Uitspraak 201211239/1/V6

Datum van uitspraak: woensdag 21 augustus 2013
Tegen: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Nederlanderschap
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2013:823

201211239/1/V6.
Datum uitspraak: 21 augustus 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] mede voor hun kinderen, (hierna: [appellanten]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 24 oktober 2012 in zaken nrs. 12/4824 en 12/4820 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 25 maart 2011 heeft de minister de verzoeken van [appellanten] om aan hen het Nederlanderschap te verlenen (hierna: de verzoeken), afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 3 mei 2012 heeft de minister het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2013, waar [appellant A], bijgestaan door mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. de Kock, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder staatloze verstaan: een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de RWN wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

De toelichting op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, van de RWN in de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) vermeldt dat om te bepalen of een persoon staatloos is in de zin van de RWN, wordt gekeken naar de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA). Indien betrokkene in de GBA is ingeschreven als staatloze, is op zijn persoonslijst de categorie nationaliteit niet opgenomen en kan hij worden aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN. Indien betrokkene in de GBA is opgenomen als zijnde van onbekende nationaliteit omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld, is op zijn persoonslijst in de categorie nationaliteit de standaardwaarde ‘0000’ (onbekend) opgenomen en kan hij niet worden aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN.

Volgens de Handleiding dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte, over te leggen.

De Handleiding vermeldt voorts dat een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument dient over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit dient niet alleen te geschieden in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is), dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de GBA is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

Van het vereiste van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. In bewijsnood is een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

Verder is in de Handleiding vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

3. Niet in geschil is dat [appellanten] bij de verzoeken geen geldige buitenlandse reisdocumenten en geen gelegaliseerde dan wel van apostilles voorziene geboorteakten hebben overgelegd. De staatssecretaris heeft de verzoeken afgewezen omdat de identiteit en nationaliteit van [appellanten] niet kunnen worden vastgesteld en heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellanten] niet in bewijsnood verkeren.

4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hun stelling dat zij staatloos zijn feitelijke grondslag mist. [appellanten] voeren daartoe aan dat zij niet hebben verklaard dat hun nationaliteit onbekend is. Zij staan weliswaar ingeschreven in de GBA als zijnde van onbekende nationaliteit, maar volgens hen vermelden gemeenten op willekeurige basis de aanduiding ‘van onbekende nationaliteit’ dan wel ‘staatloos’ in de GBA. Zij wijzen op problemen van etnische Armeniërs in hun land van herkomst, Azerbeidzjan, als gevolg van de-registraties aldaar en stellen daardoor staatloos te zijn.

4.1. Gelet op het beleid in de Handleiding, zoals hierboven onder 2 weergegeven, faalt het betoog dat [appellanten] staatloos zijn, reeds omdat zij in de GBA zijn opgenomen als zijnde van onbekende nationaliteit. De enkele stelling dat willekeurig is gekozen om hen als zijnde van onbekende nationaliteit in te schrijven in plaats van als staatloos, hebben [appellanten] niet toegelicht en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Hun verwijzing naar de situatie van etnische Armeniërs in Azerbeidzjan biedt evenmin grond voor een ander oordeel. [appellanten] hebben ter toelichting van die verwijzing gewezen op het thematisch ambtsbericht staatsburgerschaps- en vreemdelingenwetgeving in Azerbeidzjan van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2011 (hierna: het thematisch ambtsbericht). Daaruit volgt dat de woonplaatsregistratie van veel etnische Armeniërs uit het bevolkingsregister in Azerbeidzjan is verwijderd waardoor etnische Armeniërs, die ten tijde van de inwerkingtreding van de Staatsburgerschapswet van 1998 in Azerbeidzjan niet aldaar woonachtig waren en geen woonplaatsregistratie bezaten, feitelijk hun staatsburgerschap hebben verloren. In het thematisch ambtsbericht is echter ook vermeld dat het mogelijk is dat van sommigen de registratiegegevens bewaard zijn gebleven. [appellanten] hebben niet aangetoond dat hun gegevens zijn verwijderd uit de registers in Azerbeidzjan, zodat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat zij staatloos zijn. De verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 september 2011 (JV 2011/451) leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat die zaak, waarin de vraag aan de orde was of ook zonder dat de betrokkene beschikte over een buitenlands reisdocument al voldoende bewijs van haar nationaliteit voorhanden was, een andere situatie betreft.

