Uitspraak 201502851/1/A1

Datum van uitspraak: woensdag 23 maart 2016
Tegen: Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Bouwen
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:780

201502851/1/A1.
Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Amsterdam,
2. Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Toren B.V., gevestigd te Amsterdam,
appellanten,

tegen de tussenuitspraak van 16 mei 2014 en de einduitspraak van 24 februari 2015 van de rechtbank Amsterdam in zaken nrs. 12/4018 en 12/4040 in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B],
2. de vereniging Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad, gevestigd te Amsterdam

en

het algemeen bestuur.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2012 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Centrum (de rechtsvoorganger van het algemeen bestuur; hierna: het algemeen bestuur) aan Hotel Toren ontheffingen en bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van het gebouw op het perceel Keizersgracht 164 te Amsterdam, met behoud van de bestemming daarvan tot hotel.

Bij tussenuitspraak van 16 mei 2014 heeft de rechtbank het algemeen bestuur in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het besluit van 2 juli 2012 te herstellen, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen. Bij tweede tussenuitspraak is de hersteltermijn verlengd. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Bij besluit van 9 juli 2014 heeft het algemeen bestuur de motivering van het besluit van 2 juli 2012 aangevuld en opnieuw ontheffingen en bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van het gebouw op het perceel.

Bij einduitspraak van 24 februari 2015 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en de Vereniging tegen het besluit van 2 juli 2012 ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard, de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en de Vereniging tegen het besluit van 9 juli 2014 ingestelde beroepen gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Verder heeft de rechtbank het algemeen bestuur opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], het algemeen bestuur en Hotel Toren hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1A] en Duinhouwer, Hotel Toren en de Vereniging een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2016, waar [appellant sub 1B], bijgestaan door mr. A.J. Noordam, advocaat te Amsterdam, het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. E.C. Tessensohn, werkzaam bij de gemeente, en Hotel Toren, vertegenwoordigd door mr. E. Pasman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Vereniging, vertegenwoordigd door drs. W.J. Schoonenberg, gehoord. Aan de zijde van het algemeen bestuur is tevens verschenen mr. E.H. Mattie. Aan de zijde van Hotel Toren is tevens verschenen [gemachtigde].

Overwegingen

1. Het gebouw op het perceel is al lange tijd in gebruik als hotel. Het bouwplan voorziet in het realiseren van een extra verdieping op het zogeheten voorhuis. De extra verdieping zal zowel aan de voor- als achterzijde worden voorzien van dakkapellen. Het bouwplan voorziet verder in een verhoging van het achterhuis met een halfronde aanbouw aan de lift. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] zijn bewoners van de naast het pand gelegen woning [locatie 1]. Zij vrezen voor een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van het bouwplan.

Voor het bouwplan is bij besluit van 7 oktober 2009 een monumentenvergunning verleend. Bij uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2012 in zaak nr. 201103647/1/H2 is deze vergunning onherroepelijk geworden. Bij besluit van 4 juli 2012 heeft het algemeen bestuur een sloopvergunning verleend. Bij uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 in zaak nr. 201405417/1/A1 is deze vergunning onherroepelijk geworden.

2. De met het bouwplan voorziene verhoging van het voorhuis met 2,70 m is in strijd met artikel 3, derde lid, onder k, van de planvoorschriften. Het algemeen bestuur is in het besluit van 2 juli 2012 met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat luidde ten tijde van belang, gelezen in samenhang met artikel 3, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan afgeweken.

De met het bouwplan voorziene verhoging van het achterhuis waarbij een halfronde aanbouw aan de lift en daarop geplaatste installaties en afvoerpijpen worden gerealiseerd, en de realisering van dakkapellen op het voorhuis zijn in strijd met artikel 3, derde lid, onder k, respectievelijk onder l, van de planvoorschriften. Het algemeen bestuur is in het besluit van 2 juli 2012 met toepassing van artikel 3.23 van de Wro, zoals dat luidde ten tijde van belang, gelezen in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), zoals dat luidde ten tijde van belang, van het bestemmingsplan afgeweken.

Belanghebbendheid

3. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat Hotel Toren geen belanghebbende is in deze procedure. Zij voeren hiertoe aan dat Hotel Toren het pand op het perceel heeft verkocht aan LJB Vastgoed BV, zij geen exploitant is van het hotel en zij geen (terug-)kooprecht meer heeft met betrekking tot het hotel.

3.1. De rechtbank is in de tussen- en einduitspraak gemotiveerd ingegaan op deze door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in beroep aangevoerde grond. Het betoog in hoger beroep is een herhaling van hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in beroep hebben aangevoerd. Zij hebben niet aangevoerd waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding om de einduitspraak te vernietigen.

Wettelijk kader

4. Gelet op artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsvergunning blijft omdat de aanvraag is ingediend voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wabo op 1 oktober 2010, het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van het besluit op die aanvraag.

Ingevolge de bestemmingsplannen "Westelijke Grachtengordel 2000" en "Westelijke Grachtengordel 2000, 1e herziening (Keizersgracht 164)" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Gemengde doeleinden". Op de bij het bestemmingsplan behorende Waarderingskaart heeft het gebouw de aanduiding "orde 1".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor hotels, uitsluitend ter plaatse waar op de plankaart de aanduiding 'hotel in aangegeven bouwlaag toegestaan' voorkomt, met dien verstande dat een hotel alleen mogelijk is in de op de plankaart aangegeven bouwlaag. Daar waar geen bouwlaag is aangewezen, is het gehele pand als hotel aangewezen.

Ingevolge het tweede lid, onder A.1, onder 1.a, zijn orde 1 panden de rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten.

Bevoegdheid

5. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het algemeen bestuur niet bevoegd is hoger beroep in te stellen.

5.1. Het besluit van 9 juli 2014 is, gelet op het Bevoegdhedenregister bestuurscommissies, behorende bij de Verordening op de bestuurscommissies 2013, bevoegd door het algemeen bestuur genomen. Naar het oordeel van de Afdeling vloeit uit de bevoegdheid een besluit te nemen het recht van dat orgaan voort om hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak van de bestuursrechter waar dat besluit onderwerp van het geding is.

6. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 2 juli 2012 onbevoegd is genomen. Zij voeren daartoe aan dat niet met toepassing van artikel 3.23 van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, onder b, van het Bro voor de realisering van de dakkapellen en de aanbouw aan de lift en daarop geplaatste installaties en afvoerpijpen van het bestemmingsplan kon worden afgeweken.

