingsplannen die voor het merendeel verouderd waren. In de plantoelichting staat dat vanwege deze sterk verouderde planologische kaders relatief veel vrijstellingen zijn verleend om individuele bedrijfsontwikkelingen mogelijk te maken.

De raad heeft bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt gehanteerd de bestaande bebouwing en het gebruik van de gronden als zodanig te bestemmen en daarvoor bij recht een beperkte uitbreidingsmogelijkheid te bieden. In het plan zijn voorts afwijkingsbevoegdheden opgenomen die voorzien in de mogelijkheid om onder voorwaarden een verdere bedrijfsuitbreiding te faciliteren.

Het beroep van de Stichting Milieugroep Zuilen

Ladder voor duurzame verstedelijking

3. De Stichting kan zich niet verenigen met de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de gronden tussen de spoorlijn en het Amsterdam-Rijnkanaal voor zover bedrijven tot en met milieucategorie 4.1 zijn toegestaan en na afwijking van het plan tot en met milieucategorie 5.1.

Volgens de Stichting zijn ter plaatse van deze gronden voornamelijk bedrijven met milieucategorie 3.2 en lager gevestigd, zodat het plan hier voorziet in uitbreidingsruimte. Uit het plan blijkt evenwel niet dat sprake is van een actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) om bedrijven in een hogere milieucategorie toe te staan.

Voorts betoogt de Stichting dat wat betreft artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels niet inzichtelijk is of sprake is van een actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro.

3.1. De raad stelt dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro omdat het plan leidt tot een beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden, zodat geen sprake is van nieuw ruimtebeslag.

3.2. Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, voor zover hier van belang, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

3.3. Aan de gronden tussen de spoorlijn en het Amsterdam-Rijnkanaal is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1".

Op grond van artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming en aanduiding bestemd voor bedrijven zoals genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 tot en met 4.1.

Op grond van lid 3.6.2 kan het college van burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1:

a. om bedrijven toe te laten in één of twee categorieën hoger of lager dan in lid 3.1 genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden gelijk te zijn aan de in lid 3.1 genoemde categorieën van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten.

Op grond van lid 3.6.3 kan het college van burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5, onder c, ten behoeve van het vestigen van Bevi-inrichtingen, mits per geval van de betreffende Bevi-inrichting de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of, indien van toepassing, de afstand zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen juncto artikel 2, lid 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, is gelegen:

a. binnen het bouwperceel van de Bevi-inrichting, of

b. daarbuiten uitsluitend op gronden met de bestemming Groen, Verkeer, Verkeer - Verblijfsgebied of Water en gelegen binnen het grondgebied van gemeente Utrecht.

3.4. Voor de toepasselijkheid van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, dient allereerst te worden vastgesteld of het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dat verband is van belang of het plan ten opzichte van het vorige planologische regime voorziet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Het vorige plan dat gold voor de plandelen die door de Stichting worden bestreden betreft het "Uitbreidingsplan in hoofdzaak Lageweide", dat op 13 augustus 1962 door het college van gedeputeerde staten gedeeltelijk is goedgekeurd en in werking is getreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 maart 2010 in zaak nr. 200907266/1/H1), moet uit de artikelen 9.3.2 en 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro, in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat de onder de Woningwet 1901 tot stand gekomen uitbreidingsplannen hun rechtsgevolg behouden tot vijf jaar na inwerkingtreding van de Wro. Dit betekent dat het "Uitbreidingsplan in hoofdzaak Lageweide" zijn rechtsgevolg per 1 juli 2013 heeft verloren.

Het onderhavige plan voorziet in een planologische regeling voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de bedrijven op Lage Weide, welk industrieterrein blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting geheel is uitgegeven. Het plan sluit wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht zijn opgenomen aan bij de feitelijk bestaande situatie die op grond van het vorige plan is gerealiseerd dan wel nadien door middel van verleende vergunningen. De Afdeling is van oordeel dat het plan onder deze omstandigheden niet bij recht voorziet in nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden waardoor sprake is van nieuw ruimtebeslag of verruiming van de gebruiksmogelijkheden ten opzichte van de bestaande situatie.

Ten aanzien van de afwijkingsbevoegdheden in artikel 3, lid 3.6.2 en 3.6.3, van de planregels overweegt de Afdeling dat voor zover wordt voorzien in een functiewijziging van de bedrijfsactiviteiten, met een verruiming van de gebruiksmogelijkheden geen nieuw beslag op de ruimte plaatsvindt. Evenmin betreft dit een zodanige functiewijziging dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Voor zover in lid 3.6.3 de mogelijkheid wordt geboden tot het vestigen van Bevi-inrichtingen, overweegt de Afdeling in aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen, dat het gehele bedrijventerrein is uitgegeven, zodat bij het benutten van deze afwijkingsmogelijkheid geen sprake zal zijn van nieuw ruimtebeslag ten opzichte van de bestaande situatie.

Gelet op het vorenstaande is wat betreft de plandelen ter plaatse van de gronden tussen de spoorlijn en het Amsterdam-Rijnkanaal geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Nu geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing.

Het betoog faalt.

Geluidzone

3.5. De Stichting betoogt dat uit recente akoestische onderzoeken blijkt dat de beschikbare geluidruimte op het bedrijventerrein beperkt is, zodat kan worden betwijfeld of een intensivering van de bedrijfsactiviteiten mogelijk is binnen de geluidzone. Volgens de Stichting is niet aangetoond dat het plan wat betreft het aspect geluid uitvoerbaar is.

3.6. De raad stelt dat niet elke wijziging gepaard hoeft te gaan met een toename van geluid en dat daarnaast de mogelijkheid bestaat voor bedrijven om geluidwerende maatregelen te treffen. De beschikbare geluidruimte staat volgens de raad dan ook niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan.

3.7. Bij besluit van 22 juni 1993 is rondom het bedrijventerrein Lage Weide een geluidzone vastgesteld, zodat sprake is van een geluidgezoneerd industrieterrein als bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder. Dit brengt met zich dat de totale geluidbelasting vanwege de bedrijven op het industrieterrein wordt gereguleerd door het bepaalde in de Wet geluidhinder, waarin maximale geluidgrenswaarden zijn opgenomen voor gronden binnen en buiten de geluidzone. Voor zover de Stichting onder verwijzing naar een aantal akoestische onderzoeken betoogt dat de beschikbare geluidruimte op het industrieterrein beperkt is en dat kan worden betwijfeld of het plan uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat, daargelaten de vraag naar de resterende beschikbare geluidruimte, de raad zich terecht op het standpunt stelt dat een wijziging in de bedrijfsvoering niet per definitie gepaard hoeft te gaan met een (relevante) toename van de geluidbelasting. Dit is immers afhankelijk van de specifieke bedrijfsvoering en de aard van de wijziging. Daarnaast bestaat de mogelijkheid, en onder omstandigheden de plicht, voor bedrijven om bij uitbreiding geluidwerende maatregelen te treffen alvorens wijziging van de bedrijfsvoering kan plaatsvinden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat vanwege de geluidzone op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan dient te worden getwijfeld.

Nu dit betoog faalt behoeft het betoog van de raad dat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb aan de vernietiging van het besluit in zoverre in de weg staat geen bespreking.

Spoorweg

4. De Stichting kan zich niet verenigen met de aanduiding "spoorweg" die aan een gedeelte van de gronden tussen de spoordijk en het Amsterdam-Rijnkanaal is toegekend. Volgens haar wordt hierdoor een aanzienlijke uitbreiding mogelijk gemaakt van spoorwegen met bijbehorende op- en overslagvoorzieningen zonder dat hiervoor een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing is gegeven. De Stichting wijst er in dit verband in het bijzonder op dat onduidelijk is of met deze toegestane ontwikkeling kan worden voldaan aan de geluidgrenswaarden die ingevolge de geluidzone vanwege het industrieterrein in acht moeten worden genomen en de afstanden die op grond van de VNG-brochure worden aanbevolen.

4.1. De raad stelt dat op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" de aanleg van een spoorwegemplacement niet mogelijk is en dat met de aanduiding "spoorweg" de bestaande spoorlijn als zodanig is bestemd. Wat betreft een mogelijke intensivering van de gebruiksmogelijkheden, wijst de raad wat betreft mogelijke geluidhinder op de maximale geluidgrenswaarden die op grond van de geluidzone vanwege het industrieterrein gelden.

4.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder f, van de planregels is ter plaatse van de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "spoorweg" een spoorweg ten dienste van goederenvervoer toegestaan met bijbehorende voorzieningen niet zijnde een spoorwegemplacement.

4.3. De Afdeling overweegt dat, omdat sprake is van een geluidgezoneerd industrieterrein als bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder, de totale geluidbelasting vanwege de bedrijven op het industrieterrein wordt genormeerd door de maximale geluidgrenswaarden die ingevolge de Wet geluidhinder gelden binnen en op de grens van de geluidzone. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt de geluidbelasting in dB(A) vanwege een industrieterrein gedefinieerd als: etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt door de gezamenlijke inrichtingen op een industrieterrein. Hieruit volgt dat uitsluitend het geluid dat wordt veroorzaakt door de inrichtingen op het industrieterrein onderdeel van het geluidgezoneerde industrieterrein uitmaakt, waarvoor de maximale geluidgrenswaarden uit de Wet geluidhinder gelden. Voor de vraag of het geluid afkomstig van spoorwegen binnen de aanduiding "spoorweg" wordt genormeerd door de maximale geluidgrenswaarden vanwege de geluidzone rond het industrieterrein, zoals de raad stelt, is derhalve doorslaggevend of de spoorwegen als onderdeel van één of meer inrichtingen op het industrieterrein kunnen worden aangemerkt.

De Afdeling stelt vast dat de aanduiding "spoorweg" is toegekend aan een aantal gronden grenzend aan het Amsterdam-Rijnkanaal met de bestemming "Bedrijventerrein". Deze gronden grenzen aan de bestemming "Verkeer-Railverkeer" die onder meer zijn bestemd voor railverkeer en goederensporen, zodat een aansluiting kan worden aangelegd en het goederenvervoer vanwege de bedrijven haar route via het hoofdspoor kan vervolgen. Gelet hierop en op het feit dat binnen de aanduiding "spoorweg" geen nadere beperking is opgenomen wat betreft het aantal, de situering en het gebruik van spoorwegen, staat naar het oordeel van de Afdeling niet vast dat deze spoorwegen onderdeel zijn van één of meer van de ter plaatse aanwezige inrichtingen. Hiermee staat derhalve evenmin vast dat het geluid vanwege deze spoorwegen wordt genormeerd door de maximale geluidgrenswaarden vanwege de geluidzone rond het industrieterrein. Het betoog van de Stichting dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat het opnemen van de aanduiding "spoorweg" uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is slaagt, zodat de aanduiding "spoorweg" binnen de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de gronden aan het Amsterdam-Rijnkanaal is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

Luchtkwaliteit

4.4. Voorts staat volgens de Stichting niet vast dat het plan in overeenstemming is met artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Daartoe betoogt zij dat in het onderzoek naar de luchtkwaliteit ten onrechte niet de mogelijke toename van de emissies van de bedrijven zijn onderzocht terwijl het plan bedrijven in hoge milieucategorieën toestaat. De raad erkent volgens haar dat de planologische aanvaardbaarheid van de bedrijven bij de vaststelling van het plan opnieuw dient te worden beoordeeld en heeft bovendien de stikstofdepositie vanwege de bedrijven wel betrokken in het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor het Natura 2000-gebied. Ook zijn de gevolgen van de toename van zwaar vrachtverkeer over het water en de weg niet onderzocht en strekt het onderzoek zich ten onrechte niet uit over de woningen aan de Amsterdamsestraatweg, aldus de Stichting.

4.5. De raad stelt dat bij de vaststelling van het plan onderzoek heeft plaatsgevonden naar de effecten daarvan op de luchtkwaliteit. Daarbij is geen aanleiding gezien om nader onderzoek te doen naar de emissies van toekomstige bedrijven, omdat sprake is van een reeds jarenlang bestaand bedrijventerrein. Volgens dit luchtkwaliteitsonderzoek wordt op de ontsluitingswegen van en naar Lage Weide in 2015 en 2020 ruimschoots voldaan aan de grenswaarde voor stikstofdioxide. Ook voor fijn stof wordt overal voldaan aan de grenswaarden, aldus de raad. Nu voorts de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn beperkt ten opzichte van het vorige regime, acht de raad het niet aannemelijk dat realisering van het plan zal leiden tot overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof.

4.6. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;

b. dat, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels:

1°. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of

2°. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;

c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

d. (...)

4.7. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Beoordeling luchtkwaliteit bestemmingsplan Lage Weide" van 20 juni 2014. In het onderzoek is vermeld dat berekeningen ten behoeve van de luchtkwaliteit zijn uitgevoerd voor de relevante wegen (hoofdwegen en ontsluitingswegen) in het plangebied voor de jaren 2015 en 2020. Als basisjaar voor autoverkeer is 2010 genomen en het vrachtverkeer is nader gedifferentieerd naar middelzware en zware voertuigen, zo staat in dit onderzoek. De conclusie van het onderzoek is dat het plan voor het jaar 2015-2020 voldoet aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.

4.8. Voor zover de Stichting betoogt dat in het onderzoek naar de luchtkwaliteit geen rekening is gehouden met zwaar vrachtverkeer, faalt dit betoog nu in het onderzoek naar de luchtkwaliteit is vermeld dat wat betreft het vrachtverkeer is gerekend met middelzware en zware voertuigen. Verder stelt de Afdeling vast dat voornoemd onderzoek naar de luchtkwaliteit ziet op de gevolgen vanwege het wegverkeer in en buiten het plangebied. Het standpunt van de raad in het verweerschrift dat uit het onderzoek naar de luchtkwaliteit blijkt dat vanwege de wegen in Lage Weide ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof en dat mede gelet op de zeer beperkte uitbreidingsmogelijkheden in het plan niet aannemelijk is dat vanwege de emissies van (toekomstige) bedrijven sprake zal zijn van een overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof, acht de Afdeling zonder nadere (gekwantificeerde) onderbouwing ontoereikend gemotiveerd. In het licht van de bezwaren van de Stichting, die zien op het woon- en leefklimaat van de bewoners in de wijk Zuilen, had het naar het oordeel van de Afdeling op de weg van de raad gelegen deze stelling nader te onderbouwen, temeer nu het in dit geval gaat om een bedrijventerrein waar (zware) industrie is toegestaan met emissie van stikstofdioxide en fijn stof. Voorts blijkt uit het onderzoek niet of en zo ja, op welke wijze de effecten van het scheepvaartverkeer in het onderzoek zijn betrokken.

4.8.1. Naar aanleiding van de reactie van de Stichting op het verweerschrift, heeft de raad op 16 september 2015 een nadere onderbouwing gegeven op zijn standpunt. Daartoe heeft de raad er allereerst op gewezen dat uit metingen die zijn verricht door de gemeente Utrecht en waarvan de resultaten zijn neergelegd in de "Rapportage Luchtmeetnet Utrecht 2013", is gebleken dat ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg geen sprake is van een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide. Verder wijst de raad op de "Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland" van 2013, uitgebracht door het RIVM (hierna: GCN). Uit de bijgevoegde tabel met betrekking tot de opbouw van de concentratie stikstofdioxide voor Utrecht vloeit voort dat de hoogte van de achtergrondconcentratie vooral wordt bepaald door het (weg)verkeer. De bijdrage vanwege bedrijven, landbouw, industrie en de energiesector bedroeg in 2012 volgens de GCN 2,8 µg/m3 van het totaal van 24,7 µg/m3. Uitgaande van de maximale planologische uitbreidingsmogelijkheid van 16,8% van het brutovloeroppervlak voor het gehele bedrijventerrein die na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels kan plaatsvinden, en in aanmerking genomen dat bedrijven na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in lid 3.6.2 tot maximaal twee milieucategorieën hoger zijn toegestaan mits deze naar aard en invloed op de omgeving geacht kunnen worden gelijk te zijn aan de bij recht toegestane bedrijfscategorieën, leidt dit volgens de raad tot een maximale toename van de emissie met 0,47 µg/m3. Deze toename zal gelet op de metingen ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden in de Wet milieubeheer, aldus de raad. Ook indien van een worstcasescenario wordt uitgegaan, te weten dat de totale emissie van stikstofdioxide van 24,7 µg/m3 in zijn geheel zou worden veroorzaakt door de emissie van bedrijven, leidt het plan met een uitbreidingsmogelijkheid van 16,8% tot een maximale toename van 4,1 µg/m3, zodat ook in dat geval de grenswaarde in de Wet milieubeheer ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg niet wordt overschreden, aldus de raad.

De Stichting heeft de in dit nadere stuk door de raad gehanteerde concentraties stikstofdioxide die zijn gemeten ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg Noord alsmede de opbouw van de concentratie stikstofdioxide voor Utrecht zoals opgenomen in de tabel die is overgenomen van de GCN op zichzelf niet betwist. De Stichting heeft ter zitting wel naar voren gebracht dat de tabel waarin de opbouw van stikstofdioxide in Utrecht is opgenomen grofmazig is en daarmee niet representatief is voor Lage Weide. De raad erkent dit in het nadere stuk van 16 september 2015 waarin hij wijst op het verschil tussen de berekende en de gemeten concentratie stikstofdioxide. Volgens de raad zijn de achtergrondconcentraties die het Planbureau voor de Leefomgeving aanlevert gebaseerd op een grofmazige invoer van bronnen (1 bij 1 kilometer) zodat de daadwerkelijke achtergrondconcentratie in de directe omgeving van snel- en vaarwegen enigszins hoger is dan de berekende concentratie. Nu de raad de mogelijke toename van de emissie vanwege de bedrijven op Lage Weide (gerekend met een maximale uitbreidingsmogelijkheid van 16,8%) heeft afgezet tegen de concentratie stikstofdioxide zoals deze in de GCN tabel is weergegeven voor heel Utrecht ten aanzien van de bijdrage van bedrijven, landbouw, industrie en de energiesector (16,8% van 2,8 µg/m3= 0,47 µg/m3), waarbij hij die toename vervolgens heeft opgeteld bij de gemeten jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg Noord, is naar het oordeel van de Afdeling onduidelijk in hoeverre de uitkomst van deze berekening representatief kan worden geacht voor de woningen aan de Amsterdamsestraatweg. Daarbij is van belang dat de gemeten jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg Noord aanzienlijk hoger ligt dan waarvan in de GCN voor heel Utrecht wordt uitgegaan. In 2012 bedroeg de concentratie stikstofdioxide volgens de GCN in Utrecht 24,7 µg/m3, terwijl uit metingen ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg Noord volgt dat deze concentratie daar in 2012 36,1 µg/m3 bedroeg.

Gelet op het vorenstaande is het plan, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de gronden tussen de spoorlijn en het Amsterdam-Rijnkanaal, vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dit betoog van de Stichting slaagt.

Flora- en fauna

4.9. De Stichting betoogt verder dat niet vaststaat dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daartoe wijst de Stichting erop dat de bomenrij langs het Amsterdam-Rijnkanaal van belang is voor verschillende soorten broedvogels en als foerageergebied voor vleermuizen. De mogelijke verstoring van deze soorten als gevolg van de intensivering van de bedrijfsactiviteiten zijn ten onrechte niet beoordeeld, noch de mogelijkheden voor het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen, aldus de Stichting.

4.10. De raad stelt dat in het onderzoek naar de flora- en fauna is geconcludeerd dat in het gebied diverse beschermde soorten voorkomen die zich veelal hebben aangepast aan het leven in stedelijk gebied. Omdat het plan conserverend van aard is, zal het plan niet in strijd komen met de Ffw, aldus de raad.

4.11. Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.

4.12. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

4.13. Ten behoeve van het plan is ecologisch onderzoek verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in de "Notitie beschermde soort Lage Weide, Utrecht", opgesteld op 12 december 2013 door Bureau Waardenburg B.V. (hierna: het ecologisch onderzoek). In het ecologisch onderzoek is vermeld dat tijdens het veldbezoek in het plangebied vier vogelsoorten zijn waargenomen met een jaarrond beschermd nest. Ter zitting heeft de Stichting erkend dat deze vogelsoorten niet voorkomen ter plaatse van de bomenrij aan het Amsterdam-Rijnkanaal. Zoals uit het ecologisch onderzoek volgt en ter zitting is bevestigd, dient het gebied wel als foerageergebied voor vleermuizen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 juli 2012 in zaak nr. 201109200/1/R3), wordt een foerageergebied of vaste vliegroute niet gerekend tot een vaste rust- of verblijfplaats die op grond van artikel 11 van de Ffw bescherming geniet, tenzij deze als zodanig samenvalt met een vaste rust- of verblijfplaats. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

Het vorenstaande laat onverlet dat artikel 11 van de Ffw desalniettemin wordt overtreden, indien door het verdwijnen van het foerageergebied de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen van de desbetreffende vleermuissoorten zodanig wordt verstoord, dat ze deze plaatsen om die reden zullen verlaten. Ter zitting heeft de raad gesteld dat elders in de omgeving van het plangebied voldoende foerageergebied aanwezig is. De Afdeling acht dit aannemelijk. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat, ook al zou het gebied ter plaatse van de bomenrij langs het Amsterdam-Rijnkanaal niet langer geschikt zijn als foerageergebied, de ecologische functionaliteit van de vaste rust- of verblijfplaatsen in het geding komt.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Dit betoog van de Stichting faalt. Gelet hierop behoeft het betoog van de raad dat ten aanzien van het beroep van de Stichting artikel 8:69a van de Awb in zoverre aan de vernietiging van het besluit in de weg staat geen bespreking.

Richtafstanden VNG-brochure

4.14. De Stichting betoogt dat niet wordt voldaan aan de richtafstanden die zijn genoemd in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: VNG-brochure) ten aanzien van de woningen aan de Amsterdamsestraatweg. Volgens haar kwalificeert de raad dit gebied ten onrechte als gemengd gebied, waardoor is uitgegaan van een afstand van 100 meter in plaats van 200 meter. In dat verband betoogt de Stichting dat het gebied voornamelijk een woonfunctie heeft. De Amsterdamsestraatweg kan volgens haar niet worden gekwalificeerd als hoofdinfrastructuur als bedoeld in de VNG-brochure omdat het verkeer vanuit Zuilen gebruikt maakt van de parallel gelegen Norbruislaan. De gemeente Utrecht heeft ook het beleidsvoornemen om de verkeersintensiteit op deze weg te verminderen. De Stichting wijst verder op de Beheersverordening Zuilen waarin het gebied langs de Amsterdamsestraatweg volgens haar niet is aangeduid als gebied met "functiemenging".

Ten aanzien van het gedeelte van de Amsterdamsestraatweg ter hoogte van de Wethouder D.M. Plompstraat is volgens de Stichting geen sprake van een "woongebied met veel verkeer" als bedoeld in de Geluidnota Utrecht. Om die reden had dit gebied volgens haar als "rustige woonwijk" moeten worden aangemerkt.

Tot slot betoogt de Stichting dat ten aanzien van de tweedelijns woningen aan de Amsterdamsestraatweg niet wordt voldaan aan de richtafstanden in de VNG-brochure.