Het betoog faalt.

5. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aan hen was om gelegaliseerde dan wel van apostilles voorziene geboorteakten over te leggen. Zij voeren daartoe aan dat de staatssecretaris had toegezegd om de door hen overgelegde duplicaten van hun geboorteakten te laten onderzoeken door Bureau Documenten, nu zij zelf geen oordeel kunnen geven over de authenticiteit van deze documenten. Zij stellen dat de staatssecretaris hun geen gelegenheid heeft gegeven om deze documenten van apostilles te laten voorzien.

5.1. Dat de staatssecretaris zou hebben toegezegd de authenticiteit van de duplicaten van de geboorteakten die [appellanten] hebben overgelegd te laten onderzoeken, laat onverlet dat die duplicaten niet aan de in de Handleiding gestelde vereisten voldoen. Nu [appellanten] geen van apostilles voorziene geboorteakten hebben overgelegd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het ontbreken van deze documenten zich verzet tegen naturalisatie. Dat [appellanten] niet in de gelegenheid zijn gesteld de duplicaten van de geboorteakten door de daartoe bevoegde autoriteiten te laten voorzien van apostilles, doet daaraan niet af, nu uit de Handleiding volgt dat het aan een verzoeker om verlening van het Nederlanderschap is om bij het indienen van het verzoek een gelegaliseerde dan wel van een apostille voorziene geboorteakte over te leggen. Bovendien heeft de staatssecretaris in zijn brief van 15 oktober 2010 erop gewezen dat [appellanten] voormelde documenten dienen over te leggen en heeft de staatssecretaris voorts, nadat [appellanten] de duplicaten van de geboorteakten hadden overgelegd, in het gehoor op 14 september 2011 erop gewezen dat die duplicaten een apostillestempel missen en reeds daarom niet ter staving van hun gestelde identiteit kunnen dienen.

Het betoog faalt.

6. [appellanten] betogen ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellanten] niet hebben aangetoond in bewijsnood te verkeren. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hun beroep op de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 december 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BV0474, niet slaagt en stellen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de problematiek van etnische Armeniërs in Azerbeidzjan.

6.1. De verwijzing naar voormelde uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 december 2011, faalt reeds omdat de Afdeling deze bij uitspraak van 7 november 2012 in zaak nr. 201201050/1/V6 heeft vernietigd. [appellanten] betogen terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de door hen in beroep reeds naar voren gebrachte situatie van etnische Armeniërs in Azerbeidzjan, maar het betoog kan niet tot het ermee beoogde doel leiden. Uit de door hen daarover genoemde informatie volgt immers niet dat zij in bewijsnood verkeren. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, is met het thematisch ambtsbericht niet aangetoond dat als gevolg van de-registratie de persoonlijke gegevens van [appellanten] niet meer voorkomen in het bevolkingsregister in Azerbeidzjan. Voor hun stelling dat zij zonder woonplaatsregistratie in Azerbeidzjan geen paspoort kunnen verkrijgen bij de autoriteiten aldaar, biedt het thematisch ambtsbericht evenmin voldoende steun. Dat het voor hen gevaarlijk is om naar Azerbeidzjan te reizen om de voor naturalisatie benodigde documenten te verkrijgen, zoals [appellanten] ter zitting nog hebben gesteld, betekent niet dat zij in bewijsnood verkeren. Voor zover zij al niet zelfstandig naar Azerbeidzjan kunnen reizen, hebben zij niet aangetoond dat zij niet via een in Azerbeidzjan verblijvende (professionele) derde voormelde documenten kunnen verkrijgen.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Hartsuiker
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2013

164-692.