6.1. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het algemeen bestuur bevoegd was ontheffing te verlenen voor de aanbouw aan de lift en de daarop geplaatste installaties en afvoerpijpen. De rechtbank heeft in dit verband, in reactie op het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in beroep, overwogen dat uit artikel 3.23 van de Wro niet blijkt dat de bevoegdheid ontheffing te verlenen slechts is bedoeld voor planologisch ondergeschikte gevallen. Met de enkele stelling in hoger beroep dat het algemeen bestuur niet bevoegd was om ontheffing te verlenen voor de aanbouw aan de lift en de daarop geplaatste installaties en afvoerpijpen, hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet onderbouwd waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding om die uitspraak te vernietigen.

De rechtbank heeft in de tussenuitspraak verder overwogen dat het algemeen bestuur niet bevoegd was om met toepassing van artikel 4.1.1, eerste lid, onder b, van het Bro ontheffing te verlenen voor de realisering van de dakkapellen. Volgens de rechtbank is het besluit in zoverre gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag. Zij heeft het algemeen bestuur in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen, hetgeen het ook heeft gedaan. In zoverre mist het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] feitelijke grondslag.

Indieningsvereisten

7. Voor zover [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hun betoog over artikel 4, eerste lid, van het Besluit indieningsvereisten aanvragen bouwvergunning faalt, overweegt de Afdeling dat het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in hoger beroep een herhaling vormt van hetgeen zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is hierop in de tussenuitspraak ingegaan. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben niet aangevoerd waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding om die uitspraak te vernietigen.

Vrijstelling voor de hoogte van het voorhuis

8. Ingevolge artikel 3, derde lid, onder i, van de planvoorschriften bedraagt de bouwhoogte van gebouwen ten hoogste de op de plankaart aangegeven bouwhoogte, dan wel de ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan bestaande grotere bouwhoogte.

Ingevolge het derde lid, onder k, bedraagt, in afwijking van het bepaalde lid 3, sub i, de bouwhoogte van panden die op de waarderingskaart zijn aangeduid als 'orde 1' of 'orde 2' ten hoogste de ten tijde van de ter inzage legging van het plan bestaande bouwhoogte.

Ingevolge het vierde lid, onder f, is het dagelijks bestuur bevoegd voor orde 1 en 2 panden vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het derde lid, sub j en sub k, tot ten hoogste de op de plankaart aangegeven goot- en bouwhoogte.

Artikel 8 van de planvoorschriften bevat een beschrijving in hoofdlijnen. Vermeld is dat in dit artikel het beleid is geformuleerd waaraan de vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden zoals die in de diverse bestemmingen zijn opgenomen, zullen worden getoetst.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, mag toepassing van een vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheid niet tot gevolg hebben, dat de karakteristiek van het stadsbeeld in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onder f, alleen verleend voor zover het straatbeeld dit toelaat. Bij de beoordeling hiervan wordt, aldus dit artikellid, op het volgende gelet. Het gevelbeeld van de Amsterdamse binnenstad wordt gekenmerkt door de variatie in bouw- en goothoogte binnen een gevelwand. Daarnaast kennen hoekpanden vaak een accent doordat ze hoger zijn dan de belendingen. Ook moet rekening worden gehouden met de hoeveelheid orde 1 en orde 2 panden in de gevelwand, omdat zij als toonaangevend element een belangrijke bijdrage leveren aan het stadsbeeld. Door de ophoging van panden mogen de variatie, de hoekaccenten en de toonaangevende elementen niet worden aangetast.

9. Hotel Toren betoogt tevergeefs dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het algemeen bestuur onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het straatbeeld de verhoging van de bestaande bouwhoogte toestaat. In artikel 8, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften is vermeld dat bij de beoordeling van de vraag of het straatbeeld de verlening van vrijstelling toelaat, betrokken moet worden of de variatie, de hoekaccenten en de toonaangevende elementen worden aangetast. In het besluit van 2 juli 2012 is het algemeen bestuur hierop niet ingegaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het algemeen bestuur alleen gekeken naar de zichtbare verhoging van de straat. In het besluit is daarom niet inzichtelijk gemaakt dat het straatbeeld de verhoging van de bestaande bouwhoogte toestaat. Het betoog faalt.

10. Hotel Toren betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank, door in de einduitspraak te overwegen dat, nu het pand geen hoekpand is, een aantasting van de hoekaccenten hier niet aan de orde is, ten onrechte is teruggekomen van haar oordeel in de tussenuitspraak. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak immers niet geoordeeld dat het pand beschikte over hoekaccenten als bedoeld in artikel 8, tweede lid en onder d, van de planvoorschriften. Met de overweging in de einduitspraak dat, nu het pand geen hoekpand is, een aantasting van de hoekaccenten hier niet aan de orde is, is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van terugkomen van de tussenuitspraak.

11. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank in de einduitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd dat het algemeen bestuur in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen van artikel 3, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften voor de verhoging van het voorhuis. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat sinds 2002 het beleid wordt gevoerd dat zogeheten 'orde 1 panden' niet mogen worden verhoogd. Zij voeren verder aan dat de motivering van het algemeen bestuur om vrijstelling te verlenen ondeugdelijk is.

11.1. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan maakt het uitdrukkelijk mogelijk dat vrijstelling wordt verleend van de voorschriften met betrekking tot de bouwhoogte van orde 1 panden. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben niet aangetoond dat bij de uitvoering van dit bestemmingsplan een beleid wordt gevoerd dat orde 1 panden niet mogen worden verhoogd. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat niet is gebleken dat in het algemeen het beleid wordt gevoerd dat orde 1 panden niet mogen worden opgehoogd. In zoverre faalt het betoog.