4.15. De raad stelt dat het gebied direct aan de Amsterdamsestraatweg kan worden getypeerd als een "gemengd gebied" als bedoeld in de VNG-brochure omdat naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en andere kleine bedrijven en de Amsterdamsestraatweg bovendien als hoofdinfrastructuur moet worden aangemerkt. Daarnaast liggen de woningen in de geluidzone van het industrieterrein. Ook in de Beheersverordening Zuilen wordt de zone ‘Amsterdamsestraatweg en omstreken’ getypeerd als een gebied waar verschillende functies elkaar afwisselen, aldus de raad.

4.16. Bij de vaststelling van het plan is het gebied direct aan de Amsterdamsestraatweg als gemengd gebied gekwalificeerd gelet op de diversiteit van de daar aanwezige functies en de ligging aan de Amsterdamsestraatweg. Voor het overige is de wijk Zuilen aangemerkt als rustige woonwijk.

In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden die in de brochure worden aanbevolen, gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf en de gevel van een woning die is gelegen in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. De VNG-brochure maakt voor de toepassing van de richtafstandenlijsten voor de twee omgevingstypen onderscheid tussen het begrip "rustige woonwijk" of een vergelijkbaar omgevingstype zoals een rustig buitengebied, en het begrip "gemengd gebied".

Het omgevingstype "rustige woonwijk" wordt omschreven als een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied, aldus de VNG-brochure. Volgens de VNG-brochure is een "gemengd gebied" een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren volgens de VNG-brochure eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van de te hanteren afstand voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen.

4.17. De Afdeling acht het niet onjuist dat de raad de Amsterdamsestraatweg gelet op de gebiedsontsluitende functie heeft aangemerkt als hoofdinfrastructuur als bedoeld in de VNG-brochure. De raad is er bij de vaststelling van het plan dan ook terecht van uitgegaan dat de omgeving ter plaatse van de woningen aan de Amsterdamsestraatweg dient te worden gekwalificeerd als "gemengd gebied". Het betoog van de Stichting dat uit een door haar verrichte inventarisatie is gebleken dat functiemenging thans beperkt is, maakt dit gelet op het vorenstaande niet anders. Ook de verwijzing van de Stichting naar de Beheersverordening Zuilen leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband heeft de raad ter zitting toegelicht dat de typering van de wijk in de Beheersverordening Zuilen een ander doel heeft dan de typering op grond van de VNG-brochure omdat bij het opstellen van de Beheersverordening het uitgangspunt is geweest in kaart te brengen welke bedrijfsmatige functies aanwezig zijn en wat ter plaatse aan bedrijfsmatige functies wenselijk wordt geacht. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet hierop op het standpunt kunnen stellen dat de kwalificatie van het gebied in de Beheersverordening niet behoeft te worden overgenomen bij de toepassing van de VNG-brochure.

Evenmin was de raad gehouden het gebied ten noorden van de Wethouder D.M. Plompstraat als "rustige woonwijk" te kwalificeren omdat het gebied volgens de Stichting op grond van de Geluidnota Utrecht niet kan worden aangemerkt als "woongebied met veel verkeer" gelet op de geluidbelasting, nu ook dit gedeelte van de Amsterdamsestraatweg een gebiedsontsluitende functie heeft en daarmee kan worden aangemerkt als hoofdinfrastructuur als bedoeld in de VNG-brochure.

Dit betoog van de Stichting faalt.

4.18. Ten aanzien van het betoog van de Stichting dat ten opzichte van de tweedelijnsbebouwing aan de Amsterdamsestraatweg niet wordt voldaan aan de richtafstand in de VNG-brochure overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens de stukken heeft de raad dit gebied aangemerkt als "rustige woonwijk". Ter plaatse van de gronden aan het Amsterdam-Rijnkanaal zijn in het plan bedrijven tot en met categorie 4.1 toegestaan, zodat in beginsel een richtafstand van 200 meter geldt. De raad heeft ter zitting gesteld dat weliswaar ten opzichte van de tweedelijns bebouwing niet overal aan de afstand van 200 meter wordt voldaan, maar dat het toekennen van milieucategorie 4.1 in dit geval aanvaardbaar is omdat, zo heeft hij ter zitting toegelicht, de overschrijding van de richtafstand beperkt is en voor een groot gedeelte van de tweedelijns bebouwing wel wordt voldaan aan de richtafstand van 200 meter. Daarnaast heeft de raad bij zijn afweging betrokken dat de eerstelijns woningen een afschermende werking hebben. De Afdeling ziet in hetgeen de Stichting heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen deugdelijke afweging heeft gemaakt en dat het plan in zoverre niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Dit betoog van de Stichting faalt.

Bouwhoogte

4.19. De Stichting betoogt dat in het gebied tussen het spoor en het Amsterdam-Rijnkanaal ten onrechte een bouwhoogte van maximaal 24 en 30 meter is toegestaan. Zij wijst erop dat de bestaande bebouwing een gemiddelde bouwhoogte heeft van circa 9 meter. Onduidelijk is hoe deze bouwhoogten zich verhouden tot het uitgangspunt van de raad van een visuele groene afscheiding van het bedrijventerrein. Voorts is volgens de Stichting onduidelijk of er behoefte bestaat aan deze bouwhoogten.

Ook richt de Stichting zich tegen artikel 3, lid 3.4.3, van de planregels waarin het mogelijk is gemaakt dat voor silo’s en vergelijkbare installaties wordt afgeweken van de standaard bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van 15 meter tot een maximale bouwhoogte van 45 meter. De wijziging van de bouwhoogte van 30 naar 45 meter ten opzichte van het ontwerpplan had volgens de Stichting niet ambtshalve mogen worden doorgevoerd. Verder is onduidelijk of in het bezonningsonderzoek rekening is gehouden met deze bouwhoogte, is niet gemotiveerd hoe deze hoogte zich verhoudt tot het belang van een groene afscherming van het bedrijventerrein en is onduidelijk wat dient te worden verstaan onder "vergelijkbare installaties" in de tekst van lid 3.4.3.

4.20. De raad stelt dat bij het bepalen van de maximale bouwhoogte aansluiting is gezocht bij de geldende bouwmogelijkheden. De raad acht deze hoogten aanvaardbaar mede gelet op het bebouwingspercentage van 60 waarmee grootschalige bebouwing volgens de raad is uitgesloten.

4.21. Ter plaatse van de gronden tussen het spoor en het Amsterdam-Rijnkanaal mag ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte" niet worden overschreden. Voor het zuidelijke deel is de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)=24" opgenomen en voor het noordelijke deel de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)=30)".

Ingevolge lid 3.4.3, kan het college van burgemeester en wethouders door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a, voor de bouw van silo’s en vergelijkbare installaties met een bouwhoogte tot maximaal 45 meter onder de voorwaarde dat dit noodzakelijk is voor en de silo/installatie deel uitmaakt van de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf.

4.22. In de plantoelichting is voor het gebied tussen het spoor en het Amsterdam-Rijnkanaal vermeld dat dit de zichtbare rand van Lage Weide naar Zuilen toe is. De bomenrij langs het kanaal is een karakteristiek element dat bij het kanaal hoort en tegelijkertijd de bedrijfsbebouwing visueel afschermt. De bebouwingsmogelijkheden zijn hierop afgestemd, zo staat in de plantoelichting. Voorts is aansluiting gezocht bij de geldende bouwhoogte op grond van de Bouwverordening van de gemeente Utrecht, die 24 meter bedraagt. Ter zitting heeft de raad toegelicht belang te hechten aan een visuele afscherming en heeft hij tegelijkertijd erkend dat het zicht op bebouwing met een hoogte van 24 respectievelijk 30 meter niet geheel door de bomenrij zal worden weggenomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bebouwingshoogte van 24 respectievelijk 30 meter voor de gronden langs het Amsterdam-Rijnkanaal aanvaardbaar is. Hierbij betrekt de Afdeling dat een dergelijke hoogte voor bedrijfsbebouwing op een industrieterrein niet ongebruikelijk is, terwijl de afstand van de gronden waar een maximale bouwhoogte van 24 meter is toegestaan tot de woningen aan de Amsterdamsestraatweg circa 130 meter bedraagt. De bebouwingshoogte van 30 meter is opgenomen voor het noordelijke deel van de gronden langs het Amsterdam-Rijnkanaal, ter hoogte van de sportvelden, waar de bebouwingsconcentratie aanzienlijk minder is. De raad heeft zich blijkens de stukken voorts niet ten doel gesteld dat het zicht op de bedrijfsbebouwing geheel zou moeten worden weggenomen. Dit betoog van de Stichting faalt.

4.23. Ten aanzien van de mogelijkheid om na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in lid 3.4.3 silo’s en vergelijkbare installaties van maximaal 45 meter op te richten, stelt de Afdeling voorop dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan hierin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan gewijzigd heeft vastgesteld in die zin dat de bouwhoogte voor silo’s en vergelijkbare installaties, zoals opgenomen in lid 3.4.3, is verhoogd van 30 naar 45 meter. Deze afwijking ten opzichte van het ontwerp is naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt.

Wat betreft de reikwijdte van de bepaling heeft de raad ter zitting toegelicht dat onder "vergelijkbare installaties" dient te worden verstaan installaties die vergelijkbaar zijn met of verband houden met de werking van silo’s, zoals transportbanden. Naar het oordeel van de Afdeling komt deze uitleg van de raad onvoldoende tot uitdrukking in voornoemd artikellid, nu daaruit niet volgt dat installaties een (functionele) binding dienen te hebben met de toegestane silo’s en ook anderszins niet duidelijk is wat onder installaties vergelijkbaar met een silo moet worden verstaan. Gelet hierop heeft de raad in zoverre niet geregeld wat hij heeft beoogd en biedt de bepaling onvoldoende rechtszekerheid, zodat het plan, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.4.3, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel. Dit betoog van de Stichting slaagt.

Geurhinder

4.24. De Stichting kan zich niet verenigen met het bepaalde in artikel 3, lid 3.5 en lid 3.6.1, van de planregels waarin is voorzien in een afwijkingsbevoegdheid voor de oprichting, uitbreiding en wijziging van bedrijven waaraan voorwaarden zijn gekoppeld die zien op het aspect geur. Volgens haar is voor het verlenen van een omgevingsvergunning ten onrechte een koppeling gelegd met de geurbelasting zoals deze aanwezig was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat indien een bedrijf minder geurhinder veroorzaakt, deze ruimte opnieuw kan worden benut. De Stichting acht dit onwenselijk omdat in de huidige situatie nog geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is bereikt ten aanzien van het aspect geur. Voorts acht de Stichting het onduidelijk hoe het in paragraaf 5.6 van de plantoelichting vermelde zich verhoudt tot deze planregels.

4.25. De raad stelt dat de geurhinder op het bedrijventerrein afkomstig is van een aantal mengvoederbedrijven. Daarvoor geldt, aldus de raad, de Bijzondere Regeling A3 van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (www.infomil.nl). Hierin is onderscheid gemaakt tussen bestaande situaties, waarvoor een acceptabel geurhinderniveau geldt van 1,4 odourunit per kubieke meter (hierna: Oue/m3) als 98-percentiel, en nieuwe situaties, waarvoor een acceptabel geurhinderniveau geldt van 0,7 Oue/m3 als 98-percentiel. In de plantoelichting is weergegeven dat in de bestaande situatie de norm van 1,4 Oue/m3 als 98-percentiel nergens ter plaatse van de woonbebouwing in de wijk Zuilen wordt overschreden. Aldus is volgens de raad in de huidige situatie geen sprake van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit licht bezien acht de raad het acceptabel dat eventueel beschikbare geurruimte opnieuw wordt opgevuld.

4.26. Ten aanzien van het betoog dat is gericht tegen artikel 3, lid 3.5 en lid 3.6.1, van de planregels verwijst de Afdeling naar hetgeen hierna wordt overwogen onder 5.34 bij de bespreking van het beroep van [appellante sub 2] Nu de Afdeling in hetgeen door [appellante sub 2] wordt aangevoerd aanleiding ziet voor het oordeel dat artikel 3, lid 3.6.1 van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en dient te worden vernietigd, slaagt het betoog van de Stichting eveneens en behoeven de beroepsgronden die de Stichting in dit verband aanvoert geen afzonderlijke bespreking meer.

Risicovolle inrichtingen

4.27. De Stichting kan zich niet verenigen met artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels waarin de mogelijkheid is opgenomen om na afwijking van het plan inrichtingen toe te staan die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi-inrichtingen). Volgens haar is het groepsrisico niet berekend en beoordeeld, is een mogelijk domino effect niet afgewogen en zijn de effecten van een toename van transportbewegingen niet beoordeeld.

4.28. De raad acht de afwijkingsbevoegdheid aanvaardbaar en wijst op het onderzoek naar de externe veiligheid dat aan het plan ten grondslag is gelegd. Volgens de raad wordt in de bestaande situatie de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet overschreden, is geen sprake van cumulatieve risico’s van bij elkaar gelegen bestaande inrichtingen die de grenswaarden overschrijden, is het in dit geval niet evident dat domino-effecten kunnen optreden en wordt bij de toetsing aan de grenswaarden uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) indirect rekening gehouden met domino-effecten.

4.29. Ingevolge artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5, onder c, ten behoeve van het vestigen van Bevi-inrichtingen, mits per geval van de betreffende Bevi-inrichting de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of, indien van toepassing, de afstand zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 van het Bevi juncto artikel 2, lid 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, is gelegen:

a. binnen het bouwperceel van de Bevi-inrichting, of

b. daarbuiten uitsluitend op gronden met de bestemming Groen, Verkeer, Verkeer-Verblijfsgebied of Water en gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Utrecht en mits het groepsrisico kan worden verantwoord en als aanvaardbaar beschouwd kan worden.

4.30. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Met deze bepaling kan de bevoegdheid worden gecreëerd op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken.

4.31. Indien de raad in een nieuw plan ontwikkelingen mogelijk wil maken met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, zal de raad bij de vaststelling daarvan deze afwijkingsbevoegdheid moeten beoordelen. Bij algemene afwijkingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op specifieke locaties, zoals hier het geval is, kan de raad volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat belanghebbenden tegen de toepassing van deze afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

In het onderzoek naar de externe veiligheid, dat op 18 april 2014 is opgesteld en aan het plan ten grondslag is gelegd, is onder meer vermeld dat er op dit moment twee bedrijven in het plangebied aanwezig zijn die onder het Bevi vallen. Voor deze twee bedrijven is het plaatsgebonden risico berekend en het groepsrisico verantwoord. In het onderzoek is evenwel niet ingegaan op de mogelijkheid om na afwijking van het plan nieuwe bevi-inrichtingen toe te staan. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de raad bij het opnemen van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels niet heeft afgewogen of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb zodat dit betoog van de Stichting slaagt. Hetgeen de Stichting voor het overige heeft aangevoerd met betrekking tot deze afwijkingsbevoegdheid, behoeft gelet hierop geen bespreking.

Natuurbeschermingswet en milieueffectrapportage

4.32. De Stichting betoogt dat ten onrechte geen passende beoordeling is opgesteld als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), terwijl niet is uitgesloten dat het plan leidt tot een toename van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied "Oostelijke Vechtplassen". In de aan het plan ten grondslag gelegde Natuurtoets zijn volgens de Stichting voorts ten onrechte niet de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden "Nieuwkoopse Plassen" en "Botshol" beoordeeld.

Omdat het opstellen van een passende beoordeling noodzakelijk is had op grond van artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer tevens een milieueffectrapport (hierna: plan-MER) moeten worden opgesteld, aldus de Stichting.

4.33. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de statuten heeft de Stichting ten doel de leef- en woonkwaliteit van de wijk Zuilen en omstreken te verbeteren. Haar activiteiten zijn met name gericht op het verminderen van de nadelige effecten van industrie en verkeer vooral wat betreft luchtkwaliteit, stof, stank en geluid.

Onder de doelstelling valt mede het behouden en het verbeteren van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, flora en de fauna, de kwaliteit van het milieu waaronder de lucht, de bodem en het water en de gezondheid van mensen en een goede ruimtelijke ordening, het verrichten van alle verdere handelingen die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

Ingevolge het tweede lid tracht de Stichting dit doel te bereiken door:

a. onderhouden van contacten met en het stimuleren en realiseren van communicatie tussen overheidsinstanties, publieke organisaties, regionale overlegorganen, particulieren etc.;

b. het organiseren van diverse activiteiten op het gebied van natuur en milieu en het bundelen en op elkaar afstemmen van dergelijke activiteiten georganiseerd door anderen;

c. het uitgeven van publicaties;

d. het verzorgen van educatieve activiteiten;

e. in rechte optreden;

Ingevolge het derde lid betreft het werkgebied van de Stichting de gemeente Utrecht en aangrenzende gemeenten.

4.34. Naar het oordeel van de Afdeling strekken de normen van de Nbw 1998 die op de bescherming van de onder 4.32 genoemde Natura 2000-gebieden zijn gericht, kennelijk niet tot bescherming van de belangen die de Stichting blijkens haar statutaire doelstelling behartigt. Deze doelstelling ziet op de verbetering van het woon- en leefklimaat van de wijk Zuilen en omstreken. Ter zitting heeft de Stichting verklaard dat met de term ‘werkgebied’ in haar statuten het gebied is bedoeld waarbinnen nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien die mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor het woon-en leefklimaat in de wijk Zuilen. Daaronder is niet begrepen de bescherming van de Natura 2000-gebieden "Oostelijke Vechtplassen", "Nieuwkoopse Plassen" en "Botshol".

Met betrekking tot het beroep op artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer overweegt de Afdeling dat nu de bepalingen uit de Nbw 1998 kennelijk niet strekken ter bescherming van de belangen van de Stichting, zij zich evenmin op die normen kan beroepen ten behoeve van het betoog dat een plan-MER diende te worden gemaakt.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van het betoog van de Stichting dat ten onrechte geen passende beoordeling is opgesteld als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 alsmede dat ten onrechte geen milieueffectrapport als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer is opgesteld. Daarbij betrekt de Afdeling dat het plan niet binnen de werkingssfeer valt van Richtlijn 2011/92/EU inzake de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012 L 26; vergelijk het arrest van het Hof van 15 oktober 2015 in zaak C-137/14, Commissie/Duitsland, ECLI:EU:C:2015:683, punten 33 en 90 tot en met 92).

Conclusie

4.35. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de gronden tussen de spoorlijn en het Amsterdam-Rijnkanaal ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Voorts is het plan ten aanzien van de aanduiding "spoorweg" binnen de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de gronden grenzend aan het Amsterdam-Rijnkanaal vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb en is artikel 3, lid 3.4.3, lid 3.6.1 en lid 3.6.3 van de planregels vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van de Stichting is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 2]

5. Ter zitting heeft [appellante sub 2] haar beroepsgrond dat op haar gronden de opslag van meer dan 10.000 kilogram consumentenvuurwerk had moeten worden toegestaan, ingetrokken.

Toegestane bedrijfsactiviteiten

5.1. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met de in het plan voor haar percelen [locatie 1] tot en met [locatie 2] opgenomen regeling. Een deel van deze percelen verhuurt zij aan andere bedrijven en op de overige percelen exploiteert zij zelf bedrijfsactiviteiten. Zij voert aan dat verschillende bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet zijn bestemd, nu sommige bedrijfsactiviteiten niet zijn opgenomen in de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten. Voorts is op diverse percelen een lagere maximale milieucategorie toegestaan dan de milieucategorie waarin de activiteiten vallen die op die percelen plaatsvinden, aldus [appellante sub 2]

Ten aanzien van de eerste categorie bedrijfsactiviteiten wijst [appellante sub 2] op de activiteiten reiniging van zandige afvalstoffen in een was- en grondreinigingsinstallatie, stationering en inbedrijfname van mobiele verwerkingsinstallaties, op- en overslag van zandige en steenachtige afvalstoffen voor doorvoer en externe bewerking, stabilisatie en immobilisatie van bouwstoffen, verkleinen A-, B- en C-hout (shredder), zanddroger, (mobiele) zeef voor bouw- en afvalstoffen, opslag, zeven en samenvoegen van grond en productie van e-pellets.

Ten aanzien van de tweede categorie bedrijfsactiviteiten wijst [appellante sub 2] erop dat op het terrein van [bedrijf A], het perceel [locatie 1], overslag en bewerking van schroot plaatsvindt. Dit is volgens haar een bedrijfsactiviteit in milieucategorie 5.1, terwijl het bestemmingsplan daar ten onrechte slechts activiteiten toestaat in maximaal milieucategorie 4.2. Verder voert [appellante sub 2] aan dat op het perceel [locatie 3], waaraan in het plan maximaal milieucategorie 4.1 is toegekend, thans activiteiten plaatsvinden in milieucategorie 4.2, zoals de containerterminal voor de overslag van containers.

5.2. De raad stelt dat weliswaar niet alle bedrijfsactiviteiten die op de gronden van [appellante sub 2] plaatsvinden afzonderlijk worden genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten, maar dat dit niet wil zeggen dat deze activiteiten niet langer zijn toegestaan. Hiertoe wijst de raad erop dat de Lijst van bedrijfsactiviteiten categorieën van bedrijfsactiviteiten bevat en dat de door [appellante sub 2] genoemde activiteiten binnen één of meer van deze categorieën kunnen worden ondergebracht. Ten aanzien van de opslag en bewerking van schroot merkt de raad op dat die activiteiten in milieucategorie 4.2 vallen en derhalve als zodanig zijn bestemd. Tot slot stelt de raad zich op het standpunt dat op het terrein waarop de containerterminal is gevestigd inderdaad maximaal milieucategorie 4.2 had moeten worden toegestaan en dat het plan in zoverre onjuist is.

5.3. Aan de percelen van [appellante sub 2] is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Aan het grootste deel van de percelen is de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" toegekend. Aan een deel is de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" toegekend. Daarnaast is aan een deel van de percelen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbreker" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor de bestemming "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" uitsluitend bestemd voor bedrijven uit de in de als bijlage bij de planregels gevoegde Lijst van bedrijfsactiviteiten genoemde categorieën 1 tot en met 4.1.

Ingevolge dat lid zijn de voor de bestemming "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" uitsluitend bestemd voor bedrijven uit de in de als bijlage bij de planregels gevoegde Lijst van bedrijfsactiviteiten genoemde categorieën 1 tot en met 4.2.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, zijn gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbreker" onder meer bestemd voor het puinbreken en het reinigen van afvalstoffen zoals verontreinigde grond en het afvoeren ervan, behorend tot maximaal milieucategorie 5.2.

5.4. [appellante sub 2] is eigenaar van een aantal percelen aan de Isotopenweg op het bedrijventerrein Lage Weide. Enkele van deze percelen worden verhuurd aan andere bedrijven, die aldaar hun bedrijfsactiviteiten verrichten.

Op het perceel [locatie 1] zijn de bedrijven Sita Recycling en [bedrijf A] gevestigd. Sita voert daar werkzaamheden uit als het op- en overslaan, sorteren, verdichten, breken, ontwateren en shredderen van afvalstoffen, alsmede het op- en overslaan van bulkgoederen en frituurvet. [bedrijf A] is een bedrijf dat zich bezighoudt met het be- en verwerken van metaalafval (ferro en non-ferro) met een opslagcapaciteit voor metaalafval van 8.000 ton. Het ingenomen schroot wordt verwerkt om vervolgens als grondstof te kunnen worden gebruikt. Bij de verwerking wordt gebruikgemaakt van een schrootschaar.

