Uitspraak 201503386/1/V3

Datum van uitspraak: woensdag 13 mei 2015
Tegen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Bewaring
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2015:1595

201503386/1/V3.
Datum uitspraak: 13 mei 2015

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2015 in zaak nr. 15/6890 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 april 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het proces-verbaal van staandehouding van 31 maart 2015, gelezen in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2015 en de toelichting van de staatssecretaris ter zitting, voldoende inzichtelijk is gemaakt dat de vreemdeling is staande gehouden in het kader van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en op dat moment sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Daartoe voert de vreemdeling aan dat in de processen-verbaal van 31 maart 2015 en 10 april 2015 niet inzichtelijk is gemaakt op grond van welke bevoegdheid hij staande is gehouden en naar zijn identiteitsbewijs is gevraagd en dat het er gelet daarop voor moet worden gehouden dat de controle op de identiteit in het kader van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 heeft plaatsgevonden. Op het moment dat de verbalisanten naar zijn identiteitsbewijs vroegen was er echter geen sprake van een naar objectieve maatstaven gemeten redelijk vermoeden van illegaal verblijf, nu hij slechts op de grond zat aan het einde van de Walkway nabij het WTC en zijn telefoon oplaadde, aldus de vreemdeling.

1.1. In het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2015 is het volgende vermeld:

"Op dinsdag 31 maart 2015, omstreeks 22:00 uur, werd ik, verbalisant, gebeld door collega (…). (…) is werkzaam bij de brigade politie en Beveiliging van de Koninklijke Marechaussee op de luchthaven Schiphol. Ik werd gebeld omdat ik op dat moment piket HOvJ was voor de brigade vreemdelingenzaken. (…) vertelde mij dat ze een persoon genaamd (…) hadden staande gehouden. Ik hoorde (…) zeggen dat ze (…) hadden staande gehouden omdat hij aan het einde van de Walkway nabij het WTC op de grond zat. Toen ze vroegen wat hij aan het doen was antwoordde hij ontwijkend en vertelde dat hij alleen zijn telefoon aan het opladen was. Hierop vroeg (…) naar het identiteitsbewijs van (...). (…) gaf aan dit niet te hebben. (…) heeft hierop (…) conform de wet op de ID gefouilleerd. Uit deze identiteitsfouillering kwam een kopie van een Tanzaniaans paspoort te voorschijn. Op de vraag of hij ook een verblijfvergunning had antwoordde (…) dat hij die had verloren. Gelet op bovenstaande hebben ze (…) meegenomen naar de politiepost Plaza om zijn verblijfsrechtelijke status te kunnen controleren. Na navraag in het Vreemdelingenbasissysteem kwam naar voren dat (…) sinds 27 december 2014 geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland. Hierop hebben ze mij verbalisant gebeld en gevraagd voor advies. Ik, verbalisant heb (…) medegedeeld dat ze (…) voor artikel 50 van de VW staande konden houden […]."

1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2001 in zaak nr. 200102650/1; JV 2001/234), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Slechts indien de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 mei 2005 in zaak nr. 200502959/1; JV 2005/278), is in de bij de Wet op de uitgebreide identificatieplicht gegeven uiteenzetting omtrent de verhouding tussen de uitgebreide identificatieplicht en het vreemdelingentoezicht (TK 2003-2004, 29218, no. 3, pagina 14), benadrukt dat uit een proces-verbaal duidelijk dient te blijken in welk kader controle heeft plaatsgevonden, onder welke omstandigheden de betrokkene is aangetroffen en onder welke omstandigheden de staandehouding heeft plaatsgevonden. Voorts is in dit verband opgemerkt dat de specifieke bepaling van artikel 50 van de Vw 2000 inhoudt dat controle op identiteit slechts mag plaatsvinden, indien er een geobjectiveerd redelijk vermoeden bestaat van illegaal verblijf en dat de Wet op de uitgebreide identificatieplicht geen aanvullende bevoegdheid ten opzichte van het vreemdelingentoezicht geeft.

1.3. Het van de staandehouding van de vreemdeling opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2015 maakt het niet mogelijk vast te stellen of de vreemdeling op 31 maart 2015 is gevraagd naar zijn identiteitsbewijs in het kader van de uitoefening van de politietaak of een andere niet vreemdelingrechtelijke bevoegdheid, dan wel dat in feite sprake is geweest van een controle in het kader van het vreemdelingentoezicht. Evenmin is een afzonderlijk proces-verbaal voorhanden waaruit zulks kan blijken. Bij deze onduidelijkheid moet het ervoor worden gehouden dat de controle op de identiteit van de vreemdeling op 31 maart 2015 heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000.

Zodanige controle kan evenwel eerst plaatsvinden, indien sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in voormelde bepaling. Aan de omstandigheden dat de vreemdeling op de grond zat aan het einde van de Walkway nabij het WTC en desgevraagd verklaarde dat hij zijn telefoon aan het opladen was, kan geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 worden ontleend. De vreemdeling is derhalve niet rechtmatig staandegehouden.

1.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 december 2004 in zaak nr. 200409979/1), maakt de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling, indien aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, eerst onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

1.5. In het besluit van 1 april 2015, waarbij de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 de maatregel van bewaring is opgelegd, staat dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert en er een significant risico bestaat op onderduiken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling:

- zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

- eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

- zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

- meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid, en

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

In de toelichting hierop heeft de staatssecretaris in het besluit vermeld dat de vreemdeling door niet te beschikken over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 zijn vertrek en de mogelijkheid om zijn identiteit vast te stellen belemmert. Voorts heeft de vreemdeling geen gebruik gemaakt van de aan hem gegunde termijn binnen welke hij Nederland diende te verlaten, zodat hij niet aannemelijk maakt dat hij thans wel uit vrije wil zou vertrekken. Verder heeft de vreemdeling meerdere verblijfsvergunningen aangevraagd, aan welke voorwaarden hij niet voldoet, en beschikt hij niet over middelen van bestaan, zodat hij niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij zelfstandig uit Nederland kan of zal vertrekken. Daarnaast blijkt uit het handelen van de vreemdeling op geen enkele wijze dat hij voornemens is uit eigener beweging te vertrekken.

1.6. De aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden in samenhang met de daarop door de staatssecretaris gegeven toelichting zijn onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van de staatssecretaris te doen uitvallen. Evenmin heeft de staatssecretaris overige aan deze gronden te relateren omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor dat oordeel.

De staatssecretaris heeft voorts geen andere zwaarwegende belangen gesteld op grond waarvan het niet nakomen van de uit artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 voortvloeiende verplichting niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. Met name is niet gesteld dat de vreemdeling daadwerkelijk op korte termijn kan worden uitgezet of dat het risico dat het voornemen tot uitzetting niet kan worden gerealiseerd onaanvaardbaar moet worden geacht.

Gelet hierop en de belangen ter bescherming waarvan het betrokken voorschrift strekt, is de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 1 april 2015 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren en nu de vrijheidsontnemende maatregel thans nog voortduurt, bepalen dat die maatregel ingaande heden wordt opgeheven en aan de vreemdeling met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toekennen over de periode van 1 april 2015 tot heden.

3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2015 in zaak nr. 15/6890;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;

V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 3.360,00 (zegge: drieduizend driehonderdzestig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Vonk
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015

345-759.