11.2. Het algemeen bestuur heeft in het besluit van 9 juli 2014 ontheffing verleend op grond van artikel 3, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergroting geen aantasting van het straatbeeld en de karakteristiek van het stadsbeeld met zich brengt. Volgens het algemeen bestuur bedraagt de vanaf de straat zichtbare verhoging van het pand op het perceel, gezien loodrecht op de gevel, 30 cm, zodat de ophoging niet tot gevolg heeft dat de differentiatie van de bouwhoogtes in de gevelwand teniet wordt gedaan. Onder verwijzing naar de toelichting van de afdeling Realisatie Fysiek heeft het algemeen bestuur vermeld dat in de huidige situatie het pand wordt beëindigd met een schijnkap die een complete verdieping suggereert en dat deze schijnkap wordt vervangen door een complete dakverdieping die 30 cm hoger is dan de nok van de huidige schijnkap. Volgens het algemeen bestuur is de nieuwe beëindiging geen 17e eeuwse kap maar een andere klassieke beëindiging die veel voorkomt in de grachtengordel en, nu de (voor)gevelwand geen zuiver 17e eeuws beeld heeft, vormt de nieuwe beëindiging geen wezensvreemd element in de gevelwand. Het algemeen bestuur heeft verder, onder verwijzing naar voormelde toelichting, vermeld dat vanwege de grote variatie van verschillende kapvormen in de grachtengordel ruimtelijk elke klassieke kapvorm uit het oogpunt van straatbeeld en daklandschap mogelijk is. Kenmerkend voor de grachtengordel en dit gedeelte van de gevelwand is een variatie van kapvormen en deze variatie van kapvormen en het daklandschap worden door de nieuwe kapvorm niet verstoord, aldus het algemeen bestuur. Volgens het algemeen bestuur is in de voorliggende situatie geen sprake van 'hoekaccenten', nu het pand niet op een hoek is gesitueerd, en zijn er geen 'toonaangevende elementen' aanwezig. De kenmerkende variatie in bouw- en goothoogte binnen de gevelwand blijft behouden en er is in de nieuwe situatie geen sprake is van een a-typisch silhouet.

Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft het algemeen bestuur bij de rechtbank de rapportage 'Keizersgracht 164, een korte geschiedenis' van mr. drs. E.H. Mattie van 29 augustus 2014 overgelegd. Hierin is concluderend vermeld dat Hotel Toren niet de oude kap reconstrueert - ook omdat niet bekend is hoe deze er heeft uit gezien - maar een kap maakt die een positieve bijdrage levert aan het daklandschap en silhouet van de gevelwand. Het gaat daarbij niet om de vorm van de kap maar om het gegeven dat er een kap wordt teruggebracht. De nieuw te bouwen kap draagt bij aan de herkenbare parcellering en het gevarieerde beeld van het historische, monumentale bouwblok. In dit verband wordt gewezen op het beleid van Stadsdeel Centrum dat in algemene zin is gericht op het behoud en versterking van het daklandschap van Amsterdam, dat wordt gezien als een uiterst waardevolle uitdrukking van de Amsterdamse morfologie, meer in het bijzonder als een driedimensionale weergave van de historische parcellering. Het daklandschap maakt de historische structuur zichtbaar. Het wordt gestimuleerd om daar waar ooit kappen zijn geweest, maar nu verdwenen zijn, deze te herbouwen. Verder is in de rapportage concluderend vermeld dat waar het daklandschap de driedimensionale vertaling is van de historische parcellering, de gevel het vlakke beeld bepaalt. In het gevelvlak laat zich het individuele woonhuis herkennen. De sequentie van de individuele woonhuizen bepaalt het silhouet van de gevelwand. Bescherming van het historisch stadsgezicht beperkt zich nadrukkelijk niet tot het gevelbeeld. Het algemeen bestuur stelt zich volgens de rapportage dan ook op het standpunt dat de historische structuur van de stad wordt bepaald door het samenstel van het stratenpatroon, de bouwblokken en de parcellering. Gevelbeeld, silhouet, kapvorm en parcellering vormen een onlosmakelijke eenheid. Volgens de rapportage wordt op het pand een kap teruggebracht, waardoor de individuele herkenning van het pand en het bouwkavel versterkt wordt. Ook wordt het silhouet versterkt door een rechte beëindiging af te schuinen. Daarmee valt het bouwplan binnen de doelstellingen van het algemeen bestuur om de historische karakteristieken te behouden en te versterkten, aldus de rapportage.

11.3. In de einduitspraak heeft de rechtbank over de toepassing van artikel 8, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften overwogen dat het algemeen bestuur afdoende heeft gemotiveerd dat door de ophoging van het pand de variatie in bouw- en gevelhoogte binnen de gevelwand niet wordt aangetast. Nu het pand geen hoekpand is, is een aantasting van de hoekaccenten hier niet aan de orde. De rechtbank heeft verder overwogen dat met de toonaangevende elementen in artikel 8, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften de orde 1 en orde 2 panden worden bedoeld en dat de omstandigheid dat door de ophoging deze panden niet mogen worden aangetast, niet betekent dat ophoging op geen enkele manier zou zijn toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat het algemeen bestuur afdoende heeft gemotiveerd dat de variatie, hoekaccenten en toonaangevende elementen door de ophoging niet worden aangetast en dat in het licht van deze criteria het straatbeeld de vrijstelling toestaat.

De rechtbank heeft verder overwogen dat het algemeen bestuur met de aanvullende motivering voldoende heeft gemotiveerd dat de karakteristiek van het stadsbeeld niet in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied niet in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften.