Op de percelen [locatie 4]-[locatie 5] is het recyclebedrijf van [appellante sub 2] gevestigd. De
werkzaamheden van dat bedrijf bestaan onder meer uit op- en overslag van primaire bouwstoffen, secundaire bouwstoffen, het bewerken van minerale bedrijfsafvalstoffen, steenachtige fractie uit bouw- en sloopafval, zandige afvalstoffen en thermisch reinigbare grond, sloopafval en bagger. Op het bedrijfsterrein zijn puinbrekers en een was- en grondreinigingsinstallatie aanwezig. Voorts wordt hout en glasafval op- en overgeslagen en worden baanvakken gedemonteerd. Daarnaast is een zoutloods aanwezig. Op het gehele terrein zijn weegbruggen, keerwanden, mobiele kranen en mobiele brekers aanwezig. Verder is op het perceel [locatie 5] het hoofdkantoor gevestigd.

Op het perceel [locatie 3] is een containerterminal aanwezig waarbinnen containers worden op- en overgeslagen, waaronder containers met gevaarlijke stoffen. Aan de zijde van het kanaal is ten behoeve van de containerterminal een containerkraan aanwezig.

5.5. Met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 1], waar Sita Recycling en [bedrijf A] actief zijn, overweegt de Afdeling het volgende. [appellante sub 2] heeft aangevoerd dat in het plan aan dit perceel een te lage maximale milieucategorie is toegekend, gelet op de specifieke bedrijfsactiviteiten van [bedrijf A]. De overslag en bewerking van schroot zoals die daar plaatsvindt is volgens [appellante sub 2] een activiteit in milieucategorie 5.2, terwijl daar in het plan slechts bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 4.2 zijn toegestaan. De raad heeft dienaangaande gesteld dat de activiteiten van [bedrijf A] vallen binnen de categorieën "Overige groothandel in afval en schroot" en "Vuiloverslagstations", activiteiten in onderscheidenlijk de milieucategorieën 3.2 en 4.2 en dat daarom geen hogere milieucategorie hoefde te worden toegekend.

Over de activiteiten van [bedrijf A] wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat op het bedrijfsterrein van [bedrijf A] niet enkel sprake is van een groothandel in afval en schroot en ook niet enkel van een vuiloverslagstation, gelet op de verwerking van metalen en schroot met behulp van een schrootschaar die daar ook plaatsvindt. Volgens het deskundigenbericht passen laatstgenoemde activiteiten binnen de categorie "Metaal- en autoshredders", een activiteit die in de Lijst van bedrijfsactiviteiten onder milieucategorie 5.1 valt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad miskend dat op het bedrijfsterrein van [bedrijf A] bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die een groothandel in afval en schroot en een vuiloverslagstation overstijgen. De raad heeft onvoldoende onderbouwd waarom die bedrijfsactiviteiten in het plan niet als zodanig zijn bestemd. Het plan is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Awb, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" ter plaatse van het perceel [locatie 1].

Het betoog slaagt.

5.6. Voorts heeft [appellante sub 2] aangevoerd dat in het plan geen juiste regeling is opgenomen voor de gronden waarop haar recyclebedrijf is gevestigd, omdat daar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die niet in de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen. Zij wijst hierbij in het bijzonder op de laad-, los- en overslagactiviteiten.

Niet in geschil is dat op het bedrijfsperceel van [appellante sub 2] bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die niet expliciet genoemd worden in de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten. In het deskundigenbericht wordt dienaangaande opgemerkt dat de bewuste bedrijfsactiviteiten ook niet zijn opgenomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten in de VNG-brochure, maar dat deze bedrijfsactiviteiten kunnen worden verstaan onder enerzijds de categorie puinbreken en het reinigen van afvalstoffen in milieucategorie 5.2 en anders vallen onder bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 4.2 of lager, zoals afvalscheidingsinstallaties. Dit geldt volgens het deskundigenbericht evenzeer voor de laad-, los- en overslagactiviteiten.

Ingevolge artikel 3 van de planregels zijn ter plaatse van aanduidingen met betrekking tot categorieën bedrijven toegestaan uit de in de als bijlage bij de regels gevoegde Lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen categorieën. In de Lijst van bedrijfsactiviteiten zijn veel verschillende soorten bedrijven opgenomen. Bij die verschillende soorten bedrijven worden echter niet alle individuele activiteiten genoemd die bij die bedrijven worden verricht en inherent zijn aan hun bedrijfsvoering. Naar het oordeel van de Afdeling brengt dat niet met zich dat die individuele activiteiten planologisch niet zijn toegestaan: zolang die individuele activiteiten passen binnen een in de Lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen categorie bedrijfsactiviteiten die is toegestaan op het perceel in kwestie, zijn die individuele activiteiten planologisch toegestaan.

[appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar genoemde individuele activiteiten die deel uitmaken van haar bedrijfsvoering niet passen binnen een dergelijke categorie.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een passende regeling is opgenomen voor de gronden van [appellante sub 2] waarop haar recyclebedrijf is gevestigd.

Het betoog faalt.

5.7. [appellante sub 2] heeft aangevoerd dat het plan voor het deel van haar gronden waarop de containerterminal is gevestigd, voorziet in een te lage maximale milieucategorie. De activiteiten aldaar vallen volgens haar in milieucategorie 4.2, terwijl daar maximaal activiteiten in milieucategorie 4.1 zijn toegestaan. In reactie op het beroep van [appellante sub 2] heeft de raad te kennen gegeven dat hij de milieucategorie die maximaal is toegestaan op de gronden waarop de containerterminal is gevestigd ook onjuist acht, nu het gebruik van die gronden voor de op- en overslag van containers een activiteit is die valt in milieucategorie 4.2. Volgens de raad had bij nader inzien in het plan aan de containerterminal een specifieke aanduiding moeten worden toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" ter plaatse van de containerterminal van [appellante sub 2] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

Bebouwingsmogelijkheden

5.8. [appellante sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een sterke beperking van de mogelijkheden voor uitbreiding van bedrijfsbebouwing. De resterende uitbreidingsruimte is volgens haar te beperkt en ten onrechte afhankelijk gesteld van de bestaande oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Zij wijst er hierbij op dat bedrijven met een beperkte hoeveelheid gebouwen door de in het plan opgenomen regeling extra worden benadeeld, nu het opnemen van een maximaal uitbreidingspercentage van de brutovloeroppervlakte met zich brengt dat in die gevallen slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden bestaan, net als bedrijven die bebouwing hebben met een beperkt grondbeslag maar met meerdere verdiepingen.

[appellante sub 2] voert aan dat de in het plan opgenomen beperking van de uitbreiding van de brutovloeroppervlakte zich niet verhoudt tot de aard van het gebied, een bedrijventerrein waarop veel zwaardere vormen van bedrijvigheid aanwezig zijn. Voorts stelt zij dat niet zonder meer een relatie bestaat tussen het uitbreiden van bedrijfsbebouwing en de milieugevolgen van het bedrijf dat de bebouwing uitbreidt. Verder is deze beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van bedrijfsbebouwing in tegenspraak met de ruime bebouwingsmogelijkheden voor horeca en kantoren, die mogen worden gebouwd totdat het in het plan aangegeven maximale bebouwingspercentage op een perceel is bereikt, aldus [appellante sub 2]

5.9. De raad stelt dat de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor bebouwing noodzakelijk is om het bedrijventerrein ook in de toekomst bereikbaar te houden. De raad acht het van belang dat ook bij een groei van de bedrijfsbebouwing op het bedrijventerrein Lage Weide een aanvaardbare verkeersdoorstroom gewaarborgd blijft. Daarom heeft de raad ervoor gekozen de groei van het brutovloeroppervlak van de bedrijfsbebouwing in het plangebied te beperken en slechts extra brutovloeroppervlak toe te staan als dat geen onaanvaardbare aantasting met zich brengt van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein en de aldaar gevestigde bedrijven.

Voorts zijn de uitbreidingsmogelijkheden van bedrijfsbebouwing voor horeca en kantoren volgens de raad ook beperkt, alleen op een andere wijze.

5.10. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder c, van de planregels mag het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" niet worden overschreden, met inachtneming van het bepaalde genoemd onder e.

Ingevolge lid 3.2.1, onder d, mag de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte" niet worden overschreden, met inachtneming van het bepaalde genoemd onder e.

Ingevolge lid 3.2.1, onder e, mag het bestaande aantal vierkante meters brutovloeroppervlak van de op het bouwperceel aanwezige gebouwen met maximaal 10% worden vergroot, met inachtneming van het bepaalde onder c. en d.

Ingevolge lid 3.4.4, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, onder e, voor het toestaan van extra brutovloeroppervlak, onder de volgende voorwaarden:

1. er in totaal voor het hele plangebied niet meer dan 170.000 m2 brutovloeroppervlak mag worden toegevoegd;

2. er geen onaanvaardbare aantasting van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein of de daar gevestigde bedrijven plaatsvindt door de vestiging van bedrijven die volgens de Lijst van Bedrijfsactiviteiten een indicatie 3G of 3P voor verkeer hebben;

3. dit niet leidt tot milieuhygiënische bezwaren.

5.11. Over de door [appellante sub 2] gemaakte vergelijking met de volgens haar veel ruimere bebouwingsmogelijkheden op percelen waarop ook horeca of kantoren zijn toegestaan, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat in de gevallen waarin voor de als horeca of kantoren bestemde gronden geen maximaal bebouwingspercentage is opgenomen, geen onbebouwde gronden aanwezig zijn. Als voor horeca of kantoren aangewezen gronden wel deels onbebouwd zijn, dan is volgens de raad een maximaal bebouwingspercentage opgenomen dat aanzienlijk lager is dan dat voor de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein". In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

5.12. [appellante sub 2] heeft aangevoerd dat de in het plan opgenomen maximale uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing te beperkt zijn. Voorts heeft zij aangevoerd dat de keuze voor de in de planregels opgenomen begrenzing van de uitbreidingsmogelijkheden onvoldoende is onderbouwd. Dienaangaande overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat de geboden uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing bestaan uit twee delen. Enerzijds wordt een algemene uitbreidingsmogelijkheid van 10% van het brutovloeroppervlak geboden. Daarnaast wordt voor het gehele bedrijventerrein de mogelijkheid geboden maximaal 170.000 m2 brutovloeroppervlak extra te realiseren. De in het plan opgenomen regeling behelst dat alle bedrijven op het bedrijventerrein een deel van die 170.000 m2 kunnen benutten als zij dat wensen. Daarbij kan zich de situatie voordoen dat de beschikbare extra uitbreidingsruimte wordt vervuld voordat alle bedrijven die daarvoor belangstelling hebben, daarvan gebruik hebben kunnen maken.

5.13. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen is het uitgangspunt van het plan dat in beginsel de bestaande bedrijfsvoering en -bebouwing worden bestemd. Om de in het plangebied gevestigde bedrijven enige uitbreidingsmogelijkheden te gunnen heeft de raad een algemene uitbreidingsmogelijkheid van 10% van het brutovloeroppervlak in het plan opgenomen en heeft de raad bovenop die 10% een mogelijkheid willen bieden voor enige extra uitbreiding van het brutovloeroppervlak. Deze uitgangspunten van de raad acht de Afdeling in beginsel niet onredelijk. Vervolgens ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of de raad in redelijkheid heeft kunnen kiezen de extra uitbreidingsruimte boven de genoemde standaarduitbreidingsmogelijkheid van 10% te beperken tot 170.000 m2 brutovloeroppervlak voor het gehele bedrijventerrein.

De raad heeft toegelicht dat deze beperking noodzakelijk is om een onaanvaardbare verslechtering van de verkeerssituatie rond het bedrijventerrein en de bereikbaarheid van het bedrijventerrein te voorkomen. Hiertoe heeft hij verwezen naar het aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeksrapport "Verkeersintensiteiten Lage Weide 2014 & 2024" van de afdeling Expertise en Mobiliteit van de gemeente Utrecht van oktober 2013 (hierna: het verkeersonderzoek), waaruit volgens hem blijkt dat bij een extra uitbreiding van het brutovloeroppervlak bedrijfsbebouwing met meer dan 170.000 m2 extra sprake is van een omslagpunt met betrekking tot de verkeerssituatie. Voorts heeft de raad gesteld dat niet aannemelijk is dat zich de situatie zal voordoen dat de beschikbare extra uitbreidingsruimte door de uitbreidingsplannen van slechts enkele bedrijven volledig zal worden verbruikt, zodat andere bedrijven achter het net vissen, nu niet aannemelijk is dat op het bedrijventerrein voldoende uitbreidingsplannen bestaan om binnen de planperiode de volledige extra uitbreidingsruimte te benutten.

5.14. In het verkeersonderzoek wordt ervan uitgegaan dat zich bij een uitbreiding van het brutovloeroppervlak bedrijfsbebouwing een daaraan evenredige toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen van en naar het bedrijventerrein zal voordoen. Verschillende appellanten, waaronder [appellante sub 2], hebben bestreden dat zonder meer een dergelijk verband bestaat. Hierbij hebben zij als voorbeeld de situatie genoemd waarin een terrein voor opslag van materialen wordt overkapt: in die situatie zal zich een sterke toename van het bebouwd oppervlak voordoen zonder dat dit een toename van het aantal verkeersbewegingen met zich brengt. In het verkeersonderzoek is niet inzichtelijk gemaakt welke gegevens zijn gebruikt om de verkeerseffecten van een bepaalde toename van het brutovloeroppervlak bedrijfsruimte te bepalen en is niet inzichtelijk gemaakt dat daarbij rekening is gehouden met situaties als door appellanten genoemd.

Voorts wordt in het verkeersonderzoek slechts tot de conclusie gekomen dat een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met 170.000 m2 extra in beginsel geen (over)belaste kruispunten veroorzaakt. Uit het verkeersonderzoek blijkt niet dat bij een uitbreiding van het brutovloeroppervlak met meer dan de 170.000 m2 extra uitbreidingsruimte sprake zal zijn van een onaanvaardbare verkeerssituatie. Het standpunt van de raad dat bij een uitbreiding met die oppervlakte sprake is van een omslagpunt vindt dan ook geen steun in het verkeersonderzoek. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich niet in redelijkheid onder verwijzing naar het verkeersonderzoek op het standpunt kunnen stellen dat niet meer dan 170.000 m2 extra brutovloeroppervlak bedrijfsruimte kon worden toegestaan.

Ten aanzien van het standpunt van de raad dat het onwaarschijnlijk is dat de volledige beschikbare uitbreidingsruimte gedurende de planperiode zal worden benut en dat het in het plan opgenomen maximum daarom geen belemmering zal vormen voor de bedrijven op Lage Weide overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting is door enkele appellanten naar voren gebracht dat zij diverse concrete bouwwensen in voorbereiding hebben en dat daarmee tienduizenden vierkante meters van de beschikbare uitbreidingsruimte zullen worden benut. Volgens hen zal een belangrijk deel van de beschikbare uitbreidingsruimte reeds daarmee worden gevuld. De raad heeft die stelling niet weersproken. Gelet op het voorgaande heeft de raad zijn standpunt dat de in het plan opgenomen maximale uitbreidingsruimte geen belemmering zal vormen voor bedrijven met uitbreidingswensen onvoldoende onderbouwd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de raad de keuze in het plan naast een uitbreidingsruimte van 10% een extra uitbreidingsruimte toe te staan die is beperkt tot 170.000 m2 brutovloeroppervlak niet voldoende gemotiveerd. Artikel 3, lid 3.4.4, onder 1, van de planregels is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

5.15. De Afdeling merkt nog op dat bij de bespreking van het beroep van [appellante sub 4] aan de hand van haar beroepsgronden nog zal worden ingegaan op de rechtszekerheid van artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels.

Maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde

5.16. [appellante sub 2] betoogt dat het plan voor haar percelen voorziet in een te lage maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De daarvoor in het plan toegestane bouwhoogte sluit niet aan bij de benodigde bouwhoogte van de op haar percelen toegestane bedrijven. Zij wijst hierbij in het bijzonder op silo’s en (mobiele) installaties, zoals die ook in gebruik zijn op haar percelen. Dat van de maximale bouwhoogte kan worden afgeweken is volgens [appellante sub 2] niet voldoende, nu zij niet afhankelijk wil zijn van medewerking van het gemeentebestuur om hogere silo’s op te mogen richten.

5.17. De raad stelt dat het beperken van de bij recht toegestane maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot 15 meter redelijk is.

5.18. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, onder a, van de planregels mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 15 meter bedragen.

Ingevolge lid 3.4.3 kunnen burgemeester en wethouders door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a, voor de bouw van silo’s en vergelijkbare installaties met een bouwhoogte tot maximaal 45 meter onder de voorwaarde dat dit noodzakelijk is voor en de silo/installatie deel uitmaakt van de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf.

5.19. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de beperking van de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot 15 meter een algemene regel is die op het gehele bedrijventerrein wordt gehanteerd. De raad heeft echter niet onderbouwd waarom specifiek voor die toegestane hoogte is gekozen. Zeker in het licht van de omstandigheden dat het bedrijventerrein Lage Weide is bedoeld voor grootschalige, zwaardere bedrijvigheid, waarbij vaak hogere bouwwerken worden gebruikt, en dat op grote delen van het bedrijventerrein de bouw van aanmerkelijk hogere gebouwen bij recht is toegestaan (op het terrein van [appellante sub 2] is bijvoorbeeld voor gebouwen een maximale bouwhoogte van 45 meter toegestaan), acht de Afdeling deze keuze onvoldoende gemotiveerd. Artikel 3, lid 3.2.2, onder a, van de planregels is dan ook vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Nadere eisenregeling

5.20. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met het bepaalde in artikel 3, lid 3.3, van de planregels. Volgens haar is dit voorschrift in strijd met andere planregels en is het rechtsonzeker. De met dit voorschrift geïntroduceerde bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen aan de plaats en afmeting van bebouwing kan leiden tot een verdere beperking van de bouwmogelijkheden, zonder dat kan worden voorspeld wanneer daarvan sprake zal zijn, aldus [appellante sub 2] Voorts is volgens haar onvoldoende duidelijk onder welke omstandigheden het college van burgemeester en wethouders tot toepassing van deze bevoegdheid mag overgaan.

5.21. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende duidelijk is wanneer en waarvoor het college van burgemeester en wethouders gebruik mag maken van de bevoegdheid nadere eisen te stellen en dat het plan in zoverre niet rechtsonzeker is.

5.22. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kunnen stellen.

5.23. Ingevolge artikel 3, lid 3.3, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van:

a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;

b. de verkeersveiligheid;

c. de milieusituatie;

d. de sociale veiligheid;

e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken.

5.24. Het betoog van [appellante sub 2] komt erop neer dat voornoemd artikeldeel rechtsonzeker en in strijd met andere planregels is. Met artikel 3, lid 3.3, van de planregels wordt toepassing gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro. Laatstgenoemd artikeldeel maakt het mogelijk het college van burgemeester en wethouders bevoegd te verklaren ten aanzien van bepaalde (incidentele) gevallen, wanneer een aanvraag om vergunning daartoe aanleiding geeft, op bepaalde punten nadere eisen te stellen. Met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro is niet beoogd toe te staan dat nadere eisen kunnen worden gesteld die op ernstige wijze afbreuk doen aan de in een plan rechtstreeks geboden mogelijkheden van een perceel. Kort gezegd kunnen met een nadere eisenregeling alleen eisen worden gesteld aan de invulling van de planologische mogelijkheden.

Dit betekent dat met artikel 3, lid 3.3, van de planregels weliswaar nadere eisen kunnen worden gesteld aan de plaats en afmeting van bebouwing, gelet op enkele ruimtelijke aspecten, maar dat met deze nadere eisenregeling geen afbreuk kan worden gedaan aan de algemene bouw- en gebruiksmogelijkheden die het plan biedt. De nadere eisenregeling die in het plan is opgenomen is naar haar aard beperkt van omvang, nu zij alleen ziet op de plaats en afmetingen van bebouwing. Naar het oordeel van de Afdeling is de nadere eisenregeling daarom niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of in strijd met andere planregels. Hierbij merkt de Afdeling nog op dat [appellante sub 2] en anderen de mogelijkheid openstaat beroep in te stellen als nadere eisen worden gesteld waarmee zij zich niet kunnen verenigen. De raad heeft er dan ook in redelijkheid voor kunnen kiezen genoemde nadere eisenregeling in het plan op te nemen.

Het betoog faalt.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi)

5.25. [appellante sub 2] betoogt dat aan de gronden waarop de containerterminal is gelegen ten onrechte niet de aanduiding "veiligheidszone - bevi" is toegekend. Zij voert hiertoe aan dat zij haar bedrijfsvoering ter plaatse van de containerterminal wil kunnen uitbreiden en dat zij in toenemende mate verzoeken krijgt om daar gevaarlijke stoffen over te slaan. In de toekomst wil zij aan die verzoeken tegemoet kunnen komen. De genoemde aanduiding is daarvoor noodzakelijk. In dit verband wijst [appellante sub 2] erop dat al een aanvraag van een revisievergunning in voorbereiding is waarin deze gewenste toekomstige activiteiten zijn betrokken. Dat voor het toestaan van Bevi-inrichtingen een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen is volgens [appellante sub 2] niet voldoende, omdat zij bij een uitbreiding van de bedrijfsvoering niet afhankelijk wil zijn van nadere besluitvorming.

5.26. Ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder c, van de planregels geldt met betrekking tot het gebruik de regel dat Bevi-inrichtingen niet zijn toegestaan, behoudens bestaande ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - bevi".

Ingevolge lid 3.6.3 kunnen burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5, onder c, ten behoeve van het vestigen van Bevi-inrichtingen, mits per geval van de betreffende Bevi-inrichting de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of, indien van toepassing, de afstand zoals bedoeld in artikel 5, lid 3, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen juncto artikel 2, lid 1, van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, is gelegen:

a. binnen het bouwperceel van de Bevi-inrichting, of

b. daarbuiten uitsluitend op gronden met de bestemming "Groen", "Verkeer", "Verkeer - Verblijfsgebied" of "Water" en gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Utrecht;

en mits het groepsrisico kan worden verantwoord en als aanvaardbaar beschouwd kan worden.

5.27. Tussen partijen is niet in geschil dat de bestaande bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de containerterminal niet met zich brengen dat de bestaande containerterminal moet worden aangemerkt als Bevi-inrichting. Het toekennen van de aanduiding "veiligheidszone - Bevi" was dus niet noodzakelijk om de bestaande bedrijfsactiviteiten binnen de containerterminal als zodanig te bestemmen. [appellante sub 2] heeft echter aangevoerd dat zij de bedrijfsvoering binnen de containerterminal wil uitbreiden en daarbij ook in toenemende mate gevaarlijke stoffen wil kunnen overslaan. Volgens [appellante sub 2] zou dat van de containerterminal een Bevi-inrichting maken, hetgeen planologisch niet is toegestaan. Ter zitting is gebleken dat [appellante sub 2] met het college van gedeputeerde staten van Utrecht contact heeft gehad over het mogelijk uitbreiden van de omvang van de overslag van gevaarlijke stoffen, maar niet is komen vast te staan dat bij het gemeentebestuur ten tijde van het vaststellen van het plan bekend was dat [appellante sub 2] die activiteit wilde gaan verrichten in een zodanige omvang dat dit van de containerterminal een Bevi-inrichting zou maken. De raad heeft er dan ook in redelijkheid van kunnen afzien de aanduiding "veiligheidszone - bevi" toe te kennen aan de gronden van [appellante sub 2] Dit sluit overigens niet uit dat het college van burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning tot afwijken van het plan wellicht alsnog een Bevi-inrichting kan toestaan.

