Uitspraak 201405775/1/R3

Datum van uitspraak: woensdag 15 juli 2015
Tegen: de raad van de gemeente Bernheze
Proceduresoort: Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Noord-Brabant
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2015:2205

201405775/1/R3.
Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A], gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze, en [appellant sub 1B],
2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Bernheze,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Het Runneke" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2015, waar [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], bijgestaan door mr. R. Bormans, [appellant sub 2] en anderen, bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door T. Langendijk en E. Ploegmakers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plangebied ligt aan de noordzijde van de kern van Nistelrode en wordt begrensd door de Noorderbaan, Kleinwijk, de Kievitweg en de Heescheweg. Het plan voorziet in drie nieuwe bedrijfskavels en uitbreidingsmogelijkheden voor drie bestaande bedrijfskavels. Verder maakt het plan de bouw van één vrijstaande woning en de verplaatsing van de weg Het Runneke mogelijk.

Het beroep van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B]

4. [appellante sub 1A] is gevestigd aan de [locatie] te Nistelrode. Dit perceel ligt in het plangebied. [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] voeren aan dat in het plan voor het perceel gelegen op de hoek van de Noorderbaan en de Heescheweg ten onrechte een maximaal toegestane bouwhoogte van 11 m is opgenomen. Indien op die plek een bedrijfsgebouw met een maximale hoogte van 11 m zal worden gebouwd, zal de zichtbaarheid van het bedrijf van [appellante sub 1A] volgens hen sterk afnemen. Volgens [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] is het bedrijf in de bestaande situatie vanaf de doorgaande wegen duidelijk zichtbaar. Deze zichtbaarheid draagt bij aan de naamsbekendheid van het bedrijf, hetgeen van groot belang is voor de bedrijfsvoering.

4.1. De raad stelt dat, anders dan [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] menen, het bedrijf in de huidige situatie niet op een zichtlocatie ligt. Vanaf de Noorderbaan is het bedrijf ook in de huidige situatie immers niet zichtbaar door het tussenliggende bosperceel. Het bedrijf is voorts georiënteerd op de Heescheweg. Het zicht vanaf die weg wijzigt niet door het plan, aldus de raad. Voorts is het doel van het plan volgens de raad om het gebied tot een representatieve entree van de kern van Nistelrode te maken. Dit doel weegt volgens hem zwaarder dan de door [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] genoemde belangen.

4.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat het bedrijf van [appellante sub 1A] in de huidige situatie niet op een zichtlocatie ligt, nu het bedrijf vanaf de doorgaande wegen niet volledig zichtbaar is vanwege het tussenliggende bosperceel en het bedrijf is georiënteerd op de Heescheweg. Voor zover al sprake zou zijn van een vermindering van de zichtbaarheid van het bedrijf heeft de raad bij de afweging van alle belangen daaraan niet meer waarde hoeven toekennen dan hij heeft gedaan. Er bestaat gelet daarop geen grond voor het oordeel dat de raad de maximale bouwhoogte van 11 m voor het perceel gelegen op de hoek van de Noorderbaan en de Heescheweg niet in redelijk in het plan heeft kunnen opnemen.

Het betoog faalt.

5. [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] voeren verder aan dat de gevolgen van het plan voor het verkeer onvoldoende in kaart zijn gebracht. Ter onderbouwing van dit betoog verwijzen zij naar het rapport 'Second opinion inzake verkeersaspecten bestemmingsplan "het Runneke"' van Loendersloot Adviesgroep van 7 mei 2015 (hierna: het rapport Loendersloot). Volgens [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] is in het plan geen rekening gehouden met een "worst case scenario". Fietsers zijn niet meegenomen in de berekeningen. De voorgestelde infrastructuur is volgens hen onvoldoende om een efficiënte verkeersafwikkeling te kunnen garanderen. Voorts zal de verkeerssituatie als gevolg van de bouw van een nieuw bedrijf op het perceel gelegen op de hoek van de Noorderbaan en de Heescheweg volgens [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] onoverzichtelijk worden. Verder zullen er volgens hen door het extra verkeer files ontstaan, waardoor het bedrijf van [appellante sub 1A] minder goed bereikbaar wordt.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toename van verkeer als gevolg van het plan is berekend volgens de normen van het kennisplatform CROW. Volgens die berekeningen zal het plan niet leiden tot knelpunten in het verkeer. In het rapport Loendersloot ziet de raad geen aanleiding voor een ander standpunt. Ook indien wordt uitgegaan van een toename van 25 motorvoertuigen per uur op het drukste uur, zoals beschreven in dit rapport, zijn volgens de raad geen ernstige verkeersproblemen te verwachten. Volgens de raad stellen [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] terecht dat fietsers niet zijn meegenomen in de berekeningen, maar dit is volgens de raad ook niet gebruikelijk. In de huidige situatie leidt het fietsverkeer niet tot problemen en de verwachting is dat de uitvoering van het plan ook niet tot problemen zal leiden, aldus de raad.