11.4. Op het voorhuis bevindt zich in de bestaande situatie een kap. Anders dan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] stellen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur deze bestaande kap niet een zogeheten schijnkap heeft kunnen noemen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat deze kap de suggestie wekt dat daarachter een verdieping is opgenomen, terwijl in werkelijkheid zich achter de kap op een lager niveau een plat dak bevindt.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het algemeen bestuur afdoende heeft gemotiveerd dat de variatie, hoekaccenten en toonaangevende elementen door de ophoging niet worden aangetast en dat het karakteristiek van het stadsbeeld niet in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beëindiging waarin het bouwplan voorziet niet als een andere dan 17e eeuwse klassieke beëindiging kan worden aangemerkt. De stelling van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat geen sprake is van een 'klassieke beëindiging', nu het bouwplan voorziet in een 'rechte doos' is hiervoor niet voldoende. Het bouwplan voorziet aan de voor- en achterzijde van het pand in een schuin dak en heeft aldus geen vier rechte zijden. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur de reeds bestaande variatie van kapvormen niet in redelijkheid heeft kunnen betrekken bij de vraag of de kapvorm waarin het bouwplan voorziet de karakteristiek van het stadsbeeld in onevenredige mate aantast. Dat in de welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam Digitaal, Welstandsnota voor stadsdeel Centrum' (hierna: de welstandsnota) juist van behoud en restauratie van bestaande kappen uitgaat, doet daar niet aan af, nu de welstandsnota bij de beoordeling van de vraag of het algemeen bestuur met toepassing van artikel 8 vrijstelling van het bestemmingsplan kan verlenen niet aan de orde is. Hoewel met het bouwplan een extra verdieping op het platte dak van het pand wordt gerealiseerd, welke verdieping zelf een hoogte heeft van ongeveer 2,70 m, leidt het bouwplan slechts tot een verhoging van de bestaande bouwhoogte van het voorhuis van 30 cm. De goothoogte wijzigt niet. Gelet hierop en op de bij de stukken behorende foto's van het pand, waarop tevens de bouw- en goothoogten van naastgelegen panden zichtbaar zijn, heeft de rechtbank in de einduitspraak terecht overwogen dat het algemeen bestuur afdoende heeft gemotiveerd dat door het bouwplan de bestaande variatie in bouw- en goothoogte binnen de gevelwand niet wordt aangetast. Nu het pand geen hoekpand is, heeft de rechtbank verder terecht overwogen dat aantasting van de hoekaccenten hier niet aan de orde is. Zoals de rechtbank voorts heeft overwogen, betekent het bepaalde in artikel 8, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften dat de toonaangevende elementen niet mogen worden aangetast, niet dat ophoging op geen enkele manier zou zijn toegestaan. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat artikel 8, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften niet aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat.

Het betoog faalt.

Ontheffing ten behoeve van de realisering van dakkapellen

12. Ingevolge artikel 3, derde lid, onder h, van de planvoorschriften bedraagt de goothoogte van gebouwen ten hoogste de op de plankaart aangegeven goothoogte, dan wel de ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan bestaande grotere goothoogte.

Ingevolge het derde lid, onder j, bedraagt, in afwijking van het bepaalde in lid 3, sub h, de goothoogte van panden die op de waarderingskaart zijn aangeduid als 'orde 1' of 'orde 2', ten hoogste de ten tijde van de ter inzage legging van het plan bestaande goothoogte.

Ingevolge het derde lid, onder l, dient de bovenste bouwlaag van een gebouw vanaf de maximale goothoogte als bedoeld in lid 3, sub h en j, binnen een hellingshoek van ten hoogste 60 graden, gemeten vanaf de zijgevels of vanaf de voor- en achtergevel te worden gebouwd, met dien verstande dat, voor zover de goothoogte ten tijde van de ter inzage legging van ontwerp van het plan lager is dan de maximale goothoogte, de bovenste bouwlaag binnen een hellingshoek van ten hoogste 60 graden vanaf deze lagere goothoogte, gemeten vanaf de zijgevels of vanaf de voor- en achtergevel, te worden gebouwd.

Ingevolge het vierde lid, onder g, is het dagelijks bestuur bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3, sub l voor één of meer dakkapellen, mits niet meer dan 30% van het hellend dakvlak hiervoor wordt benut.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder f, dienen de (oorspronkelijke) kapconstructie en noklijn duidelijk herkenbaar te blijven. Boven de dakkapel moeten minimaal drie rijen dakpannen resteren. Dakkapellen dienen minimaal 1 meter uit de voor- en achtergevel (ingeval van een dwarskap) of zijgevels (ingeval van een langskap) te worden geplaatst.

13. Het algemeen bestuur en Hotel Toren betogen dat de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten (hierna: de CWM) van 15 februari 2012, heeft overwogen dat het algemeen bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd dat aanleiding bestaat met toepassing van artikel 3.23 van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, onder e, van het Bro af te wijken van artikel 3, derde lid, onder l, van de planvoorschriften voor de realisering van de dakkapellen. Het algemeen bestuur voert daartoe aan dat het aansluiting heeft kunnen zoeken bij de criteria die in artikel 8, tweede lid, onder f, van de planvoorschriften worden gegeven. Het voert verder aan dat het een stedenbouwkundige beoordeling heeft verricht, terwijl de rechtbank zich baseert op het welstandsadvies. Volgens het algemeen bestuur heeft de rechtbank ten onrechte de welstandstoets laten prevaleren. Het algemeen bestuur en Hotel Toren voeren verder aan dat uit de stedenbouwkundige beoordeling blijkt dat geen bezwaren bestaan tegen de dakkapellen. Het algemeen bestuur voert tot slot aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] geen zicht hebben op de dakkapellen, zodat niet valt in te zien hoe het hun belangen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] had moeten meewegen.

13.1. In het besluit van 9 juli 2014 heeft het algemeen bestuur zich op het standpunt gesteld dat voor de realisering van de dakkapellen niet met toepassing van artikel 3, vierde lid, onder g, gelezen in samenhang met artikel 8, tweede lid, onder f, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan kan worden afgeweken, omdat boven de dakkapellen geen drie rijen dakpannen resteren. Volgens het algemeen bestuur zijn de dakkapellen evenwel gezien de geringe hoogte van het dak wat de verhouding betreft niet te hoog in het dakvlak gelegen en blijven de oorspronkelijke kapconstructie en noklijn herkenbaar. De dakkapellen zijn zo gedimensioneerd dat deze duidelijk ondergeschikt zijn aan het dakvlak. De dakkapellen zijn in lijn met het doel van de ontheffingscriteria. De karakteristiek van het stadsbeeld wordt door de dakkapellen niet onevenredig aangetast.

13.2. In de einduitspraak heeft de rechtbank onder verwijzing naar het welstandsadvies van 15 februari 2012 overwogen dat niet valt in te zien dat, zoals het algemeen bestuur in zijn besluit heeft vermeld, de (oorspronkelijke) dakconstructie en de noklijn duidelijk herkenbaar blijven en dat het algemeen bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de karakteristiek van het stadsbeeld. Zij heeft verder overwogen dat niet is gebleken dat het algemeen bestuur bij de afwijking van het bestemmingsplan het belang van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] heeft betrokken.