Het betoog faalt.

Uitsluiting bepaalde m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten

5.28. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels. Het daarin opgenomen verbod op inrichtingen en installaties als bedoeld in bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit m.e.r.), waarbij de drempelwaarde genoemd in kolom 2 van de betreffende onderdelen wordt overschreden, is volgens haar niet aanvaardbaar. Zij voert in dit verband aan dat deze uitsluiting van bepaalde inrichtingen en installaties geen ruimtelijke relevantie heeft en daarom niet in het plan had mogen worden opgenomen. Hierbij wijst zij erop dat sommige activiteiten, zoals het shredderen van hout, wel of niet m.e.r.-beoordelingsplichtig kunnen zijn, afhankelijk van het kader waarin en het doel waarmee die activiteiten plaatsvinden, terwijl de ruimtelijke uitstraling hetzelfde blijft. Het categorisch uitsluiten van m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten is volgens [appellante sub 2] ook niet in overeenstemming met het karakter van het bedrijventerrein, waarop bedrijfsactiviteiten in hoge milieucategorieën zijn toegestaan.

[appellante sub 2] betoogt dat met deze planregel slechts is beoogd de toepassing van het Besluit m.e.r. en daarmee van de Europese m.e.r.-regelgeving te blokkeren. Dit is niet acceptabel, aldus [appellante sub 2] Ook voert [appellante sub 2] aan dat deze planregeling rechtsonzeker is.

Ten aanzien van haar eigen bedrijfsactiviteiten voert [appellante sub 2] aan dat die bedrijfsactiviteiten weliswaar in zoverre planologisch nog zijn toegestaan, maar dat elke wijziging of uitbreiding daarvan niet is toegestaan, gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels. Volgens haar had het plan niet mogen voorzien in een zodanige beperking van de mogelijkheden van haar bedrijf.

5.29. De raad stelt dat hij ervan uitgaat dat formeel m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten in de regel een hogere milieubelasting met zich brengen dan activiteiten die dat niet zijn. Hij acht het wenselijk dat het toestaan van formeel m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten afzonderlijk wordt afgewogen.

5.30. Ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder e, van de planregels geldt met betrekking tot het gebruik de regel dat inrichtingen en/of installaties als bedoeld in bijlage C of D van het Besluit milieueffectrapportage, waarbij de betreffende drempelwaarde genoemd in kolom 2 van de betreffende onderdelen worden (lees: wordt) overschreden, niet zijn toegestaan.

5.31. [appellante sub 2] heeft betoogd dat een planregel die het gebruik van gronden voor inrichtingen en installaties die m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn verbiedt, niet ruimtelijk relevant is. De raad heeft toegelicht dat het opnemen van dit gebruiksverbod is ingegeven door de wens de milieubelasting vanwege activiteiten op het bedrijventerrein in de hand te houden. Hierbij heeft de raad van belang geacht dat activiteiten die m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn over het algemeen een hogere milieubelasting met zich zullen brengen dan activiteiten die dat niet zijn. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door [appellante sub 2] bestreden planregel niet ruimtelijk relevant is. De raad heeft erop gewezen dat het plan conserverend van aard is en dat het weliswaar enige uitbreidingsmogelijkheden biedt, maar dat hij er uitdrukkelijk voor heeft gekozen deze mogelijkheden te beperken ten opzichte van het eerder geldende regime om te voorkomen dat de bestemmingen niet goed aansluiten op de (woon)bestemmingen in de onmiddellijke omgeving van het plangebied. In het licht hiervan stelt [appellante sub 2] naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte dat deze planregel alleen in het plan is opgenomen omdat de raad de toepassing van het Besluit m.e.r. of de daaraan ten grondslag liggende Europese regelgeving wil blokkeren.

Dat de raad voor het opnemen van deze planregel heeft gekozen om de milieubelasting vanwege de activiteiten op het bedrijventerrein Lage Weide in de hand te houden, acht de Afdeling als uitgangspunt niet onredelijk. Wel is de Afdeling van oordeel dat het voorschrift, zoals het nu is geformuleerd, onvoldoende rechtszeker is. Hiertoe acht de Afdeling van belang dat het mogelijk is dat gedurende de planperiode een wijziging wordt aangebracht in de bijlagen bij het Besluit m.e.r.. Door de directe koppeling in de planregels met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. kan dat met zich brengen dat de planologische mogelijkheden van gronden in het plangebied gedurende de planperiode worden gewijzigd of beperkt. Dit had kunnen worden voorkomen door in de planregel duidelijk te maken van welke drempelwaarden moet worden uitgegaan, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de drempelwaarden uit de bijlagen bij het Besluit m.e.r. zoals die op een bepaalde datum golden. Daarin voorziet het plan echter niet. Het betoog van [appellante sub 2] dat artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels rechtsonzeker is, slaagt in zoverre.

Geur

5.32. [appellante sub 2] betoogt dat het plan niet had mogen voorzien in een voorschrift dat inhoudt dat oprichting, uitbreiding en wijziging van bedrijven waarvoor voor geur een richtafstand van 100 meter of meer wordt aangehouden, slechts is toegestaan wanneer het college van burgemeester en wethouders daaraan medewerking verlenen en in het geval dat de totale geurbelasting op woningen binnen en buiten het plangebied niet toeneemt. Zij betwijfelt of deze planregeling rechtszeker en uitvoerbaar is.

5.33. Ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder b, van de planregels is oprichting, uitbreiding en wijziging van bedrijven waarbij in de Lijst van bedrijfsactiviteiten voor het aspect ‘geur’ een afstand van 100 meter of meer is aangegeven, slechts toegestaan met inachtneming van het bepaalde in regel 3.6.1.

Ingevolge lid 3.6.1 kunnen burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning medewerking verlenen aan het bepaalde in lid 3.5, onder b, ten behoeve van de oprichting, uitbreiding of wijziging van bedrijven waarbij in de Lijst van bedrijfsactiviteiten voor het aspect ‘geur’ een afstand van 100 meter of meer is aangegeven, mits daardoor de totale geurbelasting op woningen, niet zijnde bedrijfswoningen, bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, binnen en buiten het plangebied niet toeneemt.

5.34. [appellante sub 2] en andere appellanten hebben vraagtekens gezet bij de rechtszekerheid en uitvoerbaarheid van artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder b, en lid 3.6.1, van de planregels. Het is voor hen onduidelijk wat deze bepalingen praktisch gezien behelzen voor de mogelijkheden van hun bedrijven. Zij hebben betoogd dat deze bepalingen geen goede weerslag vormen van de bedoeling die de raad had met het in het plan opnemen van deze regeling en menen dat voor op Lage Weide gevestigde bedrijven onvoldoende duidelijk is aan welke norm individuele bedrijven moeten voldoen om niet in strijd met het bestemmingsplan te handelen.

Ter zitting heeft de raad een toelichting gegeven op de bedoeling die hij had met het vaststellen van deze planregeling. De raad wil het woon- en leefklimaat in de nabijgelegen woonwijk Zuilen beschermen. Het uitgangspunt van de raad is daarbij dat zich in Zuilen geen nieuwe geurhinder mag voordoen door een toename van de totale geurbelasting op woningen. Ten behoeve daarvan heeft de raad willen regelen dat de geurcontouren van bedrijven op Lage Weide binnen de grenzen van hun bedrijfsterreinen moeten blijven, heeft hij ter zitting uiteengezet. De hiervoor aangehaalde planregeling voorziet echter niet in een daartoe strekkende regeling. Verder heeft de raad toegelicht dat hij heeft willen verzekeren dat de totale geurbelasting op de woonwijk Zuilen niet toeneemt. Uit de planregeling wordt echter niet duidelijk wat onder de totale geurbelasting op de woonwijk Zuilen wordt verstaan, gelet op de stelling van de raad ter zitting dat de onderscheiden geuren van de bedrijven op Lage Weide sterk van karakter verschillen en daarvan niet een eenduidige totale geurbelasting op woningen kan worden bepaald. Gelet op het voorgaande heeft de raad met artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder b, en lid 3.6.1, van de planregels in zoverre niet geregeld wat hij heeft beoogd te regelen en zijn deze voorschriften onvoldoende rechtszeker. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Awb en met het rechtszekerheidsbeginsel.

Nu reeds hierom tot een vernietiging wordt gekomen, komt de Afdeling aan bespreking van de overige beroepsgronden tegen deze planregeling niet meer toe.

Conclusie

5.35. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hiervoor omschreven plandelen is genomen in strijd met de rechtszekerheid, dan wel in strijd met artikel 3:2 of artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 3]

6. Ter zitting heeft [appellante sub 3] haar beroepsgronden ten aanzien van het kantoorgebouw op de locatie Kernkade ingetrokken.

Locatie Ruimteweg

7. [appellante sub 3] kan zich niet verenigen met de in het plan voor haar bedrijfslocatie aan de Ruimteweg opgenomen regeling. Daartoe betoogt zij dat op dat perceel bij recht een grotere maximale bouwhoogte had moeten worden toegestaan dan in het plan is opgenomen. Weliswaar is in de planregels een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee op die locatie een grotere maximale bouwhoogte kan worden toegestaan, maar de voorwaarden die aan deze afwijkingsbevoegdheid zijn verbonden zijn volgens haar onduidelijk en onnodig beperkend. Ook is de noodzaak van deze voorwaarden onvoldoende onderbouwd, aldus [appellante sub 3]

In dit verband voert zij aan dat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met de voorwaarde dat de bouwhoogte met maximaal 30% mag worden verhoogd. Verder betoogt [appellante sub 3] dat zij niet afhankelijk wil zijn van nadere besluitvorming wanneer zij haar bedrijfsbebouwing wil uitbreiden, nu zij op afzienbare termijn de hele bedrijfslocatie wil kunnen herontwikkelen. Daarvoor is op de gehele bedrijfslocatie een hogere maximale bouwhoogte noodzakelijk. Dat de raad vreest dat een massieve wand zal ontstaan als op het gehele bedrijfsterrein een grotere maximale bouwhoogte wordt toegestaan, is volgens [appellante sub 3] onvoldoende om de keuze voor de in het plan opgenomen beperking van de maximale bouwhoogte te onderbouwen. Hierbij wijst zij erop dat deze bedrijfslocatie erg groot is, waardoor de ruimtelijke effecten van een grotere bouwhoogte beperkt zullen blijven, en dat in de omgeving van het bedrijfsterrein reeds een industrieterrein aanwezig is waarop de ruimtelijke effecten van een grotere maximale bouwhoogte zich nauwelijks zullen doen gevoelen. Tot slot voert zij aan dat het bepaalde in artikel 3, lid 3.4.5, aanhef en onder 2, van de planregels voor haar onnodig beperkend is.

7.1. In het plan is aan de locatie Ruimteweg de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduidingen "wetgevingszone - afwijkingsgebied - 2", "bedrijf tot en met categorie 4.2", "maximum bebouwingspercentage 70%" en "maximum bouwhoogte = 15 meter" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, onder e, voor het toestaan van extra brutovloeroppervlak, onder de volgende voorwaarden:

1. er in totaal voor het hele plangebied niet meer dan 170.000 m2 brutovloeroppervlak mag worden toegevoegd;

2. er geen onaanvaardbare aantasting van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein of de daar gevestigde bedrijven plaatsvindt door de vestiging van bedrijven die volgens de Lijst van Bedrijfsactiviteiten een indicatie 3G of 3P voor verkeer hebben;

3. dit niet leidt tot milieuhygiënische bezwaren;

Ingevolge artikel 3, lid 3.4.5, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - afwijkingsgebied - 2" door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, onder d, voor het toestaan van een hogere bouwhoogte, onder de volgende voorwaarden:

1. de bouwhoogte mag met maximaal 30% worden verhoogd naar 30 meter;

2. voldaan wordt aan het bepaalde genoemd onder lid 3.4.4 onder 1, 2, en 3.

7.2. In reactie op het beroep van [appellante sub 3] heeft de raad erkend dat de voorwaarde voor het afwijken van de maximum bouwhoogte die betrekking heeft op het percentage van 30%, niet juist in de planregels is opgenomen. Hierbij heeft de raad toegelicht dat in deze planregel de zinsnede "voor maximaal 30% van het bouwvlak" had moeten worden opgenomen.

Nu de raad in zoverre niet heeft bestemd hetgeen hij heeft beoogd te bestemmen, moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

7.3. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen de maximum bouwhoogte op de locatie Ruimteweg te beperken tot 15 meter en voor een gedeelte van het bouwvlak hogere bouwhoogten tot 30 meter slechts toe te staan door toepassing van een afwijkingsbevoegdheid.

Niet in geschil is dat de in de bestaande situatie op de locatie Ruimteweg aanwezige bebouwing een maximumhoogte heeft van ongeveer 9 tot 10 meter. [appellante sub 3] heeft aangevoerd dat bij haar al langere tijd het voornemen bestaat de locatie Ruimteweg te herstructureren en dat voor bedrijfsactiviteiten als die zij daar ontplooit tegenwoordig een grotere maximale bouwhoogte noodzakelijk is van ten minste 25 meter.

De raad heeft een dergelijke maximale bouwhoogte in het plan niet bij recht willen toestaan, omdat hij wil voorkomen dat ter plaatse een massieve wand van bebouwing zal ontstaan die een visuele barrière zal vormen. Hij acht dergelijke bebouwing niet stedenbouwkundig aanvaardbaar. De raad heeft echter niet gemotiveerd waarom het bij recht toestaan van dergelijke bebouwing op deze locatie stedenbouwkundig niet aanvaardbaar zou zijn. Hierbij betrekt de Afdeling dat in de omgeving van de locatie Ruimteweg slechts andere bedrijfsbebouwing en een hotel aanwezig zijn. Van een negatieve uitstraling voor het zicht vanaf een woonwijk kan dan ook geen sprake zijn. Bovendien is in het plan voor het nabijgelegen hotel bij recht een bouwhoogte van 30 meter toegestaan. Voorts ligt de locatie Ruimteweg naast een verhoogde weg, die bebouwing op die locatie deels aan het zicht onttrekt. Gelet op het voorgaande is de voor de locatie Ruimteweg in het plan voorziene beperking van de bij recht toegestane maximale bouwhoogte tot 15 meter in het licht van de door [appellante sub 3] gewenste verhoging van de bebouwing onvoldoende gemotiveerd. Het plan is in zoverre dan ook vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Nu de Afdeling reeds hierom tot een vernietiging komt, wordt niet meer toegekomen aan bespreking van de overige beroepsgronden van [appellante sub 3] met betrekking tot de maximale bouwhoogte en de mogelijkheid daarvan af te wijken.

Locatie Atoomweg/Neutronweg

7.4. [appellante sub 3] kan zich niet verenigen met de in het plan voor haar gronden aan de Atoomweg en de Neutronweg opgenomen regeling. Hiertoe voert zij aan dat in het plan voor die locatie ten onrechte een minimale milieucategorie van 3.2 is opgenomen. Het uitgangspunt van de raad dat aldaar sprake is van één bedrijf in milieucategorie 3.2, namelijk een bedrijf voor goederenvervoer over de weg en het afleveren van LPG, is volgens [appellante sub 3] onjuist, nu daar verschillende bedrijven zijn gevestigd. Zij wijst er hierbij op dat voornoemd bedrijf voor goederenvervoer en het afleveren van LPG volgens de milieuvergunning ook niet de hoofdactiviteit is op deze locatie: dat is namelijk een groothandel in milieucategorie 2. De in het plan opgenomen regeling kan tevens een belemmering vormen bij het splitsen of verkopen van bedrijven of onderdelen daarvan, aldus [appellante sub 3]

7.5. De raad stelt dat de op de locatie Atoomweg/Neutronweg plaatsvindende bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 3] passen in milieucategorie 3.2 en dat eventuele andere activiteiten die daar plaatsvinden bij die bedrijfsactiviteiten horen. Hij acht het niet wenselijk als zich op deze locatie zelfstandige bedrijven in een lagere milieucategorie vestigen.

7.6. Aan de locatie Atoomweg/Neutronweg zijn in het plan de bestemming "Bedrijventerrein" en onder meer de aanduiding "bedrijf van categorie 3.2 tot en met categorie 5.1" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn gronden met die bestemming en aanduiding bestemd voor bedrijven uit de in de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten genoemde categorieën 3.2 tot en met 5.1.

7.7. In het deskundigenbericht wordt kort gezegd het volgende opgemerkt over de locatie Atoomweg/Neutronweg. [appellante sub 3] heeft de locatie Atoomweg/Neutronweg in eigendom. Een deel van de daar aanwezige gebouwen is in gebruik voor bedrijven van [appellante sub 3]. Binnen die bedrijven vinden onder meer de bedrijfsactiviteiten opslag, waaronder koeling en diepvries, overslag, het snijden van paperboard en scholing plaats. Ook zijn er kantoren, een bedrijfswoning en sociale ruimtes aanwezig. Zij verhuurt ook enkele gebouwen aan derden, die daar hun eigen bedrijfsactiviteiten ontplooien. Het betreft onder meer een autobedrijf, een bandenfirma, een stoffenhandelaar en een ompakker. Volgens het deskundigenbericht valt een aantal van deze bedrijfsactiviteiten in een lagere milieucategorie dan de minimale milieucategorie 3.2 die volgens het plan op deze locatie is toegestaan. Ook wordt in het deskundigenbericht vastgesteld dat niet alle activiteiten van [appellante sub 3] en van de op de locatie Atoomweg/Neutronweg gevestigde derden vallen onder de bedrijfscategorie "Goederenvervoerwegbedrijf" uit de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten.

7.8. De raad heeft uiteengezet dat de beslissing om op de locatie Atoomweg/Neutronweg een minimale milieucategorie van 3.2 toe te staan, is ingegeven door de wens juist op deze locatie zich bedrijven te laten vestigen in hogere milieucategorieën. Alleen dit deelgebied van het bedrijventerrein Lage Weide is hiervoor volgens de raad geschikt, gelet op de afstand tot de omliggende woonwijken. Vast staat echter dat op de locatie Atoomweg/Neutronweg ook bedrijfsactiviteiten plaatsvinden in lagere milieucategorieën dan 3.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat deze activiteiten in organisatorisch opzicht deel uitmaken van [bedrijf B] en daarom tot het aldaar gevestigde goederenvervoerbedrijf in milieucategorie 3.2 kunnen worden gerekend. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich echter niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat doorslaggevende betekenis toekomt aan het feit dat de verschillende bedrijfsactiviteiten organisatorisch gezien deel uitmaken van één overkoepelende groep. De raad miskent hiermee dat de verschillende bedrijfsactiviteiten behoren tot individuele op de locatie Atoomweg/Neutronweg gevestigde bedrijven die elk zelfstandig hun specifieke activiteiten ontplooien en waarvoor in sommige gevallen aparte vergunningen zijn verleend. Voorts heeft de raad hiermee naar het oordeel van de Afdeling miskend dat ook bedrijven van derden, die geen deel uitmaken van [bedrijf B], op de locatie Atoomweg/Neutronweg activiteiten in lagere milieucategorieën ontplooien, op gronden die zij van [appellante sub 3] hebben gehuurd. Door het in het plan opnemen van de minimale milieucategorie 3.2 voor de locatie Atoomweg/Neutronweg zijn bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 3] en van derden dan ook niet als zodanig bestemd, terwijl de raad niet heeft beoogd deze activiteiten planologisch niet langer toe te staan.

Gelet op het voorgaande heeft de raad het bestreden besluit niet genomen met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover daarbij op de locatie Atoomweg/Neutronweg met de aanduiding "bedrijf van categorie 3.2 tot en met categorie 5.1" een minimale milieucategorie van 3.2 is toegestaan.

7.9. [appellante sub 3] betoogt dat op de locatie Atoomweg/Neutronweg ten onrechte ten hoogste bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 5.1 zijn toegestaan. Dit is volgens haar niet in overeenstemming met het gemeentelijke beleid, dat inhoudt dat op dit gedeelte van het industrieterrein Lage Weide aan de hand van de richtafstanden uit de VNG-brochure de hoogst mogelijke milieucategorie wordt toegelaten. In dit verband wijst zij erop dat verschillende woonwijken in de omgeving van het industrieterrein ten onrechte zijn gekwalificeerd als rustige woonwijken. [appellante sub 3] meent dat die wijken als gemengd gebied moeten worden aangemerkt. In dat geval zijn de afstanden tussen die wijken en de locatie Atoomweg/Neutronweg zodanig dat voor de meeste bedrijfsgebouwen op die locatie aan de richtafstand kan worden voldaan en dat daar dus ook bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 5.2 hadden kunnen worden toegelaten, aldus [appellante sub 3] Ook hadden volgens haar op één perceel verschillende maximale milieucategorieën kunnen worden toegestaan door de richtafstanden uit de VNG-brochure aan te houden en is met die mogelijkheid in het plan ten onrechte geen rekening gehouden.

7.10. De raad heeft in eerste instantie gesteld dat de beperking van de maximaal toegestane milieucategorie op de locatie Atoomweg/Neutronweg tot 5.1 is ingegeven door de tot woonwijken in de omgeving van het bedrijventerrein in acht te nemen richtafstanden. [appellante sub 3] heeft er in dit verband op gewezen dat het ook als die richtafstanden worden aangehouden mogelijk is op een deel van de locatie Atoomweg/Neutronweg bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie toe te staan. Naar aanleiding daarvan heeft de raad ter zitting te kennen gegeven bij nader inzien de opvatting te zijn toegedaan dat dat ook mogelijk is en dat niets eraan in de weg staat op een deel van de locatie Atoomweg/Neutronweg bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie toe te staan en op een ander deel bedrijfsactiviteiten in een lagere milieucategorie, afhankelijk van de te onderscheiden richtafstanden voor bedrijfsactiviteiten in die categorieën.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, voor zover daarbij op de locatie Atoomweg/Neutronweg met de aanduiding "bedrijf van categorie 3.2 tot en met categorie 5.1" een maximale milieucategorie van 5.1 is toegestaan.

Rustplaatsen

7.11. [appellante sub 3] betoogt dat in de planregels had moeten worden vastgelegd dat rustplaatsen voor chauffeurs en voor werknemers tussen diensten zijn toegestaan binnen de aan de locaties Ruimteweg en Atoomweg/Neutronweg toegekende bedrijfsbestemming. Zij vreest dat bij het aanvragen van een omgevingsvergunning een verschil van inzicht zal ontstaan over de vraag of een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het realiseren van dergelijke rustplaatsen.

