Uitspraak 201507248/1/V3

Datum van uitspraak: donderdag 26 november 2015
Tegen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Vreemdelingenkamer - Asiel
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2015:3663

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.

201507248/1/V3.
Datum uitspraak: 26 november 2015

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 september 2015 in zaak nr. 15/15138 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 september 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gelijktijdig met zaak nr. 201507322/1/V3, behandeld op 9 oktober 2015, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. Y. Tamer, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft op 19 mei 2015 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat de Hongaarse autoriteiten het terugnameverzoek van de staatssecretaris op 19 juni 2015 hebben geaccepteerd, zodat zij op grond van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013 L 180) verantwoordelijk zijn geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. In het claimakkoord van 19 juni 2015 is door de Hongaarse autoriteiten toegelicht dat de procedure van de vreemdeling is beëindigd op 3 april 2015 omdat zij is ondergedoken.

2. In de enige grief klaagt de vreemdeling onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris ten onrechte ten aanzien van Hongarije uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De vreemdeling voert daartoe aan dat overdracht aan Hongarije strijdig is met de artikelen 3, 5 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Zij heeft stukken overgelegd waaruit volgens haar moet worden afgeleid dat de Hongaarse asielprocedure diverse tekortkomingen kent. Zij wijst daarbij op de tekortkomingen betreffende de opvangcapaciteit en leefomstandigheden, de detentie van asielzoekers, waaronder Dublinclaimanten, de beschikbaarheid van rechtsbijstand, de toegang tot effectieve rechtsmiddelen en het risico op refoulement. Voorts klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op het claimakkoord, moet worden aangenomen dat na overdracht aan Hongarije de behandeling van het door de vreemdeling ingediende asielverzoek zal worden hervat en inhoudelijk zal worden behandeld. Daartoe voert zij aan dat, gelet op de gewijzigde Hongaarse asielwetgeving, na overdracht aan Hongarije haar asielverzoek niet inhoudelijk zal worden behandeld, zij daartegen geen effectieve rechtsmiddelen kan aanwenden en aldus het risico loopt op refoulement.

2.1. Gelet op de beoordeling waartoe het arrest van 21 januari 2011 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, zaak nr. 30696/09, (www.echr.coe.int) noopt, kan in de situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM onderbouwt met algemene documenten die aanleiding geven voor gerede twijfel, de zorgvuldige voorbereiding met zich brengen dat de staatssecretaris, ondanks het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gehouden is, in het kader van zijn vergewisplicht, zelf nader onderzoek te verrichten naar de situatie in het desbetreffende land.

2.2. De door de vreemdeling overgelegde stukken geven aanleiding voor gerede twijfel als hiervoor bedoeld, in het bijzonder waar het betreft de opvangcapaciteit, leefomstandigheden en de procedure in Hongarije. De staatssecretaris heeft, in reactie op de door de vreemdeling overgelegde stukken, schriftelijk noch ter zitting bij de Afdeling voldoende inlichtingen verstrekt over de situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Hongarije.

Gelet hierop heeft de staatssecretaris, gegeven zijn vergewisplicht, zich niet zonder nader onderzoek naar de situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Hongarije op het standpunt kunnen stellen dat door overdracht van de vreemdeling aan Hongarije geen situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft aldus niet onderkend dat de staatssecretaris dit standpunt onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd.

De grief slaagt reeds hierom. Daarom bestaat geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen, zoals de vreemdeling ter zitting heeft verzocht, omdat deze vragen niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil (zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, punt 10; ECLI:EU:C:1982:335).

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige in hoger beroep is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 6 augustus 2015 alsnog gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 september 2015 in zaak nr. 15/15138;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 6 augustus 2015, V-nr. 281.341.5063;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2015

347-722.