13.3. Niet in geschil is dat het bouwplan, voor zover dat betrekking heeft op de realisering van de dakkapellen, in strijd is met het bestemmingsplan. Evenmin is in geschil dat geen gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid die het bestemmingsplan in artikel 8, tweede lid, onder f, van de planvoorschriften biedt om van het bestemmingsplan af te wijken. Het algemeen bestuur heeft bij het verlenen van ontheffing op grond van artikel 3.23 van het Wro, gelezen in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, onder e, van het Bro aansluiting gezocht bij de strekking van artikel 8, tweede lid, onder f, van de planvoorschriften, namelijk dat de oorspronkelijke dakconstructie en noklijn duidelijk herkenbaar moeten blijven.

13.4. Aan de orde is de vraag of het college in redelijkheid met toepassing van artikel 3.23 van het Wro, gelezen in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, onder e, van het Bro, van het bestemmingsplan heeft kunnen afwijken. De vraag of sprake is van redelijke eisen van welstand is bij de beantwoording van deze vraag niet aan de orde. De rechtbank heeft haar oordeel in de einduitspraak dan ook reeds daarom niet mede kunnen doen steunen op het welstandsadvies. Het betoog van Hotel Toren en het algemeen bestuur is dan ook in zoverre terecht voorgedragen.

13.5. Het algemeen bestuur betoogt voorts terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu het het belang van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet bij de beoordeling heeft betrokken, het besluit ook om die reden onvoldoende is gemotiveerd. Het algemeen bestuur heeft ter zitting van de Afdeling nader toegelicht dat het bouwplan ruimtelijk gezien wenselijk is. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben vanuit hun woning geen zicht op de dakkapellen, zodat het daarom aan het ruimtelijk belang meer gewicht heeft toegekend dan aan het belang van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur zich niet in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen.

13.6. De Afdeling zal hierna bezien of het algemeen bestuur in redelijkheid met toepassing van artikel 3.23 van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, onder e, van het Bro heeft kunnen afwijken van artikel 3, derde lid, onder l, van de planvoorschriften.

13.7. Uit de bouwtekening met werknummer 52-1608 blijkt dat aan zowel de voorzijde als de achterzijde van het voorhuis twee dakkapellen worden geplaatst. Het dak heeft aan de voorzijde en achterzijde een hoogte van ongeveer 2,70 cm. De dakkapellen zijn 1,35 m hoog. De voorzijde van het voorhuis heeft ter plaatse van de dakkapellen een breedte van 10,21 m. De beide dakkapellen bevinden zich op 2,27 m van de beide zijgevels. Tussen de dakkapellen zit een ruimte van 2,91 m. De achterzijde van het voorhuis heeft ter plaatse van de dakkapellen een breedte van ongeveer 10 m. De dakkapellen bevinden zich op 1,45 m respectievelijk 1,80 m van de zijgevels. Tussen deze dakkapellen zit een ruimte van 3,74 m. Verder volgt uit de stukken van het dossier dat boven de dakkapellen één à twee rijen dakpannen resteren.

Het algemeen bestuur heeft, mede onder verwijzing naar een door een stedenbouwkundige van de gemeente gemaakte beoordeling 'Kap met dakkapellen Keizersgracht 164, aanvullende motivering' nader uiteengezet dat de dakkapellen in een symmetrische compositie zijn geplaatst en het symmetrische beeld van de verdiepingen versterken. Een kap is per definitie lager in hiërarchie dan de verdiepingen, hetgeen zich ook vertaalt in de materialisering van pannen ten opzichte van baksteen. De kroonlijst markeert het onderscheid tussen de verdiepingen en de kap.

Gelet op de bouwtekening en het verhandelde ter zitting, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de dakkapellen, gelet op de geringe hoogte van het dak, wat de verhouding betreft niet te hoog in het dakvlak zijn gelegen, de oorspronkelijke kapconstructie en noklijn herkenbaar blijven en de dakkapellen zo gedimensioneerd zijn dat deze duidelijk ondergeschikt zijn aan het dakvlak en daarom de dakkapellen in lijn zijn met het doel van de ontheffingscriteria.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het algemeen bestuur het belang van de aanvrager bij de uitvoering van het bouwplan in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van strikte handhaving van het bepaalde in artikel 3, derde lid, onder l, van de planvoorschriften. De betogen slagen.

14. Het betoog van het algemeen bestuur dat de rechtbank, door in de einduitspraak te overwegen dat de afwijking van het bestemmingsplan voor de realisering van de dakkapellen onvoldoende is gemotiveerd en het besluit van 9 juli 2014 om die reden moet worden vernietigd, ten onrechte het beginsel van hoor en wederhoor niet heeft toegepast, behoeft, gelet op hetgeen is overwogen onder 13.7, geen bespreking meer.

Ontheffing voor de halfronde aanbouw aan de lift en de daarop geplaatste installaties en afvoerpijpen

15. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het algemeen bestuur in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen voor de halfronde aanbouw aan de lift en de daarop geplaatste installaties en afvoerpijpen. Zij voeren daartoe aan dat de halfronde aanbouw wordt gerealiseerd aan een illegaal geplaatste lift. Zij voeren verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat het algemeen bestuur niet heeft gemotiveerd dat de installaties niet inpandig kunnen worden geplaatst, dat hun uitzicht niet of nauwelijks wordt aangetast en dat er geen sprake is van een aantasting van hun woon- en leefklimaat, door, zoals de Afdeling uit het betoog ter zitting begrijpt, de uitstoot van koolmonoxide.

15.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwplan voorziet in het plaatsen van onder meer twee pijpen op de halfronde aanbouw aan de liftopbouw die nodig zijn voor de ontluchting van het riool en de ontluchting en beluchting van de CV-ketels die in de kelder staan.

15.2. Het algemeen bestuur heeft zich in het besluit van 2 juli 2012 op het standpunt gesteld dat de installatievoorzieningen voor het exploiteren van het hotel noodzakelijk zijn en dat de afvoerpijpen niet inpandig kunnen worden opgelost vanwege verstikkingsgevaar door koolmonoxide. Volgens het algemeen bestuur is uit nader onderzoek gebleken dat de afvoerpijpen niet kleiner kunnen worden uitgevoerd omdat deze een voorziening voor de aanvoer van verse lucht en een afvoer van verbrandingslucht hebben die zijn gebaseerd op NEN norm 1078. De voorzieningen voldoen aan Gastec QA keuringseisen 83-1, beproefd volgens BRL 5102. Volgens het algemeen bestuur zijn de afvoerpijpen niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte en tasten deze, gelet op de omvang daarvan, de kwaliteit van het binnenterrein niet onevenredig aan. Het algemeen bestuur heeft het belang van Hotel Toren bij de uitvoering van het bouwplan zwaarder laten weten dan het belang van een strikte handhaving van het bepaalde in artikel 3, derde lid, onder k, van de planvoorschriften.