7.12. De raad stelt dat het gebruik van gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" voor rustplaatsen voor chauffeurs en voor werknemers tussen diensten in het plan is toegestaan, voor zover dit gebruik onderschikt is aan de hoofdfunctie.

7.13. Bij [appellante sub 3] bestaat de behoefte rustplaatsen te kunnen realiseren voor chauffeurs en loodsmedewerkers. Die medewerkers van [appellante sub 3] moeten op of in de nabijheid van het bedrijventerrein kunnen overnachten in verband met verplichte rusttijden en nachtdiensten.

De raad heeft ter zitting bevestigd dat hij het gebruik van gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" voor dit doel heeft willen toestaan, zolang dit gebruik maar onderschikt is aan de hoofdfunctie. Volgens hem omvat het gebruik dat op gronden met voornoemde bestemming is toegestaan ook het gebruik voor rustplaatsen voor chauffeurs en werknemers zolang dit deel uitmaakt van een daar gevestigd bedrijf, maar is een zelfstandig hotel of andere zelfstandige horecavoorziening daar niet toegestaan. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellante sub 3] gewenste rustplaatsen als zodanig zijn bestemd.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.14. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hiervoor omschreven plandelen is genomen in strijd met artikel 3:2, dan wel in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 4]

8. [appellante sub 4] kan zich niet verenigen met de in het plan voor haar bedrijfslocatie aan de Sophialaan opgenomen regeling. Daartoe voert zij aan dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met een concreet bouwplan dat zij heeft.

[appellante sub 4] wijst erop dat zij voornemens is twee nieuwe hallen voor de distributie van goederen te bouwen op haar bedrijfslocatie, maar dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt om dit bouwplan te realiseren. De gewenste hallen zijn volgens [appellante sub 4] noodzakelijk voor haar bedrijfsvoering en dienen ter overkapping van de opslag van goederen die op haar terrein reeds plaatsvindt. In dit verband betoogt zij voorts dat het plan voorziet in een te laag maximaal uitbreidingspercentage voor uitbreidingen van het brutovloeroppervlak van bedrijfsbebouwing en dat het maximale bebouwingspercentage van 60 dat geldt voor haar perceel te laag is. Na realisering van de door haar gewenste hallen zou op haar bedrijfsterrein in totaal sprake zijn van een bebouwingspercentage van 63, aldus [appellante sub 4]

Tot slot voert [appellante sub 4] aan dat de in het plan opgenomen voorwaarden waaronder extra uitbreiding kan worden toegestaan rechtsonzeker zijn. Haar is niet duidelijk wat het beoordelingsmoment is om vast te kunnen stellen dat een deel van de beschikbare extra uitbreidingsruimte wordt benut. Voorts zijn de voorwaarden dat er geen onaanvaardbare aantasting van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein mag plaatsvinden en dat een uitbreiding niet mag leiden tot milieuhygiënische bezwaren te onbepaald, aldus [appellante sub 4]

8.1. De raad stelt dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen concreet bouwplan beschikbaar was. Volgens de raad behoefde hij daarmee dan ook geen rekening te houden.

8.2. Aan het bedrijfsterrein van [appellante sub 4] zijn in het plan de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 4.1", "maximum bebouwingspercentage = 60%" en "maximum bouwhoogte = 24 meter" toegekend.

8.3. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

[appellante sub 4] heeft erop gewezen dat zij een concreet initiatief heeft voor het realiseren van twee nieuwe hallen op haar bedrijfslocatie aan de Sophialaan. In het plan is met dit initiatief geen rekening gehouden. Ter zitting heeft [appellante sub 4] erop gewezen dat zij dit initiatief meermaals bij het gemeentebestuur kenbaar heeft gemaakt en dat het initiatief daar al voor de vaststelling van het plan bekend was. In reactie hierop heeft de raad toegelicht dat dit initiatief inderdaad reeds voor de planvaststelling, namelijk in juni 2014, bij hem bekend was, maar dat hij het initiatief van [appellante sub 4] op dat moment onvoldoende concreet achtte.

Niet in geschil is dat [appellante sub 4] het initiatief voor de vaststelling van het plan aan het gemeentebestuur kenbaar heeft gemaakt en dit heeft toegelicht aan de hand van rekenvoorbeelden, waarin de omvang en de kosten van de door haar gewenste nieuwe bedrijfsbebouwing tot op enig detailniveau zijn betrokken. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het initiatief onvoldoende concreet was om dat te kunnen betrekken bij het besluit tot vaststelling van het plan. De raad had derhalve bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening moeten houden met het initiatief van [appellante sub 4] en had daarbij ook het op genoemd perceel toegestane bebouwingspercentage moeten betrekken. Dat nog geen concrete vergunningaanvraag voorlag maakt dat niet anders. De in het plan voor de bedrijfslocatie van [appellante sub 4] aan de Sophialaan opgenomen regeling is dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

Omdat op grond van het hiervoor overwogene reeds tot een vernietiging van het plan wordt gekomen voor het bedrijfsterrein van [appellante sub 4] wordt aan een verdere bespreking van de beroepsgronden met betrekking tot het maximaal toegestane bebouwingspercentage niet meer toegekomen.

8.4. [appellante sub 4] heeft betoogd dat het plan ten onrechte voorziet in te beperkte mogelijkheden om bebouwing uit te breiden. Zoals hiervoor onder 5.14 is overwogen in het kader van het beroep van [appellante sub 2] heeft de raad niet in redelijkheid kunnen kiezen voor de in het plan voorziene beperking van de maximaal toegestane uitbreiding van het brutovloeroppervlak van de bedrijfsbebouwing op het bedrijventerrein boven de 10% uitbreiding die in ieder geval is toegestaan. Dit betoog van [appellante sub 4] slaagt daarom eveneens.

8.5. Ten aanzien van de extra beschikbare uitbreidingsruimte heeft [appellante sub 4] nog aangevoerd dat de regeling voor die extra uitbreidingsruimte verschillende rechtsonzekere elementen bevat. Zij heeft erop gewezen dat uit de planregels niet blijkt op welk moment een deel van de extra uitbreidingsruimte als benut moet worden beschouwd. Voorts heeft [appellante sub 4] betoogd dat de voorwaarden dat er geen onaanvaardbare aantasting van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein mag plaatsvinden en dat een uitbreiding niet mag leiden tot milieuhygiënische bezwaren te onbepaald zijn.

De planregels verschaffen geen duidelijkheid over de vraag of bijvoorbeeld het moment van een vergunningaanvraag betekent dat een deel van de extra uitbreidingsruimte als vergeven moet worden beschouwd of dat daarvan pas sprake is als daadwerkelijk tot realisering van de gewenste bebouwing is of wordt overgegaan. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling de in artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels opgenomen regeling voor de extra uitbreidingsruimte rechtsonzeker.

Conclusie

8.6. In hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hiervoor omschreven plandelen is genomen in strijd met de rechtszekerheid, dan wel met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 5] en anderen

[locatie 6] en [locatie 7]

9. [appellante sub 5] en anderen betogen dat het garagebedrijf en het verhuurbedrijf op het perceel [locatie 6] en [locatie 7] niet geheel als zodanig zijn bestemd omdat de toegekende functieaanduidingen zich niet uitstrekken over het noordelijke deel van de percelen.

Voorts is het gebruik van het kantoorgebouw volgens hen ten onrechte niet als zodanig bestemd omdat, anders dan de raad stelt, met het huidige gebruik geen sprake is van ondergeschikte kantoorruimte. Tevens is het gebruik van de opstallen op het perceel aan de [locatie 7] niet als zodanig bestemd.

[appellante sub 5] en anderen betogen verder dat artikel 3, lid 3.6.1, van de planregels onnodig beperkend is nu met de milieuzonering reeds wordt bereikt dat geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geurhinder. Uit het vaststellingsrapport van de raad blijkt voorts dat de bepaling is opgenomen vanwege twee diervoederbedrijven in het plangebied terwijl dit niet als zodanig in de planregels is opgenomen. Dat betekent, anders dan de raad kennelijk heeft beoogd, dat voor alle geurbelastende bedrijven geldt dat de gecumuleerde geurbelasting niet mag toenemen, aldus [appellante sub 5] en anderen.

9.1. Onder verwijzing naar artikel 3, lid 3.1, onder c, sub 4, van de planregels stelt de raad dat het kantoor als zodanig is bestemd. Voorts acht de raad het bepaalde in artikel 3, lid 3.6.1, van de planregels niet onnodig bezwarend. Daartoe wijst hij erop dat met het treffen van maatregelen een toename van geurhinder kan worden voorkomen.

9.2. Ten aanzien van de functieaanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf" en "specifieke vorm van bedrijf - verhuurbedrijf" heeft de raad in de reactie op het beroepschrift erkend dat deze aanduidingen ten onrechte niet zijn opgenomen voor het noordelijke deel van de percelen. Nu de raad zich aldus op een ander standpunt stelt dan bij het nemen van het besluit, zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van het perceel [locatie 6] en [locatie 7] in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Dit betoog van [appellante sub 5] en anderen slaagt.

9.3. Aan de gronden ter plaatse van de percelen [locatie 6] en [locatie 7] is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijf van categorie 3.2 tot en met categorie 5.1".

Op grond van lid 3.1, onder c, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor aan de bedrijfsactiviteiten ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte onder de volgende voorwaarden:

1. voor reeds bestaande gebouwen waarin de verhouding kantoorruimte en bedrijfsruimte reeds 50-50% is, geldt dat per bedrijf een maximum van 50% van de brutovloeroppervlakte mag worden gebruikt;

2. voor nieuwbouw geldt dat voor bedrijven tot 500 m2 brutovloeroppervlakte een maximum van 50% van de brutovloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen voor ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte en minimaal 50% voor bedrijfsruimte;

3. voor overige nieuwbouw, inclusief uitbreidingen, geldt dat minimaal 70% van de brutovloeroppervlakte gebruikt moet worden voor bedrijfsruimte en niet meer dan 30% van de brutovloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen voor ondergeschikte daarmee samenhangende kantoorruimte mag bedragen, doch ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone-bevi" met een maximum van 1500 m2;

4. voor reeds bestaande gebouwen waarvan de verhouding kantoorruimte en bedrijfsruimte afwijkt van het bepaalde onder 1, 2 en 3, mag de bestaande verhouding worden gehandhaafd.

Op grond van lid 3.1, onder d, zijn de gronden bestemd voor zelfstandig kantoor, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "kantoor", tot maximaal de bestaande brutovloeroppervlakte van het gebouw dat een kantooraanduiding heeft.

9.4. Ten aanzien van de kantoorruimte op het perceel [locatie 7] overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens het deskundigenbericht is in dit gebouw het hoofdkantoor van [appellante sub 5] gevestigd en wordt een gedeelte sinds 1997 verhuurd aan derden. De bebouwing heeft een brutovloeroppervlak van in totaal 2500 m2. Dat is, aldus het deskundigenbericht, aanzienlijk minder dan het oppervlak aan overige bedrijfsbebouwing op het perceel. Ter zitting heeft [appellante sub 5] verklaard dat momenteel een oppervlakte van 1700 m2 wordt verhuurd aan derden. Op grond van artikel 3, lid 3.1, onder c, van de planregels, is kantoorruimte binnen de bestemming "Bedrijventerrein" toegestaan, mits deze kantoorruimte aan de bedrijfsactiviteiten ondergeschikt is en daarmee samenhangt. Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee verhuur van kantoorruimte aan derden die bedrijfsactiviteiten verrichten die los staan van de bedrijfsactiviteiten die [appellante sub 5] en anderen ter plaatse verrichten, niet toegestaan. De termen ‘ondergeschikt en daarmee samenhangend’ impliceren immers dat het gebruik een functionele binding heeft met de bedrijfsactiviteiten die op het perceel door [appellante sub 5] en anderen worden verricht. Nu uit het deskundigenbericht volgt - hetgeen ter zitting door [appellante sub 5] en anderen is bevestigd - dat in het kantoorpand zelfstandige bedrijven zijn gevestigd, is het bestaande gebruik, anders dan de raad heeft beoogd, niet als zodanig bestemd. Voor zover de raad heeft gewezen op het bepaalde in lid 3.1, onder c, sub 4, van de planregels, overweegt de Afdeling dat deze bepaling weliswaar bepaalt dat de afwijkende bestaande verhouding kantoorruimte en bedrijfsruimte mag worden gehandhaafd maar dat geen uitzondering is gemaakt op het vereiste dat het gebruik van de kantoorruimte ondergeschikt en samenhangend aan de bedrijfsactiviteiten dient te zijn.

Nu de aanduiding "kantoor" niet is toegekend aan de kantoorruimte op het perceel aan de [locatie 7] is een zelfstandig kantoor - dat op grond van artikel 1, lid 1.76, van de planregels een kantoor betreft dat niet ondergeschikt is aan en niet samenhangt met andere ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten - gezien het bepaalde in lid 3.1, onder d, van de planregels ter plaatse evenmin toegestaan.

Gelet op het vorenstaande is het bestaande gebruik van de kantoorruimte voor verhuur aan derden, anders dan de raad heeft beoogd, niet als zodanig bestemd. De verwijzing van de raad ter zitting naar artikel 3, lid 3.6.4, van de planregels waarin is voorzien in een afwijkingsbevoegdheid voor een zelfstandig kantoor leidt niet tot een ander oordeel nu daarmee het bestaande gebruik van kantoorruimte door derden afhankelijk is gesteld van een nadere toestemming, nog daargelaten de vraag of in het geval van [appellante sub 5] en anderen wordt voldaan aan de voorwaarden die voor de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid zijn opgenomen.

Dit betoog van [appellante sub 5] en anderen slaagt.

9.5. Ten aanzien van de opstallen op het perceel [locatie 7] wordt als volgt overwogen. Blijkens het deskundigenbericht wordt de bedoelde loods met een oppervlakte van ongeveer 4.750 m2 thans verhuurd aan het naastgelegen bedrijf Stiho B.V. In de loods worden activiteiten verricht die vallen binnen milieucategorie 3.1, aldus het deskundigenbericht. Bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3.1 zijn blijkens de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijf van categorie 3.2 tot en met categorie 5.1" die aan het perceel is toegekend, niet toegestaan. Gelet hierop is het gebruik van de loods niet als zodanig bestemd, zodat dit betoog van [appellante sub 5] en anderen slaagt. Dat, zoals de raad in de reactie op het deskundigenbericht en ter zitting heeft gesteld, Stiho B.V. als gebruiker van de gronden niet zelf beroep heeft ingesteld tegen het plan, leidt er niet toe dat deze beroepsgrond van [appellante sub 5] en anderen niet aan de orde kan komen, nu zij eigenaren van de gronden en de desbetreffende loods zijn.

9.6. Ten aanzien van het betoog dat is gericht tegen artikel 3, lid 3.6.1, van de planregels verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen onder 5.34 bij de bespreking van het beroep van [appellante sub 2] Nu de Afdeling in hetgeen door [appellante sub 2] wordt aangevoerd aanleiding ziet voor het oordeel dat artikel 3, lid 3.6.1 van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en dient te worden vernietigd, slaagt het betoog van [appellante sub 5] en anderen eveneens en behoeven de beroepsgronden die [appellante sub 5] en anderen in dit verband aanvoert geen bespreking meer.

Dit betoog van [appellante sub 5] en anderen slaagt.

[locatie 8]

9.7. [appellante sub 5] en anderen betogen dat op het perceel aan de [locatie 8] ten onrechte bedrijvigheid tot en met milieucategorie 4.2 is toegestaan. Zij betogen dat de Schepenbuurt dient te worden gekwalificeerd als "gemengd gebied" in plaats van "rustige woonwijk" als bedoeld in de VNG-brochure, zodat in lijn met de plansystematiek milieucategorie 5.2 aan het perceel had moeten worden toegekend.

Voorts is met de toegekende aanduiding "bedrijf tot en met milieucategorie 4.2" onduidelijk of het huidige gebruik van de bedrijfshal als ijsbaan is toegestaan, aldus [appellante sub 5] en anderen.

9.8. De raad stelt dat de Schepenbuurt dient te worden gekwalificeerd als een "rustige woonwijk" als bedoeld in de VNG-brochure. Dat het woongebied wordt begrensd door hoofdinfrastructuur doet volgens de raad niet af aan het karakter van een rustige woonwijk achter de eerstelijnsbebouwing. Gelet op de afstand van het perceel tot de woonwijk acht de raad het toekennen van een hogere milieucategorie niet aanvaardbaar.

9.9. Aan de gronden ter plaatse van het perceel aan de [locatie 8] is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2". Op grond van artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels zijn de gronden bestemd voor bedrijven die zijn vermeld in de bijlage Lijst van bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 tot en met 4.2.

9.10. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 5] en anderen dat de nabijgelegen wijk Schepenbuurt niet kan worden gekwalificeerd als rustige woonwijk als bedoeld in de VNG-brochure, overweegt de Afdeling dat het omgevingstype "rustige woonwijk" in de VNG-brochure wordt omschreven als een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied, aldus de VNG-brochure. Volgens de VNG-brochure is een gemengd gebied een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren volgens de VNG-brochure eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van de te hanteren afstand voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de tweedelijnsbebouwing in de Schepenbuurt terecht aangemerkt als "rustige woonwijk" als bedoeld in de VNG-brochure nu deze woningen niet grenzen aan hoofdinfrastructuur en niet is gebleken dat er naast de woonfunctie nog andere functies voorkomen. De richtafstand voor bedrijven in milieucategorie 5.1 bedraagt 500 meter ten opzichte van woningen in een gebied dat als "rustige woonwijk" wordt gekwalificeerd. Nu deze afstand ten opzichte van het perceel aan de [locatie 8] niet wordt behaald, heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van milieucategorie 5.1 aan dit perceel.

Dit betoog van [appellante sub 5] en anderen faalt.

9.11. Ten aanzien van het gebruik van een bedrijfshal op het perceel als ijsbaan en de opslag ten behoeve van dit gebruik, heeft de raad ter zitting erkend dat dit gebruik ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Nu de raad zich aldus op een ander standpunt stelt dan bij het nemen van het besluit zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Dit betoog van [appellante sub 5] en anderen slaagt.

[locatie 9]

9.12. [appellante sub 5] en anderen kunnen zich niet verenigen met het maximale bebouwingspercentage van 60 dat voor het perceel aan de [locatie 9] is opgenomen. De stelling van de raad dat hiermee wordt voorkomen dat vanaf de Amsterdamsestraatweg zicht op massieve bebouwing ontstaat is volgens haar niet steekhoudend nu dit belang ook op andere wijze kan worden beschermd, onder meer door het verleggen van het bouwvlak. Verder acht zij een uitbreidingsruimte van 10% bij recht onvoldoende. Het doel van de raad om hiermee de verkeersaantrekkende werking te beperken is volgens haar gebaseerd op onjuiste aannames nu uitbreiding niet per definitie gepaard gaat met extra verkeersbewegingen.

9.13. De raad acht een bebouwingspercentage van 60 met een uitbreidingsmogelijkheid van 10% bij recht aanvaardbaar. Daarnaast is na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels een uitbreiding van maximaal 170.000 m2 brutovloeroppervlak toegestaan, aldus de raad. Juist omdat geen rechtstreeks verband bestaat tussen bedrijfsuitbreiding en verkeerstoename meent de raad dat het opnemen van de zogenoemde bereikbaarheidstoets noodzakelijk en redelijk is.

9.14. Aan de gronden ter plaatse van het perceel [locatie 9] is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met, voor zover van belang, de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 4.1", "maximum bebouwingspercentage (%)=60". Op grond van artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels zijn de gronden bestemd voor bedrijven en activiteiten als vermeld in de bijlage Lijst van bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 tot en met 4.2.

Op grond van lid 3.2.1, onder c, mag het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" niet worden overschreden, met inachtneming van het bepaalde genoemde onder e.

Op grond van lid 3.2.1, onder e, mag het bestaande aantal vierkante meters brutovloeroppervlak van de op het perceel aanwezige gebouwen met maximaal 10% worden vergroot met inachtneming van het bepaalde genoemd onder c en d.

Op grond van lid 3.4.4, kan het college van burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, onder e, voor het toestaan van extra brutovloeroppervlak, onder de volgende voorwaarden:

1. er in totaal voor het gehele gebied niet meer dan 170.000 m2 brutovloeroppervlak mag worden toegevoegd;

2. er geen onaanvaardbare aantasting van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein of de daar gevestigde bedrijven plaatsvindt door de vestiging van bedrijven die volgens de Lijst van Bedrijfsactiviteiten een indicatie 3G of 3P voor verkeer hebben;

(...)

4. de op de verbeelding aangegeven "maximum bebouwingspercentage" en "maximum bouwhoogte" niet wordt overschreden.

9.15. Ten aanzien van het betoog dat de op het perceel aanwezige gebouwen ten onrechte met maximaal 10% bij recht mogen worden vergroot, overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens de plantoelichting heeft de raad onderzocht hoeveel er in de afgelopen 10 jaar op het industrieterrein is bijgebouwd. Daaruit is naar voren gekomen dat sprake is van een toename van het totale brutovloeroppervlak van in totaal 7%. De raad heeft gelet hierop en gelet op hetgeen in het algemeen als aanvaardbaar uitbreidingspercentage wordt gehanteerd ten behoeve van een normale, gezonde bedrijfsvoering, gekozen voor een percentage van 10 per perceel van het bestaande aantal vierkante meters aan brutovloeroppervlak. Mede gelet op het uitgangspunt van het plan om de bestaande bebouwing en het gebruik van de gronden als zodanig te bestemmen en daarvoor bij recht een beperkte uitbreidingsmogelijkheid te bieden, acht de Afdeling dit gekozen uitbreidingspercentage niet onredelijk. Dit betoog van [appellante sub 5] en anderen faalt.

9.16. Wat betreft het betoog van [appellante sub 5] en anderen dat een bebouwingspercentage van 60 onvoldoende is, overweegt de Afdeling het volgende. In de plantoelichting staat dat voor de gronden aan het Amsterdam-Rijnkanaal is gekozen voor een bebouwingspercentage van 60 vanwege de ligging tegenover de wijk Zuilen. Beoogd wordt te voorkomen dat langs het Amsterdam-Rijnkanaal aaneengesloten bebouwing ontstaat. Voor de overige gronden in het plangebied is een uitbreidingspercentage van 70 opgenomen. Blijkens de verbeelding strekken de bouwvlakken voor de gronden aan het Amsterdam-Rijnkanaal, waaronder het perceel van [appellante sub 5] en anderen aan de [locatie 9], zich uit over de gehele lengte van de strook grond langs het Amsterdam-Rijnkanaal. In de planregels is bepaald dat de bebouwing uitsluitend binnen het bouwvlak mag worden gebouwd, waarbij geen nadere beperking is aangebracht wat betreft de situering.

Hoewel de Afdeling het oogmerk van de raad om te voorkomen dat langs het Amsterdam-Rijnkanaal aaneengesloten bebouwing ontstaat op zichzelf redelijk acht, brengt het vorenstaande - uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden - met zich dat met een bebouwingspercentage van 60 op zichzelf niet kan worden voorkomen dat de bebouwing zich concentreert langs de rand van het bouwvlak aan het Amsterdam-Rijnkanaal waardoor vanuit de wijk Zuilen zicht bestaat op aaneengesloten bebouwing. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een lager bebouwingspercentage voor de gronden aan het Amsterdam-Rijnkanaal is gerechtvaardigd om te voorkomen dat ter plaatse sprake zal zijn van aaneengesloten bebouwing langs het Amsterdam-Rijnkanaal waarop bewoners van de wijk Zuilen zicht zullen hebben.