5.2. In de plantoelichting staat dat het vroegere knelpunt, te weten de kruising met de verkeerslichten bij de Noorderbaan, inmiddels is omgevormd tot een rotonde en dat daarmee zowel de verkeersveiligheid als de doorstroming is verbeterd. De parallelweg van de Heescheweg wordt in het plan aangesloten op Het Runneke. Hierdoor ontstaat een doorlopend fietspad parallel aan de Heescheweg en de Noorderbaan en een goede ontsluiting voor de aangrenzende bedrijven.

Het extra te verwachten verkeer per dag is volgens de plantoelichting onderzocht met gebruikmaking van cijfers als aanbevolen door het CROW in de publicatie van oktober 2012 "CROW, ASVV 2012". De verwachting is dat het plan 129 extra motorvoertuigen per etmaal en 13 motorvoertuigen per uur op het drukste uur tot gevolg zal hebben. Voorts zijn de intensiteiten van de relevante wegdelen in de huidige situatie onderzocht. Op basis daarvan wordt de conclusie getrokken dat de maximale capaciteit op geen van de wegdelen als gevolg van het plan wordt overschreden. De intensiteit na uitvoering van het plan ligt niet in de buurt van de maximale capaciteit. Ook de maximale capaciteit en de zogenoemde conflictbelasting op de nabij gelegen rotonde worden niet overschreden. Ten slotte zijn er geen problemen te verwachten door verkeer dat Het Runneke oprijdt of er van af komt.

Gelet op hetgeen in de plantoelichting staat is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afwikkeling van het extra verkeer als gevolg van het plan niet zal zorgen voor ernstige verkeeroverlast of gevaarlijke verkeerssituaties. Er bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de bereikbaarheid van het bedrijf van [appellante sub 1A] als gevolg van het plan ernstig zal verslechteren. Het rapport van Loendersloot biedt geen grond voor een ander oordeel reeds omdat, zoals de raad heeft toegelicht, ook bij een worst case-benadering zoals beschreven in dat rapport geen ernstige verkeersproblemen te verwachten zijn.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

Ontvankelijkheid

7. De raad voert als verweer aan dat [appellant sub 2] en [persoon] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit, omdat zij te ver van de nieuwe bedrijfsbebouwing wonen. Voorts hebben zij door de tussenliggende bebouwing volgens de raad geen zicht op de voorziene woning.

7.1. De woning van [appellant sub 2] en [persoon] staat op een afstand van ongeveer 100 m van het plangebied. Gelet op deze afstand en de omstandigheid dat tussen deze woning en het bedrijventerrein geen andere bebouwing staat, hebben zij zicht op een deel van het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, hebben zij naar het oordeel van de Afdeling een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang en dienen zij derhalve, anders dan de raad betoogt, als belanghebbenden, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, te worden aangemerkt.

Inhoudelijk

8. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de raad de omwonenden onvoldoende heeft betrokken bij de planvorming en hun belangen onvoldoende heeft meegewogen. Zeker nu de omwonenden in het verleden al bezwaren hebben geuit tegen vergelijkbare plannen voor het plangebied en het plan veel gevolgen voor hen zal hebben, had de raad volgens [appellant sub 2] en anderen hen vanaf het begin bij de planvorming moeten betrekken. Het voorontwerpplan heeft tijdens de vakantieperiode ter inzage gelegen en van het ontwerpplan zijn de omwonenden niet op de hoogte gesteld.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de belangen van de omwonenden voldoende zijn betrokken bij het plan. In de voorbereiding van het plan is vaak met de betrokken partijen gesproken.

8.2. Voordat het plan is vastgesteld heeft gedurende zes weken een voorontwerpplan ter inzage gelegen. Omwonenden, waaronder [appellant sub 2] en anderen, hebben een inspraakreactie gegeven waarop de raad in de inspraaknotitie gemotiveerd is ingegaan. Daarna heeft het ontwerpplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. In de notitie zienswijzen is de raad gemotiveerd ingegaan op de zienswijzen die over het ontwerpplan zijn ingediend. De Afdeling is van oordeel dat de in de Wet ruimtelijke ordening vervatte procedure juist is gevolgd en de raad op deze wijze de omwonenden en hun belangen voldoende heeft betrokken bij de totstandkoming van het plan.

Over het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat het voorontwerpplan ten onrechte in een vakantieperiode ter inzage heeft gelegen, wordt overwogen dat de terinzagelegging van een voorontwerpplan en het bieden van inspraak geen deel uitmaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Reeds daarom heeft de terinzagelegging van het voorontwerpplan tijdens een vakantieperiode geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad de omwonenden persoonlijk op de hoogte had moeten stellen van de terinzagelegging van het ontwerpplan.

Het betoog faalt.

9. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat voor het plangebied op 27 juni 2013 het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Bernheze" is vastgesteld. In de toelichting bij dat plan staat dat het een actueel juridisch kader voor het plangebied biedt en dat het plan conserverend [appellant sub 1B]d is. Volgens [appellant sub 2] en anderen mochten zij er gelet hierop vanuit gaan dat de planvorming voor het Runneke definitief was gestaakt en er geen nieuwe ontwikkelingen in het plangebied mogelijk zouden worden gemaakt. De raad heeft door kort daarna een nieuw plan vast te stellen waarin wel nieuwe ontwikkelingen voor het plangebied mogelijk worden gemaakt gehandeld in strijd met onder meer het vertrouwensbeginsel.

9.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In de enkele omstandigheid dat het plan kort na het voorheen geldende plan is vastgesteld, ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de raad de regionale behoefte aan de voorziene bedrijfsgebouwen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet heeft aangetoond. Volgens [appellant sub 2] en anderen kan ter onderbouwing van de regionale behoefte niet worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen met de provincie overeengekomen is. Ook is het volgens hen onvoldoende om enkel de eigen gemeentelijke behoefte te onderbouwen. Zij wijzen er voorts op dat het gemeentebestuur in 2002-2003 de planvorming voor het plangebied heeft stopgezet omdat de behoefte aan nieuwe bedrijfsgebouwen niet was aangetoond. De situatie op de markt is sindsdien alleen maar verslechterd. De vraag naar bedrijventerreinen is structureel afgenomen. Volgens [appellant sub 2] en anderen heeft de raad de benodigde aanvullende behoefte mede in relatie tot de leegstand niet aangetoond. Dat twee van de drie bedrijfskavels reeds zijn verkocht is hiervoor volgens hen onvoldoende, omdat deze bedrijven elders een bedrijfspand achterlaten. Op het bedrijventerrein staan momenteel veel bedrijfspanden te koop of te huur.

10.1. De raad verwijst ter onderbouwing van de behoefte aan de voorziene bedrijfsgebouwen naar de bedrijventerreinenvisie van de gemeente Bernheze. De raad stelt dat deze visie tot stand is gekomen in samenwerking met de lokale ondernemers en de Kamer van Koophandel. De drie partijen zijn ondersteund door Croonen Adviseurs en de Stec Groep. Dit beleid is onder meer tot stand gekomen door een inventarisatie van de bedrijventerreinen en een digitale enquête onder de Bernhezer ondernemers. Ook zijn er drie workshops gegeven. Een ruimtebehoefte van vier tot zes hectare in de gemeente Bernheze is hiermee aangetoond. Het plan voorziet volgens de raad in die lokale behoefte. Ter onderbouwing van de regionale behoefte verwijst de raad naar het verslag van het Regionaal Ruimtelijk Overleg Noordoost-Brabant van 26 juni 2013. Hieruit blijkt volgens hem dat op regionaal niveau is ingestemd met het plan.

10.2. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Bro gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

Ingevolge het tweede lid voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, wordt in het Bro en de hierop berustende bepalingen verstaan onder stedelijke ontwikkeling een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

10.3. In de bedrijventerreinenvisie staat dat om een goed beeld te krijgen van de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen in de gemeente Bernheze gebruik is gemaakt van een provinciale raming en een digitale enquête onder ondernemers. Hieruit volgt dat er een ruimtebehoefte van vier tot zes hectare tot 2020 is in de gemeente Bernheze.

Nu deze visie zich beperkt tot de ontwikkelingen binnen de gemeente Bernheze heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling hiermee niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre het plan voorziet in een actuele regionale behoefte, hoe groot die regionale behoefte is en hoe het plan zich verhoudt tot het bestaande aanbod in de regio. Ook het verslag van het Regionaal Ruimtelijk Overleg Noordoost-Brabant van 26 juni 2013 waarnaar de raad verwijst, maakt dit niet inzichtelijk. Hierin staat immers slechts dat het overleg instemt met de voorziene ontwikkeling in het plan, maar daarbij wordt niet ingegaan op de vraag in hoeverre het plan voorziet in een actuele regionale behoefte.

Het betoog slaagt.

11. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het beroep is gegrond.

12. Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen om binnen 24 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De raad dient daartoe inzichtelijk te maken dat met het plan wordt voorzien in een actuele regionale behoefte. Daarbij dient de situatie te worden betrokken zoals deze gold ten tijde van de vaststelling van het plan en, ingeval sprake is van gewijzigde omstandigheden, de situatie zoals deze momenteel geldt.

13. De overige beroepsgronden van [appellant sub 2] en anderen komen in de einduitspraak aan de orde.

Conclusie

14. Ten aanzien van het beroep van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] en anderen zal in de einduitspraak beslist worden over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond;

II. draagt de raad van de gemeente Bernheze op om binnen 24 weken na verzending van deze uitspraak:

- met inachtneming van de overwegingen 10.3 en 12 het daar omschreven gebrek in het besluit van 13 maart 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Het Runneke" te herstellen, en

- de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Brock
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

603.