In de bij het besluit behorende 'Nota van beantwoording van de ingediende zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbesluit' is vermeld dat afvoerkanalen ongeveer 13 m boven het maaiveld uitmonden. Ze staan op een uitbouw die zich op een hoogte van ruim 11 m boven de binnentuin bevindt. Het zijn aan- en afvoerpijpen voor de CV-installatie. De verbrandingsgassen van een CV zijn nagenoeg reukloos. De afvoer van deze gassen produceert geen geluid. Bij de verbranding van fossiele brandstoffen komt koolmonoxide vrij. Zolang deze rechtstreeks naar de buitenlucht wordt afgevoerd, kan dat geen kwaad, aldus het algemeen bestuur. Van hinder in de vorm van stank en/of geluid is geen sprake. Verder is in de Nota met betrekking tot de zichtbaarheid van de afvoerpijpen vermeld dat het afschermen van de afvoerpijpen slechts zeer beperkt mogelijk is vanwege de aard van deze voorzieningen, die afvoer van koolmonoxide mogelijk moet maken. Volgens het algemeen bestuur bestaat vanuit de tuin bij het pand op het perceel [locatie 2] het meest rechtstreekse uitzicht. Om de uitbouw en de voorzieningen te kunnen zien, moet iemand die met de rug tegen de achtergevel van het pand op het perceel Leliegracht onder een hoek van 45 graden omhoog kijken. Naar het oordeel van algemeen bestuur is de omvang van de halfronde aanbouw zodanig klein en ondergeschikt aan het gehele gebouw dat het uitzicht niet wordt aangetast in een mate die het niet verlenen van een ontheffing van het bestemmingsplan zou rechtvaardigen.

15.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het algemeen bestuur in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen voor de halfronde aanbouw aan de lift en de daarop geplaatste installaties en afvoerpijpen. Zij heeft, anders dan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] stellen, de door het algemeen bestuur gegeven motivering terecht voldoende geacht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] slechts hebben volstaan met het opwerpen van de vraag of het standpunt van het algemeen bestuur dat de voorzieningen voor het exploiteren van het hotel noodzakelijk zijn en niet inpandig kunnen worden uitgevoerd juist is en zij ter zitting van de Afdeling hebben erkend dat zij, na realisering van het bouwplan, geen zicht hebben op de pijpen op de halfronde aanbouw. Hierbij wordt verder in aanmerking genomen dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet gemotiveerd hebben weersproken dat volgens het college de afvoerpijpen voldoen aan NEN 1078 en Gastec QA keuringseisen 83-1, en koolmonoxide, zolang deze rechtstreeks wordt afgevoerd naar de buitenlucht, geen gevaar oplevert. Het betoog faalt.

Bouwbesluit 2003

16. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat algemeen bestuur met toepassing van artikel 1.11 van het Bouwbesluit 2003 ontheffing heeft kunnen verlenen van artikel 4.24 en 4.28 van het Bouwbesluit 2003. Volgens hen heeft de rechtbank miskend dat sprake is van nieuwbouw, zonder dat een ander bouwwerk wordt vervangen.

16.1. Ingevolge artikel 1.11 van het Bouwbesluit 2003, zoals dat Besluit gold ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk, tenzij bij het voorschrift anders is aangegeven.

Ingevolge artikel 4.24, derde lid, heeft een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid, een hoogte boven de vloer van ten minste de grenswaarde die is aangeven [lees: aangegeven] in tabel 4.20.

Ingevolge artikel 4.28, derde lid, heeft een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid, een hoogte boven de vloer van ten minste de grenswaarde als aangeven [lees: aangegeven] in tabel 4.25.

De in de tabel 4.20 en 4.25 aangegeven hoogte is 2,6 m.

16.2. Het algemeen bestuur heeft met toepassing van artikel 1.12 (lees: artikel 1.11), eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 ontheffing verleend van de artikelen 4.24, derde lid, en 4.28, derde lid, van het Bouwbesluit 2003 tot het niveau van bestaande bouw, zijnde 2,4 m.

16.3. In hetgeen in hoger beroep wordt aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het algemeen bestuur niet bevoegd is hiervoor met toepassing van artikel 1.11, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 ontheffing te verlenen, nu het bouwplan voorziet in het vergroten van het pand op het perceel met een nieuwe verdieping. Het betoog faalt.

Bouwverordening Amsterdam 2003

17. Voor zover [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 2.5.17 van de Bouwverordening Amsterdam 2003 overweegt de Afdeling dat het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in hoger beroep een herhaling vormt van hetgeen zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is hierop in de tussenuitspraak ingegaan. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben niet aangevoerd waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig zijn. In dit verband wordt nog overwogen dat, zoals Hotel Toren ter zitting van de Afdeling heeft verklaard, de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] bedoelde 'inham' vanaf het dak van het hotel te bereiken is, hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet hebben bestreden. Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding om die uitspraak te vernietigen.

Gemeentelijk beleid

18. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen tevergeefs dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het algemeen bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het Hotelbeleid Binnenstad 2008-2011 bij de beoordeling van de aanvraag niet van toepassing is. Volgens het algemeen bestuur is het hotelbeleid van toepassing op nieuwe hotels of de uitbreiding van bestaande hotels, voor zover daarbij extra kamers worden gerealiseerd. Gelet op de nadere aanduiding op de plankaart mag het gehele pand als hotel worden gebruikt. Nu vaststaat dat met realisering van het bouwplan het aantal kamers afneemt van 28 naar 24 kamers is de rechtbank terecht tot voormeld oordeel gekomen. Dat een deel van het totaal aantal kamers illegaal tot stand is gekomen, is door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet aannemelijk gemaakt.