Dit betoog van [appellante sub 5] en anderen slaagt.

Conclusie

9.17. In hetgeen [appellante sub 5] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen ter plaatse van het perceel aan de [locatie 6] en 27 met de bestemming "Bedrijventerrein", het perceel aan de [locatie 8], voor zover het gebruik van de bedrijfshal ten behoeve van een ijsbaan met bijbehorende opslag niet als zodanig is bestemd, en het perceel aan de [locatie 9], voor zover is voorzien in een bebouwingspercentage van 60, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 5] en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van Uithoek B.V.

10. Uithoek B.V. is eigenaar van het perceel aan de Sophialaan 7 waar een voormalige gipsfabriek was gevestigd. Zij kan zich niet verenigen met het plan voor zover op dit perceel bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 4.1 zijn toegestaan. Zij wijst erop dat in het vorige plan voor het perceel maximaal milieucategorie 5 gold en dat deze bestaande rechten bij de vaststelling van het plan hadden moeten worden overgenomen.

10.1. Voorts heeft Uithoek B.V. naar aanleiding van het deskundigenbericht aangevoerd dat de raad ten onrechte niet de door haar gewenste laad- en loskade ter ondersteuning van puinbreekactiviteiten van BRC heeft meegenomen bij de vaststelling van het plan, dat met de in artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels opgenomen voorwaarden onzeker is of de toegestane bedrijfsactiviteiten ook daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd en dat artikel 3, lid 3.6.1 van de planregels een onevenredige drempel opwerpt ten aanzien van de toegestane bedrijfsactiviteiten.

10.2. De raad stelt dat blijkens de milieuvergunning die geldt voor het bedrijf aan de Sophialaan 7 de productiecapaciteit van kleefstoffen 600 ton per jaar mag bedragen en voor gips en mergel 60.500 ton/jaar. Gelet hierop en op de Lijst van bedrijfsactiviteiten wordt het bedrijf aangemerkt als een bedrijf in milieucategorie 4.1 en is het bedrijf als zodanig bestemd.

10.3. Aan het perceel aan de Sophialaan 7 is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1". Op grond van artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels zijn ter plaatse bedrijven toegestaan die zijn vermeld in de bijlage Lijst van bedrijfsactiviteiten in categorie 1 tot en met 4.1.

10.4. De Afdeling overweegt ambtshalve dat, behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nog nieuwe gronden kunnen worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde in geding is, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer. In zaken waarin de Afdeling de StAB heeft verzocht een deskundigenbericht uit te brengen, wordt het indienen van nieuwe beroepsgronden later dan drie weken nadat dit verzoek is verzonden in ieder geval in strijd met de goede procesorde geacht.

In de brief van de Afdeling van 9 februari 2015, waarbij partijen zijn geïnformeerd over het verzoek aan de StAB een deskundigenbericht uit te brengen, is vermeld dat in verband daarmee na drie weken na dagtekening van deze brief geen nieuwe gronden kunnen worden ingediend. De onder 10.1 genoemde beroepsgronden zijn later dan drie weken na 9 februari 2015 ingediend, namelijk in de zienswijze naar aanleiding van het deskundigenbericht. Het indienen van deze beroepsgronden is derhalve in strijd met de goede procesorde, zodat de Afdeling deze buiten beschouwing zal laten.

10.5. Anders dan Uithoek B.V. betoogt was de raad niet gehouden voor het perceel Sophialaan 7 te voorzien in bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 5. In de plantoelichting staat dat bij de vaststelling van het plan een systematiek van inwaarts zoneren is toegepast, hetgeen betekent dat de toegekende milieucategorieën zijn afgestemd op de afstand tot milieugevoelige functies zoals wonen. Naar mate de afstand groter wordt, kunnen hogere milieucategorieën worden toegestaan. Voor het toekennen van milieucategorie 5 dient op basis van deze systematiek minimaal een afstand van 300 meter tot de aangrenzende woonbebouwing te worden aangehouden. Deze afstand wordt ten opzichte van de woonbebouwing in de wijk Zuilen niet gehaald. Nu blijkens de inventarisatie die de raad heeft opgesteld thans geen bedrijf in milieucategorie 5 op het perceel is gevestigd, de mogelijkheid daartoe op grond van een rechtens onaantastbare vergunning evenmin aanwezig is en niet is gebleken van concrete plannen voor een bedrijf in milieucategorie 5, heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van milieucategorie 5 aan het perceel Sophialaan 7. Dit betoog van Uithoek B.V. faalt.

10.6. Ten aanzien van de toegekende milieucategorie 4.1 aan het perceel Sophialaan 7 heeft de raad in de reactie naar aanleiding van het deskundigenbericht erkend dat hij bij de vaststelling van het plan ten onrechte is uitgegaan van een gipsfabriek in plaats van een bedrijf waar producten van gips worden vervaardigd, welk bedrijf in milieucategorie 4.2 valt. Nu de raad zich aldus op een ander standpunt stelt dan bij het nemen van het besluit zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven en het plan gelet op de toegekende milieucategorie 4.1 een bedrijf waar producten van gips worden vervaardigd niet toestaat, slaagt dit betoog van Uithoek B.V.

Conclusie

10.7. In hetgeen Uithoek B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de plandelen met de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" ter plaatse van het perceel Sophialaan 7, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van Uithoek B.V. is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De beroepen van [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9]

11. [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] kunnen zich niet verenigen met de in het plan voor het perceel [locatie 10] opgenomen regeling. [appellante sub 7] is eigenaar van dit perceel en verhuurt daar gronden aan [appellante sub 8] en [appellante sub 9] Laatstgenoemden exploiteren daar twee sterk met elkaar verweven bedrijven. [appellante sub 9] houdt zich bezig met het hergebruiken van afvalstromen die vrijkomen bij de vernieuwing van spoorbedden. [appellante sub 8] produceert betonmortel en gebruikt voor die productiewerkzaamheden een deel van de hergebruikte spoorballast als grondstof. Volgens het deskundigenbericht is de bedrijfsvoering van beide bedrijven technisch, functioneel, organisatorisch en fysiek niet te scheiden.

Formele beroepsgronden

11.1. [appellante sub 8] en [appellante sub 9] betogen dat het plan ten onrechte sterk verschilt van eerdere voorontwerpen. Dit is volgens hen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Voorts voeren [appellante sub 8] en [appellante sub 9] aan dat hun zienswijzen onvoldoende zorgvuldig zijn behandeld.

Tot slot betogen zij dat het besluit het plan vast te stellen ten onrechte niet bekend is gemaakt in de aangrenzende gemeente Stichtse Vecht.

11.2. [appellante sub 8] en [appellante sub 9] wijzen erop dat het uiteindelijk vastgestelde plan ten onrechte sterk verschilt van voorontwerpen van dat plan. De procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan vangt aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Het ter inzage leggen van een of meer voorontwerpen maakt dan ook geen deel uit van die procedure. Dat het uiteindelijk vastgestelde plan sterk verschilt van een voorontwerp, wat daar ook van zij, kan dan ook niet afdoen aan de rechtmatigheid van het plan.

De betogen falen.

11.3. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante sub 8] en [appellante sub 9] zo, dat zij betogen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

De betogen falen.

11.4. [appellante sub 8] en [appellante sub 9] hebben betoogd dat het plan ten onrechte niet bekend is gemaakt in de aangrenzende gemeente Stichtse Vecht. Deze beroepsgronden hebben betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

De betogen falen.

Noodzaak nieuw bestemmingsplan

11.5. [appellante sub 7] voert aan dat de raad ten onrechte stelt dat de systematiek van het voorheen geldende plan was verouderd. Volgens [appellante sub 7] maakte het voorheen geldende plan allerlei zware bedrijfsactiviteiten mogelijk en bestond daarin ruimte voor nieuwe initiatieven. [appellante sub 7] ziet dan ook geen noodzaak voor het vaststellen van een nieuw plan waarin de systematiek van het voorheen geldende plan, die als succesvol wordt ervaren, wordt verlaten. In dit verband wijst

[appellante sub 7] er nog op dat in mei 2013 in het gestelde verouderde planologisch kader geen beletsel werd gezien om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een biomassacentrale op een gedeelte van haar gronden.

11.6. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat verschillende redenen hebben geleid tot het besluit het voorliggende plan vast te stellen en daarbij voor een andere plansystematiek te kiezen. In dit verband heeft de raad erop gewezen dat tot de vaststelling van het voorliggende plan sprake was van een versnippering van de planologische regelingen voor het plangebied, omdat voor dat gebied veel verschillende plannen golden die in sommige gevallen sterk verouderd waren. Ook zijn volgens de raad met de nieuwe planologische regeling voor het bedrijventerrein Lage Weide onder meer wijzigingen in het planologisch regime aangebracht die tot een betere balans moeten leiden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies en zijn in het plan wijzigingen in wet- en regelgeving en het beleid van verschillende betrokken overheden op het gebied van de ruimtelijke ordening verwerkt. In hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het nodig was een nieuw plan vast te stellen met een andere systematiek dan voorheen werd gehanteerd voor het bedrijventerrein Lage Weide. Dat in mei 2013 een omgevingsvergunning is verleend voor de oprichting van een biomassacentrale op gronden van [appellante sub 7], wat daar ook van zij, doet aan het voorgaande niet af.

Het betoog faalt.

Bouwvolume

11.7. [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] betogen dat het plan zonder goede reden voorziet in een beperking van de maximale mogelijkheden bedrijfsbebouwing uit te breiden. Volgens hen had meer aandacht moeten worden besteed aan de specifieke behoeften van individuele grondeigenaren. De stelling van de raad dat het volledig benutten van het toegestane bouwvolume in voorheen geldende plannen zou leiden tot een te hoge verkeersintensiteit is onvoldoende onderbouwd en is niet voldoende om de keuze voor een beperkter bouwvolume te rechtvaardigen, aldus [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] In dit verband voeren [appellante sub 8] en [appellante sub 9] aan dat niet voldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van uitbreiding van de bedrijfsbebouwing voor de verkeerssituatie om een dergelijke restrictie van de bebouwingsmogelijkheden te rechtvaardigen. Voorts betogen [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] dat het in het plan opgenomen systeem van het toestaan van extra bouwvolume als de toename van de verkeersintensiteit dat toelaat, onvoldoende rechtszeker is en in de praktijk tot het probleem zou kunnen leiden dat ook uitbreidingen die geen gevolgen hebben voor het verkeer niet meer kunnen worden toegestaan.

11.8. De Afdeling begrijpt de betogen aldus, dat [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] bestrijden dat een eenduidige relatie bestaat tussen het aantal vierkante meters brutovloeroppervlak en het aantal verkeersbewegingen en betogen dat de raad daarom niet in redelijkheid van het verkeersonderzoek heeft kunnen uitgaan bij de keuze de uitbreidingsmogelijkheden van bebouwing te beperken.

Zoals blijkt uit hetgeen uit hiervoor onder 5.14 is overwogen bij de bespreking van het beroep van [appellante sub 2], is de Afdeling van oordeel dat de raad er niet in redelijkheid onder verwijzing naar het verkeersonderzoek voor heeft kunnen kiezen in het plan naast een uitbreidingsruimte van 10% een extra uitbreidingsruimte van het brutovloeroppervlak toe te staan die is beperkt tot 170.000 m2. De Afdeling heeft daar ook overwogen dat in het aan het plan ten grondslag gelegde verkeersonderzoek geen rekening is gehouden met individuele bedrijfssituaties en dat daarin niet inzichtelijk is gemaakt welke gegevens zijn gebruikt om de verkeerseffecten van een bepaalde toename van het brutovloeroppervlak bedrijfsruimte te bepalen. Hiermee slagen de betogen van [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] dat het plan zonder goede reden voorziet in voornoemde beperking van de maximale uitbreidingsmogelijkheden van bedrijfsbebouwing eveneens. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Toegestane milieucategorieën

11.9. [appellante sub 8] en [appellante sub 9] betogen dat de raad ten onrechte de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstanden als uitgangspunt heeft gehanteerd bij het toestaan van bedrijfsactiviteiten in verschillende milieucategorieën, nu deze richtafstanden niet goed bruikbaar zijn in bestaande situaties zoals in het onderhavig geval van het bedrijventerrein Lage Weide. In dit verband voeren [appellante sub 8] en [appellante sub 9] verder aan dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat de nabijgelegen wijk Zuilen als rustige woonwijk en niet als gemengd gebied kan worden gekwalificeerd. Hierbij wijzen zij erop dat ook volgens de "Beheersverordening Zuilen" in die wijk sprake is van functiemenging.

11.10. De raad heeft toegelicht dat bij het toestaan van bedrijfsactiviteiten een zogenoemde inwaartse zonering is toegepast, die is gebaseerd op de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstanden. Met het toepassen van deze inwaartse zonering is beoogd rekening te houden met gevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied, zoals woonwijken. Dat de VNG-brochure primair is bedoeld voor toepassing in nieuwe situaties doet er volgens de raad niet aan af dat de VNG-brochure in bestaande situaties een indicatie kan geven van de te verwachten hinder van bedrijven in verschillende milieucategorieën. In hetgeen [appellante sub 8] en [appellante sub 9] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstanden als uitgangspunt heeft kunnen hanteren bij het toestaan van bedrijfsactiviteiten in verschillende milieucategorieën op onderscheiden delen van het bedrijventerrein.

Ten aanzien van de stelling van [appellante sub 8] en [appellante sub 9] dat de nabijgelegen wijk Zuilen niet kan worden gekwalificeerd als rustige woonwijk heeft de Afdeling hiervoor onder 4.14 en verder bij de bespreking van het beroep van de Stichting, reeds overwogen dat de raad in redelijkheid het gebied langs de Amsterdamsestraatweg als gemengd gebied heeft kunnen kwalificeren en voor het overige de wijk Zuilen grotendeels heeft kunnen aanmerken als rustige woonwijk.

De betogen falen.

11.11. [appellante sub 7] voert aan dat ten onrechte verschillende vormen van zware bedrijvigheid niet meer bij recht zijn toegestaan. Hierbij wijst zij in het bijzonder op de mogelijkheid een bewerkingsinrichting voor darmen en vleesafval, een beenderfabriek, een kunstharsfabriek of een raffinaderij te exploiteren. Deze bedrijfsactiviteiten zijn in de bij het voorliggende plan behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten in andere milieucategorieën ingedeeld dan in voorheen geldende plannen en zijn daarmee niet meer bij recht of in het geheel niet meer toegestaan. Volgens [appellante sub 7] had het plan deze bedrijfsactiviteiten bij recht moeten toestaan. Dat in het plan een bevoegdheid is opgenomen om onder voorwaarden een hogere categorie bedrijvigheid toe te staan maakt dat volgens [appellante sub 7] niet anders, nu deze bevoegdheid te algemeen van aard is en de noodzaak van nadere besluitvorming een flexibele werkwijze van op het bedrijventerrein gevestigde ondernemers hindert. Ook wijst [appellante sub 7] erop dat er bedrijfsactiviteiten zijn, zoals een raffinaderij, waarop de afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing is, omdat die activiteiten in de Lijst van bedrijfsactiviteiten in een te hoge milieucategorie zijn ingedeeld ten opzichte van de milieucategorie die op haar perceel maximaal is toegestaan.

Ook [appellante sub 8] en [appellante sub 9] betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een verlaging van de maximaal toegestane milieucategorie voor bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 10]. Hierbij wijzen zij erop dat het geluid van industrie niet de grootste bron van geluidhinder in Utrecht is en dat de omgeving van het bedrijventerrein Lage Weide van hun bedrijfsvoering nauwelijks hinder ondervindt. Ook wijzen zij erop dat de in de omgeving van Lage Weide ondervonden hinder in de afgelopen jaren al sterk is gereduceerd zonder dat daarvoor een inperking van de maximaal toegestane milieucategorie noodzakelijk was.

11.12. De raad stelt dat het toestaan van bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie dan 4.1 op deze locatie niet aanvaardbaar is, gelet op de afstand tot de nabijgelegen woonwijken.

11.13. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van verschillende aanduidingen voor milieucategorieën bestemd voor bedrijven in de met die aanduidingen aangegeven categorieën.

Ingevolge lid 3.6.2 kunnen burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1:

a. om bedrijven toe te laten in één of twee categorieën hoger of lager dan in lid 3.1 genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden gelijk te zijn aan de in lid 3.1 genoemde categorieën van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten;

b. door bedrijven toe te laten die niet in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voor zover deze bedrijven naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kunnen worden te behoren tot de categorieën van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten, zoals in lid 3.1 genoemd.

11.14. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 7] dat bepaalde bedrijfsactiviteiten, zoals de door [appellante sub 7] genoemde bewerkingsinrichting voor darmen en vleesafval, beenderfabriek, kunstharsfabriek of raffinaderij, nu ten onrechte niet langer bij recht of helemaal niet zijn toegestaan omdat zij in een hogere milieucategorie zijn ingedeeld, overweegt de Afdeling dat de milieucategorieën die in voorheen geldende plannen werden gehanteerd niet één op één vergelijkbaar zijn met de milieucategorieën zoals die worden gehanteerd in bestemmingsplannen van recenter datum. De door [appellante sub 7] genoemde bedrijfsactiviteiten kunnen tegenwoordig zijn ingedeeld in hogere milieucategorieën dan voorheen. Gelet op de nabijheid van woonwijken in de omgeving van het bedrijventerrein Lage Weide heeft de raad bedrijfsactiviteiten in die hogere categorieën op de gronden van [appellante sub 7] niet langer zonder meer willen toestaan. Daarbij is rekening gehouden met de bedrijfsactiviteiten die op die gronden plaatsvinden, zodat bestaande bedrijfsactiviteiten kunnen worden voortgezet. De raad heeft er naar het oordeel van de Afdeling gelet op het voorgaande dan ook in redelijkheid voor kunnen kiezen dergelijke bedrijfsactiviteiten, die nu niet plaatsvinden op de gronden van [appellante sub 7], niet of niet bij recht toe te staan.

De betogen falen.

Betonmortelcentrale en recyclebedrijf

11.15. [appellante sub 8] en [appellante sub 9] voeren aan dat een maatbestemming had moeten worden opgenomen voor de op het perceel [locatie 10] aanwezige betonmortelcentrale. Zij wijzen hierbij in het bijzonder op de situatie waarin de recyclewerkzaamheden zouden worden beëindigd. Zij vrezen dat in die situatie ook de betonmortelcentrale niet langer is toegestaan. Het plan is in zoverre rechtsonzeker, aldus [appellante sub 8] en [appellante sub 9]

Verder betogen zij dat het begrip recyclebedrijf in het plan ten onrechte niet verder is gedefinieerd. [appellante sub 8] en [appellante sub 9] wijzen er in dit verband op dat aan een recyclebedrijf verwante activiteiten in hoge milieucategorieën kunnen vallen en dat de uitleg die het gemeentebestuur geeft aan het begrip recyclebedrijf bepalend kan zijn voor de verdere ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf. De in de planregels opgenomen definitie van een recyclebedrijf is volgens hen vooral te onbepaald, omdat op het perceel Kanaaldijk een innovatief recyclebedrijf wordt geëxploiteerd en activiteiten die verwant zijn aan dit recyclebedrijf in verschillende milieucategorieën kunnen vallen.

11.16. Aan het perceel [locatie 10] zijn in het plan de bestemming "Bedrijventerrein" en onder meer de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - recyclebedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn gronden met die bestemming en aanduidingen bestemd voor bedrijven uit de categorieën 1 tot en met 4.1 uit de Lijst van bedrijfsactiviteiten en voor een recyclebedrijf behorend tot maximaal milieucategorie 5.2.

Ingevolge artikel 1, lid 1.65, wordt in het plan onder een recyclebedrijf verstaan: een bedrijf gericht op het vervaardigen van cement- en betonwaren, alsmede betonmortel met behulp van persen, triltafels of bekistingstrillers, het opnieuw verwerken van afvalmaterialen voor het oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden, en op- en overslag van goederen.

11.17. De op het perceel [locatie 10] gevestigde bedrijven exploiteren daar een innovatief recyclebedrijf en maken in de daar gevestigde betonmortelcentrale nieuwe producten van de afvalstoffen die zij op hetzelfde perceel verwerken. Aan het perceel is een aanduiding toegekend waarmee een recyclebedrijf behorend tot maximaal milieucategorie 5.2 mogelijk wordt gemaakt. De definitie van een recyclebedrijf omvat zowel de productie van cement- en betonwaren en betonmortel als het opnieuw verwerken van afvalmaterialen voor het oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden.

De bezwaren van [appellante sub 8] en [appellante sub 9] tegen deze planregeling richten zich enerzijds op de gestelde onbepaaldheid van de definitie van het begrip recyclebedrijf. Zij vrezen dat zij in de toekomst een verschil van inzicht zullen hebben met het gemeentebestuur over de vraag of bepaalde aspecten van hun bedrijfsvoering wel of niet zijn toegestaan, nu het begrip recyclebedrijf niet alle individuele activiteiten omvat die binnen het bedrijf plaatsvinden. Anderzijds vrezen zij dat de in het plan opgenomen regeling tot gevolg heeft dat na een beëindiging van de recyclewerkzaamheden op het perceel [locatie 10] ook de betonmortelcentrale niet langer is toegestaan, gelet op de relatie die tussen die twee onderdelen van hun bedrijfsvoering wordt gelegd in de definitie van het begrip recyclebedrijf.

Weliswaar is in de hiervoor aangehaalde definitiebepaling geen specifieke omschrijving gegeven van alle bedrijfsactiviteiten die al dan niet deel kunnen uitmaken van een recyclebedrijf, maar in hetgeen [appellante sub 8] en [appellante sub 9] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het in de planregels gehanteerde begrip recyclebedrijf daarom zo onbepaald is dat dit onvoldoende rechtszeker is.

Blijkens de toelichting die de raad ter zitting heeft gegeven was het zijn bedoeling te regelen dat de betonmortelcentrale ook zelfstandig - dus los van de recyclewerkzaamheden - is toegestaan, zodat bij een eventuele beëindiging van de recyclewerkzaamheden op het perceel [locatie 10] nog steeds een betonmortelcentrale kan worden geëxploiteerd. De raad heeft ter zitting naar aanleiding van de betogen van [appellante sub 8] en [appellante sub 9] te kennen gegeven bij nader inzien de opvatting te zijn toegedaan dat de definitie van recyclebedrijf te onbepaald is met betrekking tot de verhouding tussen de recyclewerkzaamheden en de betonmortelcentrale.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - recyclebedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie 10] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en derhalve in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Vertrouwensbeginsel

11.18. [appellante sub 8] en [appellante sub 9] hebben gesteld dat een wethouder van de gemeente Utrecht de toezegging heeft gedaan dat de bestaande bestemmingen en rechten op het bedrijventerrein Lage Weide in stand zouden worden gehouden. Volgens [appellante sub 8] en [appellante sub 9] is deze toezegging ten onrechte genegeerd bij het vaststellen van het thans voorliggende plan.

