Uitspraak ​201210588/1/A1

Datum van uitspraak: woensdag 15 mei 2013
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Bladel
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2013:CA0146

​201210588/1/A1.
Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bladel,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 september 2012 in zaak nr. 11/4273 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bladel.

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft het college [appellant] gelast om binnen zes weken een tuinhuisje en een houthok te verwijderen en verwijderd te houden van de onlangs verkochte reststrook van [locatie] te Bladel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 november 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 september 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en het college, vertegenwoordigd door C.H. van de Ven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Veilig Oord" de bestemming "Tuin".

Ingevolge artikel 5.1 van de planvoorschriften zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen behorend bij de op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

Ingevolge artikel 5.2.1 mogen op of in deze gronden geen gebouwen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van Bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en derde lid, van Bijlage II is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

b. voor zover op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1°. niet hoger dan 3 m,

2°. de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van 1 m van een naburig erf niet meer dan 10 m²,

3°. als gevolg van het bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer dan 30 m², en

4°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor het tuinhuis met houthok geen omgevingsvergunning is vereist, omdat het bouwwerk voldoet aan het gestelde in artikel 2, aanhef en derde lid, van Bijlage II van het Bor. De gronden die hij in eigendom heeft, te weten het kadastrale perceel 972, waarop zijn woning is gelegen, perceel 1084 en een gedeelte van de reststrook met perceelnummer 2193, zijn aan te merken als hetzelfde perceel en deze percelen zijn sinds 1990 ingericht als tuin. Voorts voert hij aan dat de bestemming "Tuin" is gerelateerd aan het hoofdgebouw, zodat sprake is van een bouwwerk op hetzelfde perceel.

2.1. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het tuinhuis met houthok en de woning zich niet bevinden op hetzelfde perceel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de bij het Bor behorende Bijlage II. Daarin is bepaald dat een bijbehorend bouwwerk zich op hetzelfde perceel moet bevinden als het hoofdgebouw. In het Bor en de daarbij behorende bijlagen ontbreekt een definitie van wat onder het begrip perceel moet worden verstaan. Niet in geschil is dat de woning en het tuinhuis met houthok zich bevinden op afzonderlijke naast elkaar gelegen kadastrale percelen, die in eigendom zijn van [appellant]. De woning van [appellant] is gelegen op het kadastrale perceel 972 en het tuinhuis met houthok is gelegen op de grens van de percelen 1084 en 2193. Deze percelen zijn ingericht en worden gebruik als tuin bij de woning. Gelet op de feitelijke actuele situatie moeten de percelen als een geheel worden aangemerkt, zodat het tuinhuis met houthok is voorzien op hetzelfde perceel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de bij het Bor behorende Bijlage II. Dat het tuinhuis met houthok is gelegen op een ander kadastraal perceel en dat daarop de bestemming "Tuin" rust, op grond waarvan geen bebouwing is toegestaan, leidt, anders dan rechtbank heeft overwogen, niet tot een ander oordeel.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat aan de vereisten uit artikel 2, aanhef en derde lid, onder b, van Bijlage II bij het Bor is voldaan. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande ten onrechte overwogen dat voor het tuinhuis met houthok een omgevingsvergunning is vereist en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.

Het betoog slaagt. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van 22 november 2011 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Afdeling ziet aanleiding het besluit van 10 mei 2011 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 september 2012 in zaak nr. 11/4273;

III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bladel van 22 november 2011, kenmerk 11u.10694;

V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bladel van 10 mei 2011, kenmerk 11u.04530;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bladel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.947,00 (zegge: negentienhonderdzevenenveertig euro), waarvan € 1.880,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bladel aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van den Berg
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

651.