Welstand

19. Het algemeen bestuur en Hotel Toren betogen dat de rechtbank in de tussenuitspraak en einduitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het algemeen bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van het negatieve advies van de CWM is afgeweken. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat het algemeen bestuur aan het financiële belang van Hotel Toren geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend. Volgens hen waren er, naast de financiële belangen, verschillende andere redenen om van het negatieve welstandsadvies af te wijken. Het algemeen bestuur wijst in dit verband op de omstandigheid dat de welstandscriteria door de CWM thans strenger worden uitgelegd, op de positieve grondhouding van het algemeen bestuur ten opzichte van het bouwplan door de jaren heen en op de onherroepelijke monumentenvergunningen. Het algemeen bestuur en Hotel Toren wijzen verder op de eerdere positieve welstandsadviezen.

19.1. Zoals volgt uit uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014 in zaak nr. 201301920/1/A1 bestaat geen grond voor het oordeel dat het college slechts bevoegd is om af te wijken van een negatief welstandsoordeel op grond van overwegingen van algemeen belang, zoals economische of maatschappelijke belangen. Het kan ook in verband met individuele omstandigheden die de aanvrager betreffen daarvan afwijken.

19.2. In het negatieve advies van de CWM van 15 februari 2012 is van doorslaggevend belang geacht dat het bouwplan niet voldoet aan de welstandsnota dat voor monumenten behoud en/of restauratieve aanpak als uitgangspunt heeft.

19.3. Het algemeen bestuur heeft zich in het besluit van 2 juli 2012 op het standpunt gesteld dat het het advies van 15 februari 2012 van de CWM niet overneemt. Het heeft het belang van Hotel Toren bij de uitvoering van het plan laten prevaleren, gelet op de positieve grondhouding van het algemeen bestuur in de afgelopen achttien jaren, die is terug te zien in de steeds verleende monumenten- en bouwvergunningen, de onherroepelijke monumentenvergunningen van 1998, 2002 en 2009, de tot 2011 herhaalde positieve adviezen van de CWM en het economisch belang van Hotel Toren. Dit standpunt heeft het algemeen bestuur in het besluit als volgt nader gemotiveerd. Sinds 1994 bestaat bij Hotel Toren de wens om het hotel uit te breiden met een extra verdieping. Het algemeen bestuur heeft in het verleden de daarvoor vereiste vergunningen steeds verleend. Het wijst in dit verband op de in 1998 en 2002 verleende monumentenvergunningen die onherroepelijk zijn. Daarnaast wijst het ook op de ten behoeve van het onderhavige bouwplan op 7 oktober 2009 verleende monumentenvergunning die bij uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2012 onherroepelijk is geworden. Volgens het algemeen bestuur bestaat er vanuit monumentaal oogpunt dan ook geen belemmering om het bouwplan te realiseren. Het algemeen bestuur heeft verder vermeld dat het bouwplan ten behoeve van een extra verdieping vanaf de eerste indiening van de bouwaanvraag in 1998 op zichzelf genomen positief is beoordeeld. Dit blijkt uit feit dat in het verleden steeds vergunningen zijn verleend, na positieve advisering door de CWM, gericht op het bouwen van een extra verdieping op het hotel. De wijzigen die het plan in de loop der jaren heeft ondergaan, betroffen aanpassingen in verband met gewijzigde regelgeving. Na indiening van de bouwaanvraag heeft de CWM opnieuw positief geadviseerd. In de jaren die volgden, is de gevraagde monumentenvergunning verleend en onherroepelijk geworden. In diezelfde periode is het welstandsbeleid aangescherpt. Het enkele feit dat de CWM negatief heeft geadviseerd brengt daarom volgens het algemeen bestuur niet mee dat de gevraagde bouwvergunning moet worden geweigerd. Dit negatieve advies is volgens het algemeen bestuur ingegeven door een aanscherping van het welstandsbeleid in de afgelopen jaren. Deze aanscherping heeft plaatsgevonden in de periode dat de monumentenvergunning voor het onderhavige bouwplan onderwerp van geschil was. Gelet op de aanhoudingsplicht van artikel 54, eerste lid, van de Woningwet (oud) kon het de bouwvergunning niet eerder dan 1 januari 2012 verlenen. Aanscherping van het welstandsbeleid kan, gelet op de hierboven vermelde feiten en omstandigheden, redelijkerwijs niet aan Hotel Toren worden tegengeworpen, aldus het algemeen bestuur.

19.4. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de motivering van het algemeen bestuur inzake de aanscherping van het beleid ondeugdelijk is. De enkele stelling van het algemeen bestuur ter zitting dat de welstandsnota is aangescherpt, heeft de rechtbank onvoldoende geacht om de gemotiveerde betwisting van het standpunt van het algemeen bestuur door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] te weerspreken. De rechtbank heeft verder overwogen dat het algemeen bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd wat het financiële belang van Hotel Toren precies is en op welke wijze het algemeen bestuur dit heeft meegewogen in de belangenafweging. Nu het algemeen bestuur ervoor heeft gekozen om aan het belang van Hotel Toren doorslaggevende betekenis toe te kennen, had het op de weg van het algemeen bestuur gelegen om inzichtelijk te maken op welke manier dit belang is meegewogen, aldus de rechtbank.

19.5. Voor zover het algemeen bestuur in hoger beroep betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de welstandsnota in tekstuele zin weliswaar niet is aangescherpt, maar dat wat de uitleg van de welstandsnota door de CWM betreft wel een aanscherping heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling als volgt. Het algemeen bestuur leidt uit de omstandigheid dat de CWM in 2011 en 2012, anders dan in de voorheen uitgebrachte adviezen, negatief over het bouwplan heeft geadviseerd, af dat deze commissie de welstandscriteria strenger is gaan uitleggen. De Afdeling acht deze omstandigheid voor dat oordeel echter niet voldoende. Zij acht in dit verband nog van belang dat het algemeen bestuur - anders dan het heeft verklaard - heeft verklaard geen nadere toelichting van de CWM over de uitleg van de criteria heeft overgelegd. In zoverre faalt het betoog van het algemeen bestuur.

19.6. Het algemeen bestuur en Hotel Toren betogen terecht dat het algemeen bestuur bij de afwijking van het negatieve welstandsadvies geen doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het financiële belang van Hotel Toren. Hoewel het algemeen bestuur wel gewicht heeft toegekend aan dat belang, heeft het, gelet op de in het besluit ingenomen motivering, aan het financiële belang van Hotel Toren geen doorslaggevende betekenis gehecht.