Over dit betoog dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellante sub 8] en [appellante sub 9] niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat bestaande bestemmingen en rechten in het plan onverkort zouden worden gehandhaafd. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

De betogen falen.

Planschade

11.19. [appellante sub 7] stelt dat zij ten gevolge van de beperking van de mogelijkheden voor bedrijfsactiviteiten op haar perceel schade zal lijden.

Verder stellen [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] dat het waarschijnlijk is dat veel bedrijven op het bedrijventerrein Lage Weide schade zullen lijden als gevolg van de gekozen planregeling. De totale planschade zou volgens hen zo groot kunnen zijn dat het plan daarom economisch niet uitvoerbaar is.

11.20. De raad stelt dat de gemeente Utrecht voldoende financiële middelen beschikbaar heeft om in eventuele planschadeclaims te voorzien.

11.21. [appellante sub 7] vreest dat de waarde van haar gronden op Lage Weide zal dalen ten gevolge van de in het plan voor die percelen opgenomen regeling. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van dat perceel betreft, bestaat echter geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Ten aanzien van de betogen van [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] dat het plan niet uitvoerbaar is omdat de gemeente zal worden geconfronteerd met een groot bedrag aan te vergoeden planschade, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat de gemeente Utrecht over voldoende financiële middelen beschikt om eventueel benodigde vergoedingen van planschade te betalen. [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] hebben niet aannemelijk gemaakt dat die stelling van de raad onjuist is. Voor het oordeel dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is, bestaat dan ook geen aanleiding.

De betogen falen.

Overige beroepsgronden

11.22. [appellante sub 7] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 7] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog faalt.

Conclusie

11.23. In hetgeen [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hiervoor omschreven plandelen is genomen in strijd met artikel 3:2, dan wel artikel 3:46, van de Awb. De beroepen van [appellante sub 7], [appellante sub 8] en [appellante sub 9] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van Strukton N.V. en anderen

Spoorgerelateerde werkzaamheden

12. Strukton N.V. kan zich niet verenigen met de in het plan opgenomen regeling voor de percelen op het bedrijventerrein Lage Weide waarop zij actief is. Het betreft drie percelen aan de Westkanaaldijk 2, de Kantonnaleweg 1 en de Kanaaldijk 18. Strukton N.V. voert diverse bedrijfsactiviteiten uit op deze percelen. Tevens is daar haar hoofdkantoor gevestigd.

Strukton N.V. voert aan dat haar niet duidelijk is of haar bedrijfsactiviteiten die niet zijn gerelateerd aan de productie van beton of prefab in het plan zijn toegelaten. Hierbij wijst zij in het bijzonder op de spoorgerelateerde werkzaamheden die op haar bedrijfslocatie worden uitgevoerd.

12.1. De raad stelt dat de spoorgerelateerde werkzaamheden van Strukton N.V. vallen binnen de in de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen categorie "Wagonbouw- en spoorwegwerkplaatsen algemeen". Dergelijke bedrijfsactiviteiten worden aangemerkt als bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3.2 en zijn derhalve op het gehele terrein van Strukton N.V. toegestaan, aldus de raad.

12.2. In het plan zijn aan alle percelen van Strukton N.V. de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - betonfabriek" toegekend. Aan de noordelijke delen is daarnaast onder meer de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" toegekend. Aan het zuidelijke deel is naast de bestemming "Bedrijventerrein" onder meer de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - betonfabriek" toegestaan het vervaardigen van en bewerken van producten van beton behorend tot maximaal milieucategorie 4.2.

In de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten is met betrekking tot spoorgerelateerde werkzaamheden de categorie "wagonbouw- en spoorwegwerkplaatsen" opgenomen, met als subcategorieën "algemeen" en "met proefdraaien van verbrandingsmotoren>= 1 MW". Eerstgenoemde subcategorie is ingedeeld in milieucategorie 3.2, laatstgenoemde subcategorie in milieucategorie 4.2.

12.3. In het plan zijn binnen de verschillende milieucategorieën de bedrijfsactiviteiten toegestaan die zijn opgenomen in de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten. Volgens de raad kunnen de op de gronden van Strukton N.V. verrichte spoorgerelateerde werkzaamheden worden geschaard onder de categorie "wagonbouw- en spoorwegwerkplaatsen" uit de Lijst van bedrijfsactiviteiten. Dit wordt bevestigd in het deskundigenbericht. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, zodat geconcludeerd kan worden dat de spoorgerelateerde werkzaamheden van Strukton N.V. als zodanig zijn bestemd.

Hoofdkantoor

12.4. Op het bedrijfsterrein van Strukton N.V. is het hoofdkantoor van Strukton N.V. gevestigd, verdeeld over enkele losse kantoorgebouwen aan de Westkanaaldijk en de Kanaaldijk. Zij voert aan dat het hoofdkantoor in het plan ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Volgens haar had het hoofdkantoor in het plan als zelfstandig kantoor moeten worden aangemerkt, omdat het hoofdkantoor niet als ondergeschikte kantoorruimte kan worden beschouwd. Hiertoe wijst Strukton N.V. erop dat maar een klein deel van het hoofdkantoor een directe relatie heeft met de op hetzelfde terrein aanwezige betonfabriek, spoorgerelateerde werkzaamheden en de opslag en onderhoud van materieel. Voor het overige dient het hoofdkantoor voor de aansturing van de activiteiten van Strukton N.V. buiten het bedrijventerrein Lage Weide.

Voorts voert Strukton N.V. aan dat de wijze waarop onzelfstandige kantoren in de planregels zijn toegestaan ertoe leidt dat de ontwikkelingsmogelijkheden van haar bedrijf worden beperkt. In dit verband wijst zij erop dat als het gebruik van een deel van haar bedrijfsgebouwen of -terrein zou worden gewijzigd of beëindigd de verhouding tussen de oppervlakte aan kantoren en de oppervlakte aan bedrijfsruimte wijzigt, hetgeen in strijd zou zijn met het plan.

Tot slot betoogt Strukton N.V. dat de planregel over kantoren op een bedrijventerrein rechtsonzeker is, nu in die planregel verschillende begrippen worden gebruikt waarvan de betekenis niet duidelijk wordt uit de planregels. Ook is het volgens haar rechtsonzeker dat beperkingen aan kantoren hebben te gelden per bedrijf, terwijl op haar gronden tientallen bedrijven zijn gevestigd.

12.5. De raad wijst erop dat het hoofdkantoor van Strukton N.V. is gelegen binnen de grens van de inrichting van Strukton N.V. en stelt dat het kantoor daarmee deel uitmaakt van de inrichting. Daarom is volgens de raad sprake van een ondergeschikt kantoor en is het gebruik van het kantoor als zodanig bestemd.

12.6. Ingevolge artikel 1, lid 1.50, van de planregels, wordt onder kantoor verstaan: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat dient voor de bedrijfsmatige uitoefening van administratieve werkzaamheden en voor zakelijke dienstverlening, alsmede seminars en congressen die ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie van een kantoorhoudende onderneming en kunnen worden beschouwd als onderdeel van de kantoorfunctie.

Ingevolge lid 1.76 wordt onder zelfstandig kantoor verstaan: een kantoor dat niet ondergeschikt is aan en niet samenhangt met andere, ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden onder meer bestemd voor aan de bedrijfsactiviteiten ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte onder de volgende voorwaarden:

1. voor reeds bestaande gebouwen waarin de verhouding kantoorruimte en bedrijfsruimte reeds 50-50% is, geldt dat per bedrijf een maximum van 50% van de brutovloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen voor ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte mag worden gebruikt;

2. voor nieuwbouw geldt voor bedrijven tot 500 m² brutovloeroppervlakte een maximum van 50% van de brutovloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen voor ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte en minimaal 50% voor bedrijfsruimte;

3. voor overige nieuwbouw, inclusief uitbreidingen, geldt dat minimaal 70% van de brutovloeroppervlakte gebruikt moet worden voor bedrijfsruimte en niet meer dan 30% van de brutovloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen voor ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte mag bedragen, doch ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bevi', met een maximum van 1500 m²;

4. voor reeds bestaande gebouwen waarvan de verhouding kantoorruimte en bedrijfsruimte afwijkt van het bepaalde onder 1., 2. en 3. mag de bestaande verhouding worden gehandhaafd.

Ingevolge lid 3.1, aanhef en onder d, zijn gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "kantoor", tot maximaal de bestaande brutovloeroppervlakte van het gebouw dat een kantooraanduiding heeft, bestemd voor een zelfstandig kantoor.

Laatstgenoemde aanduiding is niet toegekend aan het bedrijfsterrein van Strukton N.V.

12.7. In het plan is op het bedrijfsterrein van Strukton N.V. alleen aan de bedrijfsactiviteiten ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte toegestaan. De vraag die voorligt is of het hoofdkantoor van Strukton N.V. kan worden aangemerkt als kantoorruimte die ondergeschikt is aan en samenhangt met de bedrijfsactiviteiten die plaatsvinden op de locaties van Strukton N.V. op het bedrijventerrein Lage Weide. In de plantoelichting wordt uiteengezet dat de ondergeschiktheid van kantoren ziet op de bedrijfsactiviteiten in ruime zin. Zolang de kantoren maar ondergeschikt zijn aan de bedrijfsactiviteiten in ruime zin ten behoeve van het specifieke op het terrein gevestigde bedrijf worden ze als ondergeschikt beschouwd.

In het deskundigenbericht wordt opgemerkt dat het overgrote deel van de hoofdkantoorgebouwen van Strukton N.V. wordt gebruikt voor werkplekken voor personeel dat kantoorwerkzaamheden uitvoert die geen relatie hebben met de betonfabriek of werkplaatsen in het plangebied, maar met activiteiten elders. Ter zitting heeft Strukton N.V. toegelicht dat de betonfabriek en werkplaatsen in het plangebied hun eigen ondergeschikte kantoorpanden hebben die dienen ter ondersteuning van de in de betonfabriek en werkplaatsen plaatsvindende bedrijfsactiviteiten. De kantoorvoorzieningen in het hoofdkantoor dienen ter aansturing en ondersteuning van het gehele bedrijf van Strukton N.V., dat ook op veel andere locaties in Nederland werkzaamheden verricht. Van het personeel dat werkzaam is in het hoofdkantoor verricht volgens Strukton N.V. een verwaarloosbaar klein deel werkzaamheden voor bedrijfsactiviteiten die op Lage Weide zelf plaatsvinden. De raad heeft dat niet weersproken. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte op het standpunt gesteld dat het hoofdkantoor van Strukton N.V. kan worden aangemerkt als aan de bedrijfsactiviteiten op Lage Weide ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte en is de Afdeling van oordeel dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat het hoofdkantoor van Strukton N.V. als zodanig is bestemd.

Voorts heeft Strukton N.V. betoogd dat de wijze waarop de verhouding tussen kantoor- en bedrijfsruimte in het plan is geregeld, niet rechtszeker is. Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels voorziet in voorschriften over de verhouding tussen kantoorruimte en bedrijfsruimte in bestaande en in nieuwe bedrijfsgebouwen. Vast staat dat de kantoorgebouwen op het bedrijfsterrein van Strukton N.V. al decennia aanwezig zijn en dus als reeds bestaande gebouwen moeten worden aangemerkt. Voor reeds bestaande gebouwen waarin de verhouding tussen kantoorruimte en bedrijfsruimte reeds 50% tegen 50% is, geldt dat per bedrijf een maximum van 50% van de brutovloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen voor ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte mag worden gebruikt. In het geval dat bij reeds bestaande gebouwen voornoemde verhouding daarvan afwijkt, mag de bestaande verhouding worden gehandhaafd.

Strukton N.V. heeft gewezen op de situatie waarin zij één van haar percelen zou afstoten, in welk geval de verhouding tussen bedrijfsruimte en kantoorruimte drastisch zou veranderen en een van de in de planregels opgenomen hoofdregel afwijkende verhouding daartussen niet langer zou worden beschermd door de in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, onder 4, van de planregels opgenomen regeling voor bestaande situaties. Bij Strukton N.V. zou die situatie zich kunnen voordoen als zij bijvoorbeeld de huur zou opzeggen van het zuidelijk deel van haar bedrijfsterrein. In dat geval zou de verhouding tussen kantoorruime en bedrijfsruimte wijzigen, hetgeen niet is toegestaan op grond van voornoemd artikel uit de planregels, terwijl Strukton N.V. haar kantoorruimte niet heeft uitgebreid. Het gebruik van de kantoorruimte zou daarmee niet langer geheel als zodanig zijn bestemd. Het plan voorziet niet in een regeling voor deze situatie. Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat de genoemde planregeling onvoldoende houvast biedt in dergelijke situaties en daarom in zoverre niet rechtszeker is.

De betogen van Strukton N.V. slagen.

Begrenzing bestemmingsvlak

12.8. Strukton N.V. voert aan dat het bestemmingsvlak voor de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - betonfabriek" ter plaatse van haar bedrijfsterrein ten onrechte te beperkt van omvang is. Hiertoe wijst zij erop dat een ten noorden van het spoor bij haar in gebruik zijnde strook grond buiten het vlak met voornoemde bestemming valt. Dat deze strook grond eigendom zou zijn van een derde, wat daar ook van zij, is volgens Strukton N.V. onvoldoende reden om aan de bij haar in gebruik zijnde strook niet dezelfde bestemming en aanduidingen toe te kennen als aan de rest van haar bedrijfsterrein.

12.9. De raad stelt dat de begrenzing van het bestemmingsvlak aansluit bij de grens van de inrichting van Strukton N.V. en dat Strukton N.V. kennelijk naast hoofdspoorwegen gelegen gronden anders gebruikt dan waarvoor deze zijn bestemd. Nu niet is gebleken dat Strukton N.V. daarvoor een vergunning heeft op grond van de Spoorwegwet en evenmin is gebleken dat zij daarover afspraken heeft gemaakt met de eigenaar van de gronden, bestaat geen aanleiding het feitelijk bestaande gebruik als zodanig te bestemmen, aldus de raad.

12.10. Het noordelijk en het zuidelijk deel van het bedrijfsterrein van Strukton N.V. worden van elkaar gescheiden door een spoorweg. Volgens Strukton N.V. zijn aan een strook grond aan de noordzijde van de spoorweg ten onrechte niet de bestemming en aanduidingen toegekend die ook zijn toegekend aan de rest van het noordelijk deel van haar bedrijfsterrein. hoewel deze strook wel bij haar in gebruik is voor haar bedrijfsactiviteiten. Vast staat dat de strook grond wel bij Strukton N.V. in gebruik is voor de opslag van betonelementen. De raad heeft erop gewezen dat deze strook niet in eigendom is bij Strukton N.V. en dat dit gebruik daarom niet als zodanig kon worden bestemd. Eigendomsverhoudingen zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel echter niet van doorslaggevende betekenis. De raad heeft zich verder op het standpunt gesteld dat dit gebruik niet als zodanig kon worden bestemd omdat voor dit gebruik van gronden naast een hoofdspoorweg een vergunning op grond van de Spoorwegwet noodzakelijk is. Deze stelling heeft de raad evenwel niet onderbouwd. De raad heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat deze vergunning niet zou kunnen worden verleend als Strukton N.V. die zou aanvragen en dat deze vergunningplicht daarom aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom aan deze bij Strukton N.V. in gebruik zijnde strook grond niet dezelfde bestemming en aanduidingen konden worden toegekend als aan de rest van het noordelijk deel van het bedrijfsterrein van Strukton N.V. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 3:46 van de Awb, voor zover dit betrekking heeft op de genoemde strook grond van Strukton N.V. aan de noordzijde van de spoorweg.

Maximale bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

12.11. Strukton N.V. betoogt dat het plan voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten onrechte voorziet in een maximale bouwhoogte van 15 meter, terwijl op haar bedrijfsterrein voor gebouwen een maximale bouwhoogte van 30 meter geldt. Dit is inconsequent, ook omdat voor specifieke bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wel aanzienlijk hogere bouwhoogten dan 15 meter worden toegelaten, aldus Strukton N.V. Zij wijst er in dit verband ook op dat voor havenkranen een hogere maximale bouwhoogte geldt, maar dat die hogere maximale bouwhoogte niet geldt voor andersoortige kranen, zoals de kranen die op haar bedrijfsterrein aanwezig zijn. Dat alleen een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen voor hogere silo’s en vergelijkbare installaties en dat bestaande bouwwerken met een afwijkende bouwhoogte niet mogen worden verplaatst zonder dat een met het plan strijdige situatie ontstaat, acht Strukton B.V. ook onnodig beperkend.

12.12. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, gelden de volgende voorschriften voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 15 meter bedragen;

b. het bepaalde onder a. geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter geleiding, begeleiding en regeling van het verkeer;

c. in afwijking van het bepaalde onder a., mag de bouwhoogte van palen en masten niet meer dan 6 meter bedragen;

d. in afwijking van het bepaalde onder a., mag de bouwhoogte van schoorstenen niet meer dan 30 meter bedragen;

e. in afwijking van het bepaalde onder a., mag de bouwhoogte van antennemasten niet meer dan 55 meter bedragen;

f. in afwijking van het bepaalde onder a., mag de bouwhoogte van havenkranen niet meer dan 30 meter bedragen;

g. in afwijking van het bepaalde onder a., mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 meter bedragen;

h. bestaande bouwwerken die niet voldoen aan het bepaalde genoemd onder a. t/m g., mogen worden gehandhaafd en vernieuwd, maar de afwijking mag niet worden vergroot.

Ingevolge lid 3.4.3 kunnen burgemeester en wethouders door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a, voor de bouw van silo’s en vergelijkbare installaties met een bouwhoogte tot maximaal 45 meter onder de voorwaarde dat dit noodzakelijk is voor en de silo/installatie deel uitmaakt van de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf.

12.13. Zoals hiervoor onder 5.19 is overwogen bij de bespreking van het beroep van [appellante sub 2], heeft de raad ten onrechte niet onderbouwd waarom specifiek voor de in het plan toegestane maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is gekozen, in het licht van de omstandigheden dat het bedrijventerrein Lage Weide is bedoeld voor grootschalige, zwaardere bedrijvigheid, waarbij hogere bouwwerken noodzakelijk zijn, en dat op grote delen van het bedrijventerrein de bouw van aanmerkelijk hogere gebouwen bij recht is toegestaan. Op grote delen van de percelen van Strukton N.V. is bijvoorbeeld voor gebouwen een maximale bouwhoogte van 30 meter toegestaan. Artikel 3, lid 3.2.2, onder a, van de planregels is dan ook vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

12.14. In het plan is een aparte maximale bouwhoogte van 30 meter opgenomen voor havenkranen. Strukton N.V. heeft aangevoerd dat zij op haar perceel reguliere kranen in gebruik heeft die aanmerkelijk hoger zijn dan de voor reguliere kranen geldende maximale bouwhoogte van 15 meter en meent dat het inconsequent is dat voor havenkranen wel een afwijkende maximale bouwhoogte in de planregels is opgenomen. Ter zitting heeft de raad in reactie op dit betoog van Strukton N.V. te kennen gegeven dat de afwijkende bouwhoogte voor havenkranen van 30 meter bij nader inzien ook zou moeten gelden voor reguliere kranen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft artikel 3, lid 3.2.2., aanhef en onder f, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en derhalve in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

12.15. Tot slot heeft Strukton N.V. betoogd dat het plan het ten onrechte niet mogelijk maakt dat bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die de daarvoor geldende maximale bouwhoogte overschrijden, mogen worden verplaatst. In dit verband heeft Strukton N.V. erop gewezen dat op haar bedrijfsterrein verschillende bouwwerken en installaties in gebruik zijn en dat haar bedrijfsvoering vereist dat die bouwwerken en installaties kunnen worden verplaatst. Weliswaar mogen bestaande bouwwerken die niet voldoen aan de daarvoor geldende maximale bouwhoogte worden gehandhaafd en vernieuwd zolang de afwijking niet wordt vergroot, maar volgens Strukton N.V. beschermt deze regeling niet bouwwerken die de maximale bouwhoogte overschrijden en worden verplaatst.

Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het plan voor deze situatie ook in een regeling voorziet. Volgens hem behelst artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder h, van de planregels ook de mogelijkheid om bestaande bouwwerken die de in de planregels opgenomen maximale bouwhoogte overschrijden, te verplaatsen. Naar het oordeel van de Afdeling kan onder de zogenoemde bestaande maten-regeling die in voornoemd artikeldeel is opgenomen echter niet de mogelijkheid worden verstaan bouwwerken als hiervoor bedoeld te verplaatsen, nu dat artikeldeel alleen spreekt over handhaven en vernieuwen en niet over verplaatsen. De raad heeft derhalve niet geregeld hetgeen hij blijkens zijn toelichting ter zitting heeft beoogd te regelen. Het plan is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is daarom in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Conclusie

12.16. In hetgeen Strukton N.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hiervoor omschreven plandelen is genomen in strijd met de rechtszekerheid, dan wel in strijd met artikel 3:2 of artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van Strukton N.V. is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 11]

13. [appellante sub 11] exploiteert op het perceel aan de [locatie 11] een groothandel in bouw- en houtmaterialen alsmede een zogenoemde platerij. Volgens [appellante sub 11] zijn dit twee separate bedrijven die zowel in technisch, functioneel en bouwkundig opzicht van elkaar zijn gescheiden. Volgens haar heeft de raad het bedrijf ten onrechte aangemerkt als één bouwbedrijf vallend in milieucategorie 3.2, waardoor de groothandel in bouw- en houtmaterialen niet als zodanig is bestemd. Volgens haar had het in de rede gelegen aan de groothandel een maatbestemming toe te kennen.

Voorts betoogt [appellante sub 11] dat gelet op de systematiek van inwaartse zonering die bij de vaststelling van het plan is toegepast, ten onrechte niet bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5.2 is toegestaan. Zij wijst er in dat kader op dat wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure.

13.1. De raad stelt dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse alle kunnen worden geschaard onder milieucategorie 3.2. Nu gebleken is dat de afstand tot het woongebied minimaal 700 meter bedraagt, acht de raad het toekennen van milieucategorie 5.2 bij nader inzien aanvaardbaar.

13.2. Aan het perceel aan de [locatie 11] is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijf van categorie 3.2 tot en met 5.1". Op grond van artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels zijn ter plaatse bedrijven en activiteiten uit de bijlage Lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan in milieucategorie 3.2 tot en met 5.1.

13.3. Ten aanzien van de maximale toegestane milieucategorie 5.1 aan het perceel [locatie 11] heeft de raad in de reactie op het beroepschrift erkend dat wordt voldaan aan de minimaal aan te houden afstand voor het toekennen van milieucategorie 5.2. en aangegeven dat hij daar geen bezwaar tegen heeft. Nu de raad zich aldus op een ander standpunt stelt dan bij het nemen van het bestreden besluit, zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het plan voor zover aan de gronden ter plaatse van het perceel [locatie 11] de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijf van categorie 3.2 tot en met 5.1" is toegekend, vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Dit betoog van [appellante sub 11] slaagt.

13.4. Blijkens de stukken is de raad bij het vaststellen van de bestemming voor de gronden ter plaatse van het perceel [locatie 11] uitgegaan van de bedrijfsactiviteiten "Houtconserveringsbedrijven", "Fineer- en plaatmaterialenfabrieken" en "Bouwbedrijven". Gelet op de bijbehorende SBI-codes uit de Lijst van bedrijfsactiviteiten, betreffen dit activiteiten in milieucategorie 3.2.

In het deskundigenbericht is vermeld dat in het oostelijke gedeelte op het perceel sinds 1964 een groothandel in bouw- en houtmaterialen wordt geëxploiteerd. In het westelijke gedeelte wordt sinds 1990 een zogenoemde plaatwerkerij geëxploiteerd. Niet in geschil is dat de plaatwerkerij als zodanig is bestemd. De vraag die voorligt, is of de op het perceel aanwezige groothandel in bouw- en houtmaterialen als zodanig is bestemd. De Afdeling beantwoordt deze vraag ontkennend. Tussen partijen is niet in geschil dat de groothandelsactiviteiten in milieucategorie 3.1 vallen. Nu op grond van de aanduiding uitsluitend bedrijven in milieucategorie 3.2 en hoger zijn toegestaan, is de groothandel niet als zodanig bestemd. De stelling van de raad dat het bedrijf van [appellante sub 11] moet worden aangemerkt als één inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, is voor de vraag of de groothandel als zodanig is bestemd in het plan niet doorslaggevend.

Het betoog van [appellante sub 11] slaagt.

Conclusie

13.5. In hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijf van categorie 3.2 tot en met 5.1" die is toegekend aan het perceel [locatie 11], is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 11] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 12]

VNG-brochure

13.6. [appellante sub 12], wonend aan de [locatie 12], betoogt dat voor de woningen aan de Kantonnaleweg ten onrechte is uitgegaan van gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure, als gevolg waarvan kortere richtafstanden zijn aangehouden ten opzichte van haar woning. Volgens [appellante sub 12] is sprake van een rustige woonwijk omdat de wijk beperkt toegankelijk is voor bedrijfsmatig verkeer, geen sprake is van een gebied met een variatie aan functies en de woningen ruimtelijk en visueel zijn gescheiden van de omliggende bedrijven.

13.7. De raad stelt dat de woningen aan de Kantonnaleweg als gemengd gebied zijn aangemerkt omdat het gaat om één rij woningen die volledig wordt ingeklemd door industriegebied. De raad acht de omstandigheid dat rond het woongebied is voorzien in een groenzone en een naar aard, maatvoering en bebouwingsdichtheid beperkte industriële bestemming geen omstandigheid die maakt dat het gebied als een rustige woonwijk dient te worden gekwalificeerd.

13.8. Vast staat dat de raad bij het toekennen van verschillende milieucategorieën de woningen aan de Kantonnaleweg als gemengd gebied heeft gekwalificeerd als bedoeld in de VNG-brochure en de daarbij behorende richtafstanden heeft aangehouden.

Het omgevingstype "rustige woonwijk" in de VNG-brochure wordt omschreven als een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied, aldus de VNG-brochure.

Volgens de VNG-brochure is een gemengd gebied een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren volgens de VNG-brochure eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van de te hanteren afstand voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen.

Uit de stukken en de door [appellante sub 12] bij het beroepschrift gevoegde bijlagen, blijkt dat de woningen aan de Kantonnaleweg worden omringd door bedrijven. Gelet hierop acht de Afdeling het niet onjuist dat de raad is uitgegaan van een gemengd gebied. Dat, zoals [appellante sub 12] stelt, in de uitspraken met betrekking tot het bestemmingsplan "Lage Weide Noord" van 7 oktober 1976 en "Maarsenbroeksedijk" van 19 november 1984, is uitgegaan van een rustig woongebied laat onverlet dat de raad bij de vaststelling van het plan de ruimtelijke situatie opnieuw dient te beoordelen en tot andere inzichten kan komen wat betreft de typering van het gebied. Ook de stelling van [appellante sub 12] dat aan de Kantonnaleweg geen sprake is van een gebied met een variatie aan functies, leidt niet tot een ander oordeel. In de VNG-brochure is geen grondslag te vinden voor het standpunt dat voor de typering van de omgeving uitsluitend de functies aan de Kantonnaleweg bepalend zijn. Ook in de omstandigheid dat de woningen door middel van groenvoorzieningen zijn afgeschermd van de omliggende bedrijven en de Kantonnaleweg zelf niet wordt gebruikt voor verkeer ten behoeve van de bedrijven, leidt niet tot een ander oordeel.

Dit betoog van [appellante sub 12] faalt.

Aan huis verbonden bedrijven

13.9. [appellante sub 12] richt zich voorts tegen artikel 11, lid 11.1 en lid 11.3.1, onder c, d en e, van de planregels. Volgens haar leiden deze planregels ertoe dat vrijwel alle bedrijfssoorten in categorie A en B1 van de Lijst Bedrijven Functiemenging ter plaatse van de bestemming "Wonen" zijn toegestaan terwijl de raad niet heeft onderzocht of behoefte bestaat aan de vestiging van bedrijven aan huis, noch wat de mogelijke ruimtelijke- en milieueffecten daarvan zijn. Zij vreest in dat verband voor overlast in de vorm van verkeer, parkeren, geluid, geur, stof en veiligheid. Als voorbeeld noemt zij de opslag van consumentenvuurwerk met een omvang van minder dan 10 ton die op de Lijst Bedrijven Functiemenging is aangemerkt als een B1 bedrijf. Verder betoogt zij dat voor categorie B bedrijven een richtafstand geldt van 30 meter, die volgens haar niet kan worden gehaald. Daarnaast is volgens haar het aantal werknemers ten onrechte niet begrensd en betwijfelt zij of vanwege de beperking in lid 11.3.1, onder d, dat geen sprake mag zijn van verkeersaantrekkende activiteiten, de mogelijkheid bestaat om categorie A bedrijven te vestigen omdat altijd sprake zal zijn van een toename van verkeer.

Tot slot betoogt [appellante sub 12] dat de voorwaarde onder c van lid 11.3.1, dat sprake moet zijn van een bedrijf waarvoor geen omgevingsvergunning inzake het aspect milieu is vereist, onvoldoende beperkend is omdat bedrijven die meldingsplichtig zijn op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer daarmee niet zijn uitgesloten.

13.10. De raad stelt dat voor bedrijven in de Lijst Bedrijven Functiemenging en bedrijfsactiviteiten de richtafstanden niet van toepassing zijn. Het toestaan van bedrijven in categorie A en B1 acht de raad ter plaatse aanvaardbaar gezien de omvang en ligging van de percelen en de maximaal toegestane vloeroppervlakte die ten behoeve van een bedrijf aan huis mag worden benut. De vestiging van bedrijven met een industrieel karakter is met deze planregeling uitgesloten, aldus de raad.

Voorts erkent de raad dat de opslag van consumentenvuurwerk met een omvang van minder dan 10 ton ten onrechte is aangemerkt als een bedrijf die in categorie B valt.

13.11. Aan de gronden ter plaatse van de woningen aan de Kantonnaleweg is de bestemming "Wonen" toegekend. Op grond van artikel 11, lid 11.1, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor woningen met de daarbij behorende tuinen en erven en in samenhang daarmee voor een aan-huis-verbonden beroep of -bedrijf of een bed & breakfast.

Op grond van lid 11.3.1, is de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of -bedrijf in samenhang met wonen uitsluitend toegestaan indien:

a. de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of -bedrijf niet groter is dan 1/3 deel van het vloeroppervlak van de woning, tot een maximum van 40 m2, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken;

b. de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep of -bedrijf, maximaal 40 m2 bedraagt, indien het beroep of bedrijf aan huis in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;

c. het, in geval van bedrijfsactiviteiten, bedrijfsactiviteiten betreft in maximaal categorie A of B1 van de Lijst van Bedrijven functiemenging en bedrijfsactiviteiten waarvoor geen omgevingsvergunning inzake het aspect milieu is vereist;

d. er geen sprake is van verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;

e. in afwijking van het gestelde onder a. mag, indien de vloeroppervlakte van de woning groter is dan 150 m2, de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of -bedrijf maximaal 60 m2, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, bedragen;

f. in afwijking van het gestelde onder b. mag, indien de vloeroppervlakte van de woning groter is dan 100 m2, de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of -bedrijf maximaal 60 m2 bedragen;

13.12. In de VNG-brochure wordt voor gemengde gebieden, waarin men te maken heeft met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, het begrip "gebied met functiemenging" gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn. Volgens de VNG-brochure wordt in gebieden met functiemenging niet gewerkt met richtafstanden. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies wordt in dergelijke gebieden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijk relevante milieucategorieën A, B en C.

In de toelichting bij de Lijst van Bedrijven functiemenging is vermeld dat het bij categorie A gaat om bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, desgewenst in daarvoor omschreven zones binnen rustige woongebieden. Bij categorie B1 gaat het om bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een gebied met functiemenging zijn toegestaan. Voor de activiteiten in beide categorieën is vermeld dat deze zodanig weinig milieubelastend zijn dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn.

13.13. Ten aanzien van de toegestane bedrijven aan huis is de Lijst van Bedrijven functiemenging van toepassing verklaard, waarin de toelaatbaarheid van milieubelastende functies wordt beoordeeld aan de hand van de ruimtelijk relevante milieucategorieën A, B en C.

In de toelichting op de Lijst van Bedrijven functiemenging is vermeld dat de activiteiten die staan vermeld in de lijst in het algemeen qua aard en schaal sterk verschillen van de activiteiten op een bedrijventerrein. Behalve in historisch gegroeide situaties gaat het in hoofdzaak om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid, bedrijven waarbij de productie en/of laad- en loswerkzaamheden alleen in de dagperiode plaatsvindt en activiteiten die hoofdzakelijk inpandig geschieden. In aanmerking genomen de beperking in de planregels ten aanzien van het maximale vloeroppervlak, dat geen sprake mag zijn van bedrijfsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning inzake het aspect milieu noodzakelijk is en geen sprake mag zijn van activiteiten met een verkeersaantrekkende werking die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toestaan van aan huis verbonden beroep of bedrijf binnen de bestemming "Wonen" aanvaardbaar is. De raad heeft gezien de beperkingen geen aanleiding hoeven zien een nadere begrenzing op te nemen met betrekking tot het aantal werknemers zoals [appellante sub 12] betoogt. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand dient te worden betwijfeld dat bedrijven in categorie A kunnen worden gevestigd vanwege de beperking ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking.

Dit betoog van [appellante sub 12] faalt.

13.14. Ten aanzien van het betoog dat met het bepaalde onder c, van lid 11.3.1 niet is uitgesloten dat bedrijven die meldingsplichtig zijn op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn toegestaan, heeft de raad ter zitting erkend dat het gebruik van de term "bedrijfsactiviteiten" onder c, van lid 11.3.1, waar staat: "en bedrijfsactiviteiten waarvoor geen omgevingsvergunning inzake het aspect milieu is vereist" tot verwarring kan leiden. Niet is beoogd andere bedrijfsactiviteiten mogelijk te maken dan die zijn genoemd in de Lijst van Bedrijven functiemenging. Nu de raad zich aldus op een ander standpunt stelt dan bij het nemen van het besluit, zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het plan, voor zover het betreft de woorden "en bedrijfsactiviteiten" in lid 11.3.1, onder c, vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Dit betoog van [appellante sub 12] slaagt.

14. Voorts heeft de raad erkend dat de opslag van consumentenvuurwerk met een omvang van minder dan 10 ton in de Lijst van Bedrijven functiemenging ten onrechte is aangemerkt als een bedrijf die in categorie B valt in plaats van categorie C. Nu de raad zich op een ander standpunt stelt dan bij het nemen van het besluit, zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het plan, voor zover het betreft de Lijst van Bedrijven functiemenging, betreffende SBI-code 2008, 46499, nr. 1, consumentenvuurwerk, verpakt, opslag, < 10 ton, voor zover dit is aangemerkt als categorie B1, vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Dit betoog van [appellante sub 12] slaagt.

Omgevingsvergunning ander soort bedrijf

14.1. [appellante sub 12] kan zich niet verenigen met de in artikel 3, lid 3.6.2, van de planregels opgenomen mogelijkheid om door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning bedrijven in twee milieucategorieën hoger toe te staan. Zij wijst erop dat hiermee de door de raad gehanteerde plansystematiek van inwaartse zonering teniet wordt gedaan en dat bij nieuwvestiging of wijziging bedrijven reeds de best beschikbare technieken moeten toepassen. Met dit laatste kan volgens haar worden betwijfeld of de afwijkingsbevoegdheid uitvoerbaar is.

Verder is volgens [appellante sub 12] aannemelijk dat deze bepaling zal worden toegepast voor bedrijven in de hoogste milieucategorieën terwijl de milieubelasting vanwege deze bedrijven al het grootst is. De gevolgen van deze bepaling, in het bijzonder voor haar woon- en leefklimaat, zijn door de raad ten onrechte niet onderzocht, zo stelt zij.

Tot slot betoogt [appellante sub 12] dat met de afwijkingsbevoegdheid geen sprake is van een wijziging van ondergeschikte betekenis. Ook hierdoor kan lid 3.6.2 volgens haar niet in stand blijven.

14.2. De raad stelt dat met de voorwaarden in de afwijkingsbevoegdheid wordt geborgd dat de toepassing ervan niet leidt tot een wezenlijk ander gebruik van de bedrijfsgronden of tot een hogere milieubelasting. Evenmin zal sprake zijn van een aantasting van het woon- en leefklimaat, aldus de raad.

14.3. Op grond van artikel 3, lid 3.6.2, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1:

a. om bedrijven toe te laten in één of twee categorieën hoger of lager dan in lid 3.1 genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden gelijk te zijn aan de in lid 3.1 genoemde categorieën van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten;

b. door bedrijven toe te laten die niet in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voor zover deze bedrijven naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kunnen worden te behoren tot de categorieën van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten, zoals in lid 3.1 genoemd.

14.4. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels.

Met deze bepaling kan de bevoegdheid worden gecreëerd op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Een afwijkingsregeling kan slechts betrekking hebben op planregels. Niet kan worden afgeweken van de in de verbeelding opgenomen bestemmingen. Toepassing van een afwijkingsregeling mag evenmin het effect hebben dat feitelijk de bestemming van gronden wordt gewijzigd.

14.5. De Afdeling overweegt dat indien de raad in een nieuw plan ontwikkelingen mogelijk wil maken met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, hij deze bij de vaststelling van het plan moet beoordelen. Bij algemene afwijkingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op specifieke locaties, zoals thans het geval is, kan de raad volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat belanghebbenden tegen de toepassing van deze afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat met de afwijkingsbevoegdheid in lid 3.6.2 het gebruik van de gronden zodanig afwijkt van het reeds toegestane gebruik dat sprake is van een andere bestemming. Dat de afwijkingsbevoegdheid van toepassing is op alle gronden met de bestemming "Bedrijventerrein", doet er niet aan af dat het mogelijk te maken gebruik niet wezenlijk verschilt van het reeds toegestane gebruik.

Voorts overweegt de Afdeling dat niet op voorhand vaststaat dat de afwijkingsbevoegdheid niet uitvoerbaar is omdat de bedrijven moeten voldoen aan de beste beschikbare technieken, reeds omdat het begrip ‘best beschikbare technieken’ een dynamisch begrip is en daarmee aan verandering onderhevig is.

14.6. Nu in de afwijkingsbevoegdheid in lid 3.6.2 als voorwaarde is opgenomen dat het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden gelijk te zijn aan de op grond van lid 3.1 toegestane bedrijvigheid, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het behoud van het woon- en leefklimaat van [appellante sub 12] in onvoldoende mate is gewaarborgd.

Ten aanzien van het betoog dat met de afwijkingsbevoegdheid afbreuk wordt gedaan aan de systematiek van inwaartse zonering die de raad bij de vaststelling van het plan heeft gehanteerd en waarbij aan de hand van de richtafstanden in de VNG-brochure aan de gronden een bepaalde milieucategorie is toegekend, overweegt de Afdeling dat blijkens de plantoelichting het toepassen van een inwaartse zonering onder meer ten doel heeft het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies. Nu toepassing van de afwijkingsbevoegdheid niet mag leiden tot een bedrijf dat naar aard en invloed andere gevolgen heeft op de omgeving, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afwijkingsbevoegdheid zich verdraagt met de systematiek van inwaartse zonering in het plan.

Dit betoog faalt.

Betonfabriek aan de Kantonnaleweg 1

14.7. [appellante sub 12] kan zich niet verenigen met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - betonfabriek" voor het perceel aan de Kantonnaleweg 1. Zij wijst er allereerst op dat op het perceel geen betonfabriek aanwezig is. Voorts wijst zij erop dat ten opzichte van haar woning niet wordt voldaan aan de richtafstand die geldt voor een betonfabriek. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - betonfabriek" bij de vaststelling van het plan is opgenomen en of hierdoor ter plaatse van haar woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, aldus [appellante sub 12].

14.8. De raad stelt dat betonfabriek Strukton N.V. beschikt over een omgevingsvergunning voor het aspect milieu voor het in werking hebben van een inrichting voor onder meer het vervaardigen van betonmortel en betonmortelproducten. Omdat deze omgevingsvergunning zich tevens uitstrekt over het perceel aan de Kantonnaleweg 1 dient dit als zodanig in het plan te worden bestemd, aldus de raad.

14.9. Aan het perceel aan de Kantonnaleweg 1 is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met, voor zover van belang, de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - betonfabriek". Op grond van artikel 3, lid 3.1, onder a en b, van de planregels zijn de gronden met deze aanduiding bestemd voor het vervaardigen van en bewerken van producten van beton behorend tot maximaal milieucategorie 4.2.

14.10. Ter zitting heeft Strukton N.V. toegelicht dat op het perceel Kantonnaleweg 1 geen betonfabriek aanwezig is en dat dit gezien de huidige bedrijfsvoering ook geen reëel scenario is. Wel is het perceel bij Strukton N.V. in gebruik voor onder meer opslagdoeleinden ten behoeve van de betonfabriek. Zowel Strukton N.V. als de raad hebben aangegeven in te kunnen stemmen met een aanpassing van de aanduiding op het perceel, in die zin dat het geheel aan activiteiten ten behoeve van de betoncentrale is toegestaan, met uitzondering van de betoncentrale zelf. Nu de raad zich op een ander standpunt stelt dan bij het nemen van het besluit, zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het plan wat betreft de aanduiding ""specifieke vorm van bedrijf - betonfabriek" voor het perceel aan de Kantonnaleweg 1 vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Dit betoog van [appellante sub 12] slaagt.

Conclusie

14.11. In hetgeen [appellante sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover dat ziet op het gebruik van de term "en bedrijfsactiviteiten" onder c, van lid 11.3.1, waar staat: "en bedrijfsactiviteiten waarvoor geen omgevingsvergunning inzake het aspect milieu is vereist", voor zover de opslag van consumentenvuurwerk met een omvang van minder dan 10 ton in de Lijst van Bedrijven functiemenging is aangemerkt als een bedrijf die in categorie B en voor zover aan het perceel Kantonnaleweg 1 de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - betonfabriek" is toegekend. Het beroep van [appellante sub 12] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Algemene conclusie

15. De Afdeling heeft in deze uitspraak naar aanleiding van de beroepen op een aantal onderdelen van het plan gebreken geconstateerd, zodat het plan op die onderdelen moet worden vernietigd. Gelet op de systematiek van het plan en de aard en omvang van de hiervoor geconstateerde gebreken, zal de Afdeling het gehele plan vernietigen op de navolgende wijze.

Gelet op de omstandigheid dat de voorheen geldende planologische regimes voor grote delen van het plangebied sterk verouderd zijn en voor sommige delen van het plangebied in het geheel niet meer kan worden teruggevallen op een voorheen geldend plan, ziet de Afdeling met het oog op de belangen van zowel de op Lage Weide gevestigde bedrijven als die van omwonenden van Lage Weide aanleiding de raad op te dragen binnen 52 weken na deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen voor het bedrijventerrein.

In aansluiting op het vorenstaande ziet de Afdeling na afweging van alle belangen tevens aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat tot de datum van een nieuw plan het onderhavige plan "Lage Weide" blijft gelden, met uitzondering van de aanduiding "spoorweg" ter plaatse van de bestemming "Bedrijventerrein" voor zover deze aanduiding is toegekend aan de gronden ter plaatse van het Amsterdam-Rijnkanaal, artikel 3, lid 3.4.3, van de planregels voor zover het betreft de zinsnede "en vergelijkbare", artikel 3, lid 3.6.1, van de planregels, artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - betonfabriek" die is toegekend aan het perceel Kantonnaleweg 1. De Afdeling ziet aanleiding tot het treffen van voormelde voorzieningen teneinde te voorkomen dat in de tijd tussen de uitspraak van de Afdeling en de inwerkingtreding van een nieuw plan geen dan wel een verouderd planologisch regime geldt op grond waarvan ontwikkelingen kunnen plaatsvinden waaraan geen actuele ruimtelijke beoordeling ten grondslag ligt of kan worden gelegd.

Proceskosten

16. Met uitzondering van Uithoek B.V. dient de raad ten aanzien van appellanten op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Utrecht van 17 juli 2014 waarbij het bestemmingsplan "Lage Weide" is vastgesteld;

III. draagt de raad van de gemeente Utrecht op om binnen 52 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw plan vast te stellen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. treft de voorlopige voorziening dat het besluit van de raad van de gemeente Utrecht van 17 juli 2014 waarbij het bestemmingsplan "Lage Weide" is vastgesteld blijft gelden, met uitzondering van:

a. de aanduiding "spoorweg" ter plaatse van de bestemming "Bedrijventerrein" voor zover deze aanduiding is toegekend aan de gronden grenzend aan het Amsterdam-Rijnkanaal;

b. artikel 3, lid 3.4.3, van de planregels voor zover het betreft de zinsnede "en vergelijkbare installaties";

c. artikel 3, lid 3.6.1, van de planregels;

d. artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels;

e. de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - betonfabriek" die is toegekend aan het perceel Kantonnaleweg 1;

V. bepaalt dat de onder IV getroffen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan zoals bedoeld onder III;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Utrecht tot vergoeding van bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten:

a. voor de stichting Stichting Milieugroep Zuilen een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. voor [appellante sub 2] een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. voor [appellante sub 3] en andere een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

d. voor [appellante sub 4] een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. voor [appellante sub 5] en anderen een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

f. voor [appellante sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. voor [appellante sub 8] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

h. voor [appellante sub 9] een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

i. voor de naamloze vennootschap Strukton Groep N.V. en andere een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

j. voor [appellante sub 11] een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

k. voor [appellante sub 12] een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Utrecht aan de volgende appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

a. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de stichting Stichting Milieugroep Zuilen;

b. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 2];

c. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 3] en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

d. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 4];

e. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 5] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

f. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatiemaatschappij Uithoek B.V.;

g. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 7];

h. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 8];

i. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 9];

j. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de naamloze vennootschap Strukton Groep N.V. en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

k. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 11];

l. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellante sub 12].

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. G. Klapwijk, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Klapwijk
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016

608-726.