19.7. De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het algemeen bestuur, gelet op de door hem aan zijn standpunt ten grondslag gelegde gronden, in onderlinge samenhang bezien, in redelijkheid van het negatieve advies van 15 februari 2012 heeft kunnen afwijken.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het algemeen bestuur bij zijn standpunt kunnen betrekken dat de CWM inzake de welstandstoets van doorslaggevend belang heeft geacht dat het bouwplan niet voldoet aan de welstandsnota dat voor monumenten behoud en/of restauratieve aanpak als uitgangspunt heeft, terwijl voor eerdere bouwplannen tot verhoging van het pand, alsmede voor het onderhavige plan, wel monumentenvergunningen zijn verleend, die alle onherroepelijk zijn geworden. In dit verband wordt nog verwezen naar de eerder vermelde uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2012 inzake de monumentenvergunning voor het onderhavige bouwplan waarin is overwogen dat de CWM op 26 augustus 2009 en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 13 april 2010 en 15 maart 2011 positief hebben geadviseerd over de aanvraag om monumentenvergunning. Het algemeen bestuur heeft in zijn hogerberoepschrift nader toegelicht dat uit het positieve advies 15 maart 2011 naar voren komt dat de monumentale kap wordt vernieuwd en dat het, in dat advies genoemde, voorkapje, vanuit materiaalhistorisch oogpunt nauwelijks nog monumentale waarde vertegenwoordigt. Het algemeen bestuur heeft bij zijn standpunt verder kunnen betrekken dat er, zoals in overweging 11.2 is uiteengezet, geen stedenbouwkundige bezwaren bestaan tegen het bouwplan. Het algemeen bestuur heeft bij het afwijken van het negatieve advies van de CWM tevens in aanmerking kunnen nemen dat er al jaren een positieve grondhouding bestaat tegenover een verhoging van het pand, hetgeen onder meer tot uitdrukking is gekomen met in 1998 en 2002 verleende bouwvergunningen voor een ophoging van het pand, en daarnaast betekenis kunnen toekennen aan het individuele belang van Hotel Toren. Dat, naar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] stellen, Hotel Toren in de huidige situatie geen verlies lijdt, maakt, daargelaten de juistheid van deze stelling, dit niet anders, reeds nu moet worden aangenomen dat Hotel Toren belang heeft bij het ophogen van het pand voor het creëren van nieuwe hotelkamers.

19.8. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte overwogen dat het algemeen bestuur zijn standpunt dat het afwijkt van het negatieve welstandsadvies onvoldoende heeft gemotiveerd. Het betoog van het algemeen bestuur en Hotel Toren slaagt.

20. Het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] is ongegrond. De hoger beroepen van het algemeen bestuur en Hotel Toren zijn, gelet op hetgeen hiervoor onder 13.7 en 19.8 is overwogen, gegrond. De Afdeling vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank het algemeen bestuur in de gelegenheid heeft gesteld het gebrek in het besluit van 2 juli 2012 inzake de welstandstoets te herstellen. De Afdeling vernietigt de einduitspraak, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], voor zover gericht tegen het besluit van 2 juli 2012 niet-ontvankelijk heeft verklaard, en voor zover zij het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen het besluit van 9 juli 2014 gegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen het besluit van 2 juli 2012 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Afdeling zal hun beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 9 juli 2014, ongegrond verklaren. De Afdeling
bevestigt de tussen- en einduitspraak voor het overige.

21. Het algemeen bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten in verband met het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen het besluit van 2 juli 2012 ingestelde beroep te worden veroordeeld.

Samenvatting

22. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 2 juli 2012 gebreken kent met betrekking tot de vrijstelling van het bestemmingsplan voor de hoogte van het voorhuis, de ontheffing voor de realisering van de dakkapellen en de welstandtoets. De Afdeling is in haar uitspraak tot het oordeel gekomen dat het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak over de eerste twee gebreken juist is. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak evenwel ten onrechte geoordeeld dat het besluit van 2 juli 2012 ook een gebrek kent met betrekking tot de welstandtoets. De rechtbank heeft het algemeen bestuur dan ook ten onrechte in de gelegenheid gesteld het besluit van 2 juli 2012 in zoverre te herstellen. Om die reden heeft de Afdeling de tussenuitspraak vernietigd.

De rechtbank heeft in de einduitspraak terecht geoordeeld dat het algemeen bestuur in het besluit van 9 juli 2014 het gebrek inzake de vrijstelling van het bestemmingsplan voor de hoogte van het voorhuis op juiste wijze heeft hersteld. Zij heeft evenwel ten onrechte overwogen dat het algemeen bestuur het door haar geconstateerde gebrek met betrekking tot de ontheffing voor de realisering van de dakkapellen niet op juiste wijze heeft hersteld. De Afdeling heeft om die reden ook de einduitspraak vernietigd.

Nu de rechtbank in het besluit van 2 juli 2012 terecht twee gebreken heeft geconstateerd, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen dat besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van het algemeen bestuur van 9 juli 2014, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, ongegrond verklaren, nu de Afdeling van oordeel is dat het algemeen bestuur de door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken inzake de vrijstelling van het bestemmingsplan voor de hoogte van het voorhuis en de ontheffing voor de realisering van de dakkapellen op juiste wijze heeft hersteld.

Het voorgaande betekent dat de aan Hotel Toren bij besluit van 9 juli 2014 verleende omgevingsvergunning voor het bouwplan in stand blijft.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Toren B.V. gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2014 in zaken nrs. 12/4018 en 12/4040, voor zover het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum daarin in de gelegenheid is gesteld het gebrek in het besluit van 2 juli 2012, kenmerk BWT 81-09-0204, inzake de welstandstoets te herstellen;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2015 in zaken nrs. 12/4018 en 12/4040, voor zover de rechtbank daarbij het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], voor zover gericht tegen het besluit van 2 juli 2012 niet-ontvankelijk heeft verklaard, en voor zover de rechtbank daarbij het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], voor zover gericht tegen het besluit van 9 juli 2014, kenmerk SJZ 99-12-0051 gegrond heeft verklaard en dat besluit heeft vernietigd;

IV. verklaart het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 2 juli 2012, gegrond;

V. vernietigt dat besluit;

VI. verklaart het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 9 juli 2014, ongegrond

VII. bevestigt de tussen- en einduitspraak voor het overige;

VIII. veroordeelt het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 2 juli 2012 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Pieters
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

473.